Printable version  Printable version
Uitgaande v/d genade ...
Bijbelcommentaren
De komst van de Heer
Geschiedenis en Tijd
Herstel van alle dingen
Het geestelijke leven
    666
    Alsem en Uitwerp...
    Blij met Gods oor...
    Brood en wijn
    Crowned With Oil
    De drie dopen
    Door de woestijn ...
    Evening and Morning
    Feed My Sheep
    Gedenk de Sabbatd...
    Gedoopt in Christus
    Gemeenschap
    Gods stem horen
    Het erdeel van Jabez
    Het Woord Gods
    Job ed weg tot zoo...
    Latent power of th...
    Licht uit schaduwen
    Mozes ed weg tot ...
    Uw naam worde ge...
    Van oost naar west
    Vrijmaking vd geest
    Wetten van geeste...
    Witness Lee
Het Koninkrijk van God
Israel en Juda
Overig

Blij met Gods oordelen

"De Heer is Koning.
Laat het veld en al wat daarop is zich verblijde;
laten de bomen van het woud jubelen voor de Heer, want Hij komt om de aarde te richten.
Loof de Heer, want Hij is goed, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid."
(1Kron.16:31-34)

"Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht,
want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners van de wereld gerechtigheid."
(Jesaja 26:9)

Overgenomen van: In Geest en Waarheid

INLEIDING

Oordeel! Het woord alleen al vervult menigeen met gevoelens van onbehagen, laat staan dat je er blij mee zou kunnen zijn. Denk maar eens aan de grote oordeelsdag, waarop volgens de traditie iedere gelovige eeuwig blijft leven in de hemel en alle anderen voor eeuwig verdoemd zijn en naar de hel worden verwezen!

Maar zo is het gelukkig niet. De bijbel spreekt over verschillende oordelen. Sommige zijn voltrokken, andere zijn nog gaande, weer andere zijn toekomstig. Je kunt nooit spreken over het oordeel, want er zijn oordelen over satan, onheilige engelen, Babel, ongelovigen, steden en volken, over zonde en dood, over gelovigen, zonen, dienstknechten Gods, het huis Gods. Elk vindt plaats op een door God bepaalde tijd en met een doel dat past in Zijn plan.

Eerst iets over het woord oordeel in de grondtekst. In het Hebreeuws is het mishpat: gerechtelijke uitspraak. Het woord komt van richten, recht maken. Na eerst alle feiten en omstandigheden goed te hebben gewogen, geeft de Rechter Zijn oordeel. Velen denken hierbij aan een strafoplegging in negatieve zin, maar een goede straf is juist opvoedend, corrigerend. Een mishpat hoeft niet eens altijd straf te betekenen, want een rechter veroordeelt niet alleen. Hij kan iemand ook vrijspreken. Daar ging David van uit, toen hij zei: "Doe mij recht (=oordeel mij), Heer, want ik heb in onschuld gewandeld; op U heb ik vertrouwd zonder te wankelen" (Ps.26:1).

Oordeel in het Grieks is krisis en betekent scheiding. Goed en kwaad dienen gescheiden te worden. De krisis wordt vaak vergeleken met een vuur, waarin God de mens loutert en beproeft (Zach.13:9, Mal.3:3, 1Pet.4:12). Het doel van Gods oordeel is positief: het is om te louteren, om te corrigeren. En daarom begint het bij het huis van God, bij ons (1Pet.4:17).

GERICHTEN IN HET VERLEDEN

Het begon al meteen na de eerste zonde: de eerste oordeelsdag. God deed uitspraak over Adam en daarmee over de gehele mensheid: schuldig. "Je zult voorzeker sterven" (Gen.2:17). "Je zult (collectief) ellende ervaren" (letterlijke vertaling van Dr. M.Reisel). Niet alleen Adam en Eva, maar de hele mensheid (vgl. 1Cor.15:21-22).

Het oordeel, dat de mens buiten het paradijs verdriet, pijn, ziekte en dood zou ervaren, was rechtvaardig. De gevallen mens was het paradijs niet meer waardig. Maar gelukkig zou deze toestand niet eeuwig duren, want vóór de zondeval was de uitkomst er al. Het Lam was geslacht vóór de grondlegging (=terneerwerping=zondeval) van de wereld om alle zonde van de wereld op Zich te nemen (Op.3:8, Joh.1:29). En meteen na de verdrijving van de mens uit het paradijs toonde God al, hoe toegang ertoe weer mogelijk zou zijn: door het zwaard, het levende, krachtige Woord, dat zo diep doordringt, dat het ziel en geest en alle overleggingen en gedachten van het menselijke hart vaneenscheidt (=oordeelt, vgl. Gen.3:24, Heb.4:12).

Jezus is dat krachtige Woord Gods. Uit Zijn mond komt het zwaard om vaneen te scheiden, te oordelen (Op.19:11-16). Door Hem is de weg tot de Vader weer vrij (Joh.14:6). Hij zegt: "God heeft Mij niet in de wereld gezonden, om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te behouden door Mij" (Joh.3:17). "Ik zal Mijn vlees geven voor het leven van de wereld" (Joh.6:51). En door die éne daad van gerechtigheid komt het tot rechtvaardiging ten leven voor alle mensen (Rom.5:18). Wat de bedoeling van Gods eerste mishpat was? Het paradijs niet alleen voor Adam en Eva te bestemmen, maar voor alle mensen, door Jezus Christus, onze Heer (vgl.Op.2:7, 21:9-22:5).

Na dit oordeel zouden er nog vele volgen. Wie kent niet de zondvloed. Alles wat het menselijk hart voortbracht, was slecht (Gen.6:5-7). Schuldig! Maar ook hier stond bij God met de schuldigverklaring en de straf een positief doel voor ogen: als Hij de regenboog (=Christus) in de wolken (in de Zijnen) zou zien, zou Hij Zijn verbond gedenken tot heil van "alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is" (Gen.9:16). Dat is toch om blij van te worden!

Ook het oordeel over de zonde van Sodom en Gomorra kon niet uitblijven. De Rechter overwoog alle feiten en omstandigheden (Gen.18:21). Hij luisterde goed naar de verdediging (Gen.18:22-33). De uitspraak kon alleen maar zijn: "Schuldig". De steden werden volledig verwoest en als voorbeeld liggen zij onder "aionisch" (="eeuw-durend" =tijdgebonden) "vuur" onder de Dode Zee (Gen.19, Judas 7). En tot wanneer blijven de geesten van die mensen daar als voorbeeld liggen? Tot de beek uit Gods huis "zal stromen naar de oostelijke landstreek en in de zee wordt uitgestort, zodat haar water gezond wordt. Er zal zeer veel vis zijn, want als daar dit water komt, wordt de zee weer gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven" (Ez.47:8-9). Die oostelijke zee is de Dode Zee, waar Sodom en Gomorra verdwenen in de diepte. Alles zal er leven. Wat is de Vader genadig!

Ook voerde God een rechtsgeding tegen het historische Babel (Jer.51:36). Het weigerde Israël na zeventig jaar ballingschap te laten terugkeren naar Jeruzalem (Jes.14:17). Bovendien had koning Belsazar de Heer getergd, door zich, samen met zijn vrouwen, bijvrouwen en duizend hoge gasten, te bedrinken uit het gouden gerei dat uit de tempel van Jeruzalem was geroofd. Daarbij roemden zij hun goden voor de overwinning op Israël. Gods mishpat? Gewogen en te licht bevonden. Babel werd diezelfde nacht nog door de Meden en de Perzen onder de voet gelopen (Dan.5:1-30). En hún koning zou Israël wél laten gaan (2Kron.36:22-23).

Nu Gods eigen volk. Als het luisterde naar Zijn stem, dan betekende dat leven en overvloed en een waarborg voor een langdurig wonen in het beloofde land (Deut.30:15,19,20). Maar ging het haar eigen weg, dan moest Hij ook "in haar midden gerichten voltrekken voor de ogen van de volken" om hen te corrigeren en te onderrichten (Ez.5:8, Jes.26:9).

Trouwens, tegen alle volken van de aarde had God gerichten (bv.Jer.25:17-31). Ook die dienden een positief doel. God richt niet om te verdelgen, maar om te onderwijzen. Want goddelozen leren nu eenmaal geen gerechtigheid uit genade, want zij zijn blind (Jes.26:10). Pas in Zijn gerichten leren zij, inwoners van de wereld, gerechtigheid (Jes.26:9). Met welk doel? Opdat alle volken zullen opgaan naar het ware Jeruzalem om er genezen te worden (Op.21:3,22:2).

KOMENDE GERICHTEN

De bijbel is er duidelijk over: ook het huidige, grote geheimenis Babel staat in de beklaagdenbank en is schuldig bevonden (Jes.13-14, Jer.50-51, Op.17-19). Haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel en God heeft aan haar ongerechtigheid gedacht (Op.18:5).

Babel is voor ons geestelijk, wat het voor Israël destijds betekende op het natuurlijke vlak: gebondenheid in een vreemd land. Toen Israël ongehoorzaam was, verloor het alles, het land, Jeruzalem, de tempel. Ook het ongehoorzame volk van Christus verloor haar beloofde land (het koninkrijk der hemelen met het hemelse Jeruzalem en de ware tempel). Van haar verheven positie als heilige natie verviel zij tot een natie van zondeslaven en gewoontedieren. Het werd gevangen genomen door vrome machten en weggevoerd naar het land van háár ballingschap: naar het vlees en de wereld. God wordt er niet aanbeden in geest en waarheid, maar op het lage vlak van traditie, sleur en lege riten. Zijn volk leeft er niet vanuit de levendmakende Geest, maar met de letter die doodt. Het heeft geen zin om hier verder op in te gaan, want er is uitvoerig over geschreven in "Babylon een geheimenis" en "Gaat uit van haar, Mijn volk" elders op deze site. Toch willen we kort nog enkele aspecten noemen.

Allereerst dit: het geheimenis Babel beperkt zich niet tot één of enkele kerkelijke denominaties of sekten. Het omvat alles, wat op godsdienstig gebied op eigen initiatief en in menselijke kracht wordt verricht. "Laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot aan de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken" (Gen.11:4). Babel is werk zonder Gods Geest, los van Christus, het Hoofd. Laten wij! Dat is mensenwerk op menselijk initiatief.

Nu kun je die tendens ergens buiten jezelf herkennen, maar het geheimenis zit dieper: in het denken (op het voorhoofd, Op.17:5). Iedereen heeft wel iets van de denkwijze van Babel in zich. De geest van Babel heeft alle volken verleid (Op.18:23). Wij hebben allemaal correctie van God nodig. Als Zijn Geest in ons komt, zal Hij ons overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel (Joh.16:8). Dan wordt de grote berg (=macht) van Babel in ons een vlakte! (Zach.4:5-7).

Allen die de schifting in het denken gewillig ondergaan (=uitgaan), gaan in tot een ander volk (vgl. Ps.121:8). Dat volk is ingeschreven in de hemelen (Hebr.12:23b). Het is het volk, dat de Vader voor Zijn naam vergadert in geest en waarheid. Omdat zij het onreine niet vasthouden, neemt Hij hen aan tot zonen en dochters (2Cor.6:17-18). Dat volk is in de wereld én van boven. Het zijn mensen van vlees en bloed, die wandelen in de Geest als eerstgeborenen in het hemelse Jeruzalem , in de ware stad van de grote Koning, die geest is (Heb.12:22-23, Joh.4:24). In haar is alles geestelijk en waarachtig. Niets van het onwaarachtige en onreine van Babel zal je daarbinnen aantreffen, alleen gereinigde mensen, gereinigde volken (Op.21:3, 27).

Babel is dus de namaak van het ware. Over haar komt een vernietigend oordeel. Eens zal er een definitief einde gemaakt worden aan alle Babylonische godsdienstige structuren met haar vormelijke rituelen, lege tradities, gewoonten en ongeestelijke kennis. Het oordeel over haar is eigenlijk al gaande. De oecumenische beweging mag dan proberen het systeem te redden, maar het zal niet baten. Steeds helderder roept God de Zijnen op: "Ga uit van haar, Mijn volk, opdat je geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen" (Op.18:4). En waar moeten ze dan naartoe? Naar Hem natuurlijk! Hij roept hen op om tot Hem te komen.

Laten ook wij blij zijn met het oordeel over Babel. "Hemel, heilige apostelen en profeten, wees vrolijk over haar, want God heeft het vonnis tegen haar voltrokken. Citerspelers en zangers, fluitspelers of bazuinblazers zullen niet meer in haar gehoord worden. Lamplicht zal er meer schijnen, en de stem van bruidegom en bruid zal je er niet meer kunnen horen" (Op.18:20-23). Babel wordt omgekeerd, opdat allen, die er gevangen zaten (en zitten), zullen opgaan naar het hemelse Jeruzalem.

Petrus voorzag nóg een vernietigende oordeelsdag: de huidige hemel en aarde zullen zo worden gelouterd, dat er een nieuwe hemel komt en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont (2Pet.3:7-13). Hemel en aarde zullen dus niet vergaan. Ze worden vernieuwd. En dat is nu precies wat Johannes zag: "Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, neerdalende uit de hemel, van God. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en ze zullen Zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn. En Hij, die op de troon is, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig" (uit: Op.21:1-5).

OORDELEN OVER GELOVIGEN

Ook gelovigen krijgen te maken met oordelen. Er is een oordeel dat plaats vond in het verleden (over de zonde). Er is ook een oordeel over zonen (medeërfgenamen) en een oordeel over het werk dat als dienstknecht is gedaan.

Het oordeel over de zonde ligt voor elke gelovige voorgoed in het verleden. Het kwam op Jezus neer. Hij "heeft onze zonden in Zijn lichaam op het kruishout gebracht, opdat wij zouden leven" (1Pet.2:24). "Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (=tot zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (2Cor.5:21).Als wij dat offer persoonlijk hebben aanvaard, zijn wij Gods kind (Grieks: teknon), uit Hem geboren (Joh.1:12-13). Dat getuigt Zijn Geest met onze geest (Rom.8:16).

Maar God wil ons ook de status van zoon (Grieks: huios) geven door het geloof in Christus Jezus (Gal.3:26). Hij wil, dat wij van kind opgroeien tot volle kennis van de Zoon en tot mannelijke rijpheid komen (Ef.4:13). Daartoe leidt Hij door een diepgaand proces, waarin Hij al het zielse van het geestelijke schift en de overleggingen van het menselijke hart scheidt van wat Hij wil en welgevallig vindt (Heb.4:12, Rom.12:2). Zo worden kinderen Gods geoordeeld, gecorrigeerd en getuchtigd, opgetrokken tot zonen (1Cor.11:32, tuchtigen komt van het oud Nederlandse woord tijgen, dat optrekken betekent).

Om een ander beeld te gebruiken: Gods kinderen worden eerst geroepen uit "Egypte" (=de macht van het vlees, Hos.11:1) om door woestijnervaringen heen gerechtigheid te leren (=het onderscheid tussen heilig en niet-heilig, rein en onrein). Daarna verkrijgen ze hun "erfdeel" in "het beloofde land". Wat dat erfdeel is? Zoonschap! "Zijn wij kinderen (teknon), dan zijn wij ook erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus. Dan delen wij ook in Zijn verheerlijking als zonen (huios, Rom.8:17-19). Het erfdeel is geestelijke volwassenheid, zoonschap: in "het beloofde land" zijn, nu reeds het hemelse Jeruzalem ervaren, dat in ons neerdaalt van God, in dat nieuwe paradijs leven.

God wil Zijn kinderen geestelijk volwassen doen worden. Hij wil hen maken tot zonen (huios), koningen, priesters en richters in geest en waarheid, om ook anderen het verschil te leren tussen heilig en onheilig, rein en onrein (Lev.10:10, Ez.44:23). "Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?" (1Cor.6:2). Wie daar niet toe geroepen is, of dat niet wil, blijft een kind van God, teknon. Hij mist het zoonschap en zal later "met de wereld worden geoordeeld" (niet: veroordeeld, 1Cor.11:32).

Je kunt je erfdeel ook verliezen. Dan lijkt men op de verloren zoon, die "het erfdeel te gelde maakte en op reis ging naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad" (Luc.15:13). Dan geef je alles uit, ver van de Vader, in verre landen "Egypte" (=het vlees) of "Babel" (=religieuze kitsch). En dan moet er een verschrikkelijk oordeel komen, om te worden gecorrigeerd. Want wat gebeurde er met de verloren zoon? "Er kwam een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden" (Luc.15:13). Hij werd (ik hoop dat u de symboliek verstaat) zelfs "varkenshoeder" en begeerde zelfs met "varkensvoer" zijn buik te vullen, maar niemand gaf hem dat (Luc.15:15-16). Toen, in dat oordeel, kwam hij tot inkeer. Hij zei: "Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten" (Luc.15:18-19). De Vader nam hem met blijdschap weer op in zijn huis en zei: "Mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen feest te vieren" (Luc.15:24). Hij kreeg alles wat hij nodig had, maar dat veranderde niets aan het feit, dat hij zijn erfdeel had verkwanseld.

Gelovigen worden ook geoordeeld als dienstknecht. Het gaat dan niet om redding van zonden, ook niet om het erfdeelbeheer als zoon, maar om beloning voor gedane arbeid. "De Zoon des mensen zal komen in de luister van Zijn Vader en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden" (Mat.16:27). De tijd komt "om de doden te oordelen en om het loon te geven aan die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten" (Op.11:18).

Hoe ligt die verhouding eigenlijk tussen zoon en knecht? Jezus zegt, dat "de Zoon des mensen niet is gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen" (Mat.20:28). Jezus was Zoon van de Vader en dienaar voor de mensen. De Vader zei niet alleen: "Deze is Mijn Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb" (Mat.3:17). Maar ook "Zie, Mijn knecht, in wie Ik een welbehagen heb" (Jes.42:1, Mat.12:15-21). De Zoon was ook knecht, lijdende knecht van de Heer. Hij krijgt daarvoor dan ook Zijn loon (Jes.40:10, 62:11, Op.22:12).

Wat geldt voor de Zoon, geldt ook voor de zonen. Op Sion staan 144.000 zonen als onberispelijke eerstelingen voor God en voor het Lam (Op.14:1-5). Het zijn de 144.000 knechten van God, die eerder aan hun voorhoofd verzegeld waren (Op.7:3). Ook hun werk zal geoordeeld en beloond worden. Trouwens, ieder die voor God werkt, wordt geoordeeld. Bij alle werkers moet blijken, hoe zij hebben gebouwd op Christus, met goud, zilver en edelgesteente, of met hout, hooi en stro (1Cor.3:11). "Ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt. Hoe ieders werk is zal het vuur uitmaken. Als het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar als het verbrandt, zal hij schade lijden, maar hij zelf zal gered worden, als door vuur heen" (1Cor.3:12-15).

Sommigen werken dus met hout, hooi of stro op een fundament van kostbaar edelgesteente (Op.21:19-21). Het bouwwerk is dan heel anders van aard dan het fundament. Het is werk van het vlees en niet van de Geest. Waar duidt dat op, hout, hooi, en stro? Niet op zonden als bedriegen, stelen, overspel enzo. Het is het zogenaamde goede christelijke werk, dat in Gods naam wordt gedaan, maar dat met vleselijke middelen en met grote menselijke inspanning in stand moet worden gehouden. God werkt daar namelijk niet aan mee. En "als de Heer het huis niet bouwt, dan zwoegen de bouwlieden er tevergeefs aan" (Ps.127:1).

Je kunt ook bouwen met goud, zilver en kostbaar gesteente, symbolen van wat in geloof gedaan wordt in gemeenschap met Christus en overeenkomstig Zijn wil. Daarvoor ontvangen wij loon (1Cor.3:14). Zulk werk houdt in elk oordeel stand. Edelstenen zijn vuurbestendig. Goud en zilver dat door het vuur gaat, is zuiver goud, puur zilver. Zo wordt het werk van knechten geoordeeld. En weet u wat zo liefdevol is? "Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, maar hij zelf zal gered worden" (1Cor.3:15). Zelfs als iemand zijn leven lang verkeerd bezig is geweest en alles wat hij voor God heeft gedaan in rook moet opgaan, komt hijzelf er gelouterd doorheen. Hij wordt gered als door vuur heen. Die zuivering van alle vleselijke zielsheid is het doel van het oordeel over knechten: "Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat ze de Heer in gerechtigheid offer brengen" (Mal.3:3). Laat dat oordeel nu maar toe in uw leven!

DE AARD VAN GODS OORDELEN

De Heer oordeelt vanuit "de geest van wijsheid en inzicht, de geest van kracht en goed beleid, de geest van kennis en eerbied voor de Heer" (Jes.11:2). Zijn gericht stoelt niet op uiterlijke schijn of op geruchten. Hij zet recht in billijkheid, ook de zwakken en de armen. Maar Hij zal de aarde slaan met de gesel van Zijn mond (=de autoriteit van het Woord), opdat die vol zal worden van het kennen van de Heer (Jes.11:9).

Wat zou het heerlijk zijn, als wij nou eens zagen, hoe positief Gods oordelen zijn bedoeld. Let eens op wat Jesaja zegt: "Ook in de weg van Uw gerichten hebben wij U verwacht, o Heer. Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners van de wereld gerechtigheid" (Jes.26:8-9). De Heer verwachten om te oordelen? Naar Hem verlangen in donkere tijden om gerechtigheid te leren? Hem vragen: "Toets mij Heer, en beproef mij maar, keur mijn nieren en mijn hart" (Ps.26:2)? "Doorgrond mij en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie maar of er bij mij een heilloze weg is en leid mij op de eeuwige weg" (Ps.139:23-24)? Verlangen wij naar de krisis (=oordeel) over slechte gedachten en werken? Willen wij worden weggeleid van heilloze wegen en de smalle weg van "niet mijn wil, maar Uw wil geschiede" bewandelen? Willen wij nu al gerechtigheid leren?

Als het antwoord ja is, kunnen wij intens blij zijn met Gods oordeel. Dan zeggen wij: "Heer, kom in mijn hart. Overtuig mij van zonde en gerechtigheid. Oordeel mij". "Laat men zeggen onder de volken: De Heer is Koning. Laat het veld en alles wat daarop is, zich verblijden en laten de bomen van het woud jubelen voor de Heer, want Hij komt om de aarde te richten" (=recht te zetten, Ps.96:10-13, 1Kron.16:31-34). Wij mogen ons verblijden, als de Heer tot ons komt om ons recht te zetten. Het is een blijk van Zijn goedheid en goedertierenheid. Gods oordelen brengen een keerpunt ten goede tot stand, van dood tot leven, van zonde tot gerechtigheid, van oud naar nieuw.

"Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd: Hij zal de volken het recht (Hebr. oordeel) openbaren. Hij zal niet schreeuwen en ook Zijn stem niet op straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven. Maar naar waarheid zal Hij het recht openbaren (Hebreeuws: oordelen). Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde brengen" (vgl. Jes.42:1-4). Hij maakt alles wat krom is recht. Hij maakt alle dingen nieuw. Daar kun je toch alleen maar dankbaar en blij om zijn!

GOD EN DE VOLKEN

God heeft niet alleen liefdevolle bedoelingen met Zijn eigen volk, maar met alle volken. Al aan Abram deed Hij de belofte, dat met zijn zaad alle volken van de aarde gezegend zouden worden (Gen.22:18).

We lezen ook, dat Hij "het hele menselijke geslacht heeft gemaakt om op de aarde te wonen en dat Hij de hun toegemeten tijden en grenzen van hun woonplaatsen heeft bepaald, opdat zij Hem zouden zoeken" (Hand.17:26-27). Eens zullen alle volken met Abrahams zaad gezegend worden. Eens zullen zij alle de Heer zoeken. Niet één volk, Israël. Ook niet één geestelijk volk, de gemeente. Alle volken!

David zong daar al van: "God zij ons genadig en zegene ons. Hij doe Zijn aanschijn bij ons lichten, opdat men op aarde Uw weg kenne, onder alle volken Uw heil. Dat de volken U loven, o God. Dat de natiën jubelen, omdat U de volken in rechtmatigheid richt en de natiën op de aarde leidt" (Ps.67:1-4). "Mogen alle koningen zich voor hem neerbuigen, alle volkeren hem dienen" (Ps.72:11).

Het is duidelijk, dat alle groten der aarde zich nog niet voor Hem buigen. Lang niet alle volken dienen de Heer. Maar die dag zal zeker komen. "Alle volken, die U gemaakt hebt, zullen komen en zich voor U neerbuigen en Uw naam eren, want U bent groot en doet wonderen, U alleen" (Ps.86:9-10). "Alle einden van de aarde zullen zich tot de Heer bekeren; alle geslachten van de volken zullen zich neerbuigen voor Uw aangezicht. Want het koningschap is van de Heer, Hij is heerser over de volken" (Ps.22:27-28). "Voor de Heer zal alle knie zich buigen en alle tong God loven" (Rom.14:11). Dat heeft Hij bij Zich Zelf gezworen en dat zal nooit worden herroepen (Jes.45:23).

In deze context zien wij pas goed, hoe groots Jezus' opdracht was. Hij kwam niet om enkelen te redden. De Vader zond Hem als Heiland van de wereld, opdat "Gods heerlijkheid de hele aarde zou vervullen" (1Joh.4:14, Ps.72:17-19). Dat is de heerlijkheid die maar enkelen zagen, toen Hij als Jezus van Nazareth onder de mensen kwam (Joh.1:14). Maar als Hij met de Zijnen zal verschijnen, zal Hij aan alle mensen Zijn heerlijkheid openbaren (Col.3:4). Dan doen de Zoon en de zonen "vele volken opspringen, want wat hun niet verteld was, zullen zij zien en wat zij niet gehoord hadden, zullen zij vernemen" (Jes.52:15). "Jubel en verheug u, dochter van Sion! Want Ik kom in uw midden wonen en vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de Heer en ze zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal in uw midden wonen" (Zach.2:10-11, vgl. Op.21:3).

Waar dat zal zijn, lezen we aan het eind van de bijbel: in het hemelse Jeruzalem. Het is de stad van de grote Koning (Ps.48:2, Mat.5:35). Zij is een door God gemaakt geestelijk bouwwerk van levende stenen, gegrond op Christus de Rots. God woont in die "stad", of anders gezegd, in dit "lichaam" (van Christus) of in dit "volk". Vanuit haar wordt geregeerd in gerechtigheid en waar zij neerdaalt wordt de nieuwe aarde merkbaar waarop gerechtigheid woont. Zij is het middel, waardoor Hij Zijn luister zal laten zien aan alle volken. Want er staat, dat het nieuwe Jeruzalem wordt verlicht door de heerlijkheid van God. Bij dat licht zullen de volken wandelen. Niets vervloekts zal er meer zijn (Op.21:23-27, 22:3). En de bladeren van het geboomte des levens (=de zonen Gods) zullen zijn tot genezing van iedereen (Op.22:2).

Wat een dag staat ons te wachten! Wat een heil en bevrijding! Als de Zoon en de zonen Gods verschijnen, zullen zij "de hele schepping brengen tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen" (Rom.8:19-21)."Te dien tijde zal men Jeruzalem de troon van de Heer noemen. En alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam van de Heer te Jeruzalem. Ze zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart (Jer.3:17).

GODS EERSTELINGEN

God kiest in elke tijd eerstelingen uit. Hij koos Abraham om een zegen te zijn voor alle volken (Gen.22:18). Hij heiligde Israël als eersteling (Jer.2:3) en stelde het "tot een licht voor de volken, opdat Zijn heil zou reiken tot het einde van de aarde" (Jes.41:8, 49:6).

Het volk Israël was dus uitverkoren om een licht te zijn, om Gods waarheid te laten schijnen. Het zou zich er altijd op beroemen een uitverkoren volk te zijn, maar helaas vergat het steeds, waartoe het was uitverkoren. Vaak verliet het zelfs de Heer om overspelig andere goden achterna te lopen (zie o.a. Ez.16:1-47, Hos.9:1).

Sinds de uitstorting van Gods Geest vormt God Zich opnieuw een uitverkoren groep, het Lichaam van Christus. Het is de ware ekklesia (=uitgeroepenen) uit Israëlieten en niet-Israëlieten. Zij zullen deze blijde boodschap van genade brengen: er is redding, verlossing, gerechtigheid, wijsheid, leven en overvloed in Christus (Joh.10:10, 1Cor.1:30). Maar hoe komt dat tot stand voor de gehele schepping (Rom.8:19-21)?

Op een vergadering in Jeruzalem maakte Jacobus dat duidelijk. Eerst zei hij, dat God in deze "eeuw" der genade Zich een volk voor Zijn naam zal vergaderen. Toen legde hij uit, wat daarna zou geschieden, in de "eeuw" van het koninkrijk: het overige deel de mensheid zal dan de Heer zoeken (Hand.15:14-18).

Nu koopt Jezus met Zijn bloed voor God uit elke stam en taal en natie een koninklijk, priesterlijk volk voor Zijn naam (Op.5:9-10). Het gaat Hem nog niet om de volken, maar om één overwinnaarsvolk. Eerst moet de Gemeente dat mannelijke volk baren (Op.12:4), Dat is een eerstelingenvolk, dat deel krijgt aan de goddelijke natuur en dat is volgroeid tot de mannelijke rijpheid (2Pet.1:4, Rom.8:19). Als dat "mannelijk wezen" openbaar wordt, zal het de heidenen (Grieks: volken, natiën) hoeden met een ijzeren staf (=met grote autoriteit, Op.12:5).

"Daarna (=na het voltooien van het uitroepen van het volk voor Zijn naam) zal Ik weerkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, opdat het overige deel van de mensen én alle heidenen (Grieks: volken) de Heer zal zoeken" (Hand.15:14-18).

Alle anderen, die Hij niet als eersteling voor Zijn naam riep, zullen dus de Here zoeken en opgaan naar Jeruzalem (Jes.60:3, Micha 4:2, Dan.2:44, 21:26). En daar worden alle volken gegeven aan "koningen", die hen zullen hoeden met een ijzeren staf (Op.2:26-27). Waar we ons dat moeten voorstellen? In het eeuwige Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel van God (Op.21:2). Dat is in het koninkrijk Gods op aarde. Of anders gezegd: in het nieuwe paradijs , dat van God is gekome op een nieuwe aarde (Op.2:7).

OORDEEL EN GENADE

Dus God vormt Zich sinds bijna 2000 jaar een "zoon, een mannelijk wezen". Dat zijn de overwinnaars voor Zijn naam. Zij blijken in alles trouw, ook in het oordeelsvuur van de beproeving (vgl.Mal.3:3, 1Pet.4:12). Zij zullen met Christus als koningen heersen vanuit een "stad", die God dan zal stellen tot een licht voor de volken, om Zijn heil overal te laten schijnen (Jes.42:6, 49:6, Hand.13:47).

De taak van die zonen Gods is tweeledig: verlossing brengen (Rom.8:19-21). En ten tweede alles richten, alles recht maken wat krom is (Mat.19:28). "Verlossers zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Esau (=de macht van al het vleselijke) gericht te oefenen" (Ob.1:21).

Wij hebben altijd gedacht, dat Gods oordelen straf en verdoemenis inhielden. Maar door de Geest der waarheid zijn we gaan zien, dat ze corrigerend zijn en gerechtigheid op aarde brengen. Hij brengt "goedertierenheid, recht (Hebr. oordeel) en gerechtigheid op aarde" (Jer.9:24). "Hij heeft gerechtigheid en recht (oordeel) lief, opdat de aarde vol zij van de goedertierenheid van de Heer" (Ps.33:5, zie ook Ps.89:14). Daarom "zingt David van goedertierenheid en recht" (oordeel, Ps.101:1). Oordeel en genade gaan dus samen. Gods oordeel "slecht elke berg en heuvel", Gods genade "verhoogt elk dal". We zullen daarvan enkele markante voorbeelden geven.

Eerst Gods oordeel over Sodom en Gomorra: weggevaagd, vanwege haar "trots, overdaad, zorgeloze rust, verwatenheid en het bedrijven van gruwelen voor het aangezicht van de Heer" (Ez.16:49-50). Maar nu Gods genade. "Ik zal een keer brengen in het lot van Sodom" (Ez.16:53). "Zij en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat" (Ez.16:55).

Schrik nu niet! Nóg erger dan Sodom was Jeruzalem in de tijd van de grote profeten (Ez.16:46-48). Nóg trotser, nóg gemakzuchtiger en egocentrischer, meer gruwelen bedrijvend (Ez.16:51). En ook over haar bracht God oordeel, zeventig jaar lang, in Babel. En ook háár beloofde Hij genade: "Ik zal Mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken en een eeuwig verbond met u oprichten. Dan zult u terugdenken aan uw gedrag en u schamen, wanneer u zowel uw grote zus (=Samaria) als uw kleine zusters (=Sodom en Gomorra) zult ontvangen, die Ik u tot dochters geven zal. Ik zal Mijn verbond met u oprichten; en u zult weten, dat Ik de Heer ben" (Ez.16:60-62).

Wat een genadige God! De stad van de grote Koning zal Samaria, Sodom, Gomorra, enz. enz. ontvangen, als ze Hem zoeken en opgaan naar het nieuwe Jeruzalem (Jes.60:3, Micha 4:2. Op.2:7, Dan.2:44, 21:26). In haar zullen ook zij genezen worden (Op.22:2).

Ook in Jezus' dagen waren Jeruzalems trotse zonden groter dan die van Sodom: "Wij hebben Abraham tot vader" (Mat.3:9). "Wij weten de weg, want wij kennen de wet" (Mat.23:15-24). "Wij zijn rein" (Mat.23:27-28). "Wij hebben de profeten" (Mat.23:29-33). Johannes de Doper? "Die heeft een boze geest" (Mat.11:18). Jezus van Nazareth? "Een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars" (Mat.11:19). Daarom zei Hij van "de grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, waar de Heer gekruisigd werd" (Op.11:8): "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en je hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten" (Mat.23:37-38). "Er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken" (Mat.24:2). Maar ook hier zou oordeel samengaan met genade. "Ik zeg u ook, dat u Mij van nu aan niet meer zien, totdat je zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam van de Heer!" (Mat.23:37-39).

Ook zei Jezus van steden als Kapérnaüm (=dorp van de Trooster), Chórazin en Bethsáïda: "Als in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden. Zij zouden zich in zak en as bekeerd hebben. Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u" (Mat.11:21-24). Waarom? Natuurlijk waren de inwoners van Sodom zondaren, net als ieder ander (Rom.3:10). Maar Jeruzalem, Kapérnaüm, Chórazin en Bethsáïda waren erger (Mat.10:14-15). Zij zondigden tegen het Licht! Zij verwierpen Jezus en met Hem ook de Vader die Hem gezonden had (Luc.10:16). Hun oordeel zou dan ook veel pijnlijker zijn.

Er zijn nog veel meer voorbeelden te noemen, waarbij oordeel en genade samengaan, tenminste, als het gaat om mensen, volken. Want over traditionele denkpatronen, vleselijke godsdienstige systemen en structuren is Gods oordeel genadeloos. Het gaat Hem om de mensen. Let maar op het gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden zij en hen: "Zo zal de Heer Egypte geducht slaan en genezen en zij zullen zich tot de Heer bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden en hen genezen" (Jes.19:22).

"Hij zal Assur te gronde richten en Ninevé (de hoofdstad ervan) tot een wildernis maken, dor als een woestijn" (Zef.2:13-15), maar "te dien dage zal Assur (de mensen) de Heer dienen" (Jes.19:23).

Het daarop volgende gedeelte is nauwelijks te geloven: "Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden van de aarde, omdat de Heer het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij Mijn volk Egypte en het werk van Mijn handen Assur, en Mijn erfdeel Israël" (Jes.19:24-25).

"Moab zal aan Sodom gelijk worden en de Ammonieten aan Gomorra" (Zef.2:9). Maar toch "zal Ik in het lot van Moab en Ammon een keer brengen in het laatst der dagen, luidt het woord van de Heer" (Jer.48:47, 49:6). Want wat gaat God doen? "Hij zal op deze berg (=in het koninkrijk Gods) de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert (=de geestelijke blindheid). Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen en de tranen van alle gezichten afwissen. En men zal te dien dage zeggen: Hij is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen. Hij is de Heer op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft" (Jes.25:7-9).

DE OORDEELSDAG

De Atheners hadden gehoord, dat Paulus "vreemde dingen ten gehore bracht" en daar wilden zij meer over weten (Hand.17:20-21). Paulus zei toen, dat God een dag heeft bepaald, waarop de aarde rechtvaardig geoordeeld zal worden door een man, die Hij aangewezen heeft, omdat alle mensen overal tot bekering moeten komen (Hand.17:30-31).

Begrijpen wij die woorden wel? Er blijkt uit, dat de dag geen altoosdurende verdoemenis brengt, maar licht. Het is een "dag" waarop ieder mens zich zal bekeren door het rechtvaardige oordeel van Christus.

Een dag is hier natuurlijk veel ruimer bedoeld dan een etmaal van 24 uur. Er is de dag van de verzoeking in de woestijn (=40 jaar, Hebr.3:8-9). Er staat, dat het "nu de dag van het heil is" (=al 2000 jaar, 2Cor.6:2). Zo is er ook "de dag van Christus", "Zijn dag" (Fil.1:6,10, 2:16, Luc.17:24). Er is ook een "dag van het oordeel" (Mat.10:15, 1Joh.4:17). Daarop verschijnt Christus als Koning der koningen en Heer der Heren, om de levenden en de doden te "oordelen" (1Tim.6:15, 2Tim.4:1).

We weten, dat de "man", die God heeft aangewezen om de aarde te richten, opdat alle mensen tot bekering komen, de Christus is. Die "man" is Christus het Hoofd en Zijn lichaam. "Ik zag tronen en zij zetten zich daarop en het oordeel werd hun gegeven; zij waren onthoofd om het getuigenis van Jezus en om het woord van God. Zij hadden noch het beest noch zijn beeld aangebeden. Zij werden weer levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaar lang" (Op.20:4). Zij zullen oordelen in gerechtigheid, recht spreken, alles rechtzetten op een dag als van duizend jaar (vgl. 2Pet.3:8).

Vlak daarvoor lezen wij, dat satan wordt gebonden voor duizend jaar, "opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden" (Op.20:3). In de bijbel volgt er na "zes" millennia van zonde, verdriet, ellende, pijn, oorlog, onderdrukking en dood, een "zevende" dag van herstel en bevrijding voor iedereen. Zes is het getal van de mens, zeven van volheid Gods. Eeuwen lang zijn de volken geregeerd door zondige, onrechtvaardige heersers die van God niets wisten of begrepen (Ps.82:2,5). Op de "zevende dag" gaat Christus regeren.

Op die "dag" wordt er door Hem en de Zijnen gericht met hemelse wijsheid, goddelijke kracht en gezag. Eens had Jezus al tegen een handje vol discipelen gezegd: "Jullie zijn steeds bij Mij gebleven in Mijn verzoekingen. Ik beschik jullie het Koninkrijk, zoals Mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat jullie aan Mijn tafel mee eten en drinken in Mijn Koninkrijk. Jullie zullen zitten op tronen om de twaalf stammen Israëls te richten" (Luc.22:28-30). Zij werden als eersten aangesteld om te oordelen met koninklijk gezag.

Daniël had er echter meer gezien: de Vader "verschafte recht" (Aramees: gaf het oordeel) aan de heiligen en zij ontvingen het koningschap (Dan.7:21-22). Het koninklijk oordelen wordt aan de heiligen gegeven (1Cor.6:2-3), aan de "144.000" losgekochten van de aarde, die met het Lam staan op Sion (Op.14:1-7). Kunt u zich voorstellen, wat er op die "dag" gaat gebeuren, als de volken gericht en geregeerd gaan worden door Jezus Christus en de Zijnen? Zullen zij het verschil tussen arm en rijk nóg groter maken en nóg veiligere verdedigingssystemen, betere raketten en effectievere bommen uitvinden?

Welnee. De zonen Gods zijn het lichaam van Christus (=de gezalfde). God heeft hen met Geest en kracht gezalfd, om goed te doen en allen te genezen, die door de duivel overweldigd zijn, want God is met hen (vgl.Hand.10:38). Zij zullen niemand uitsluiten of afschrijven. Alles zal zijn gericht op het welzijn van allen. Zij zullen "richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en ze zullen de oorlog niet meer leren" (Micha 4:3).

Alle volken worden genezen (Op.22:2). Maar alle wereldse en godsdienstige systemen en structuren (stocheia, NBG: elementen) zullen wegsmelten (2Petr.3:10). Op de dag van de Heer zullen de elementen door vuur weggaan, en de aarde en alle werken daarop zullen worden "gevonden" (=ontdekt, ontmaskerd, 2Pet.3:10). Prijst Zijn naam!

OORDELEN OM TE BEVRIJDEN

Oordelen is meer dan alleen maar recht spreken. In het boek Richteren zien we duidelijk, dat richters ook bevrijders zijn. We zullen een greep doen uit de vele voorbeelden uit dat boek. "Toen (in de narigheid) riepen de Israëlieten tot de Heer en Hij verwekte hun een verlosser om hen te bevrijden" (Richt.3:9-11). "Telkens wanneer de Heer hun een richter verwekte, was Hij met de richter en verloste hen uit de macht van hun vijanden, zolang die richter leefde" (Richt.2:16, 18).

Destijds wekte God richters op om Israël te verlossen. Nu wekt God richters op om de wereld te richten in gerechtigheid en de volken in rechtmatigheid" (Ps.98:9). De hele kosmos zal worden verlost!(Rom.8:19).

De richters van nu zijn zij die overwinnen. Zij zitten met Jezus op Zijn troon" (Op.3:21). Het vermogen om te oordelen en recht te zetten wordt hun van God gegeven (Op.20:4). Ze krijgen macht over de natiën en gaan die leiden (Op.2:26-27). Ze gaan hen hoeden als met een ijzeren staf, met de roede (=gezag) van Zijn mond (=Woord) en met de adem (=Geest) van Zijn lippen. Dan kunnen wolf en schaap, zuigeling en adder weer samen zijn zonder dat er kwaad geschiedt. Zo zal de hele aarde vol worden van het kennen van de Heer (Jes.11:2-9). Wat een verlossing en bevrijding komt er tot stand als zij in de naam van God alles en iedereen gaan "oordelen"!

Nu nog even een vraag. Wat voor verlossing verwachten wij als Hij komt? Zijn onze verwachtingen wel overeenkomstig het levende Woord? Zijn de ogen van ons hart door Gods Geest verlicht, zodat we weten, welke hoop zijn roeping wekt? (Ef.1:18). Laten we eens kijken naar Israël in de dagen van Jezus. Men zag hoopvol uit naar de komst van de Messias, die zou verlossen uit de hand der vijanden (Luc.1:74-75). Maar toen Hij kwam, verstond hun onbesneden hart en hun verduisterd verstand niet, dat Hij was gezonden als Lam Gods, om te verlossen van zonden (Joh.1:29). Men vond, dat Israël moest verlost worden van Rome, van haar legioenen en belastinginners. Maar een enkeling herkende het waarom van Zijn komst, zoals Simeon, die zei: "Laat nu, Heer, Uw dienstknecht maar gaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw heil gezien, dat U bereid hebt voor alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen (Grieks: volkeren, dus ook voor de Romeinen) en heerlijkheid voor Uw volk Israël" (Luc.2:29-32).

Eigenlijk was het net als in de tijd van de richteren. Israël was opnieuw overheerst, door Rome. Het schreeuwde om verlossing van de bezetter, zoals men dat eertijds deed om verlossing van de Moabieten, Ammonieten, Midianieten of Filistijnen. Maar wat het meest nodig was, was de verlossing van zichzelf. Nooit heeft Israël als één man tot God geroepen, om verlost te worden van hun hopeloos weerbarstige, zondige en weerspannige ik (Jer.5:23, Mat.15:19). Nooit.

Zo zit de oude mens nu eenmaal in elkaar. Er komen nu eenmaal moeilijkheden als iedereen doet, "wat goed is in zijn ogen" (Richt.17:6), . En dan is God altijd goed genoeg om de problemen op te lossen en opnieuw te zegenen. De oude mens, hoe religieus die ook is, doet altijd wat hij zelf wil, komt vervolgens in de problemen en dan mag de Heer hem helpen. Dat is nou de innerlijke verdeeldheid, waar de bijbel over spreekt (Jac.4:8).

De nieuwe mens doet de wil van de Vader. Hij zoekt zichzelf niet. Hij jaagt ernaar "de Heer te kennen en de kracht van Zijn opstanding. Hij krijgt gemeenschap aan Zijn lijden, om, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, te komen tot de opstanding vanuit de doden" (Fil.3:10-11). Zijn oude ik gaat aan het kruis (Gal.2:20, 5:24). Dan kan in die mens het licht doorbreken (Hos.6:5b).

Het ik wil dus altijd van iets natuurlijks worden verlost, van vijandige mensen, moeilijkheden, ongemakken, problemen. Maar God wil een innerlijke, blijvende verlossing "van de macht van de duisternis" (Col.1:13). Dat is de verlossing, die de Heer geeft. Die moeten wij verwachten. "Laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft (Jes.25:9).

Wij weten, dat de Heer Jezus de erfgenaam van God is en dat zonen medeërfgenamen zijn (Rom.8:17). Evenzo is Jezus de Verlosser, zonen Gods zijn medeverlossers. Die "verlossers zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Esau (de macht van het ik) gericht te oefenen" (Ob.21). Het Lam staat op Sion, de 144.000 eerstelingen staan bij Hem op Sion (Op.14:1). "En het zal geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Here zal roepen" (Joël 2:32).

Door de verlossers op Sion komen alle volken en stammen en natiën en talen in het hemelse Jeruzalem. Zij zijn als het ware de poorten van die "stad" (Op.21:12-14). Als "de Geest en de bruid zeggen: Kom!", gaan alle geesten van mensen, die zo lang gewacht hebben in door de "twaalf" poorten, die nooit gesloten zullen worden (Op.21:25-26, 22:17). "Wie zou, Heer, Uw naam niet verheerlijken? Want alle volken zullen komen en voor U neervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden" (Op.15:4).

Hoe ongelooflijk het ook klinkt: Gods doel reikt nóg verder. "De hele schepping (kosmos) wacht op het openbaar worden van de zonen Gods" (Rom. 8:19). Die wordt ook "bevrijd tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods" (Rom.8:21). Als dat gebeurd is, is het einde gekomen. Dan is alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond. Dan zijn alle dingen nieuw gemaakt en draagt Christus het koningschap over aan de Vader (1Cor.15:23-25).

Dat is niet het einde in de zin van: nu houdt alles op! Paulus gebruikt het Griekse woord telos (=resultaat, doel; van het werkwoord tello=toewerken naar een doel). En dat eindresultaat is: God alles in allen (1Cor.15:28).

Alles in allen! Vervuld is dan: "Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet meer gedacht worden" (Jes.65:17). Dan leven er alleen maar nieuwe mensen. En deze "nieuwe hemel en nieuwe aarde, die Ik maken zal, zullen voor Mijn aangezicht blijven bestaan, luidt het woord van de Heer" (Jes.66:22). Dan zijn "uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen" (Rom.11:33-36).

Om zo ver te komen, moet ieder mens geoordeeld worden, nu of later. Laten wij nu met een blij gemoed Zijn oordeel in ons leven toelaten. Laat Hem nu alles in ons rechtzetten. Dan zullen we "jubelen voor de Heer als Hij komt om ook de aarde te richten. Looft Hem, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid" (Ps.96:10-13, 1Kron.16:31-34).