Gedenk de sabbatdag

Overgenomen van: Verborgen Manna

123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890

"Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt;
zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen;
maar de zevende dag is de sabbat van de Heer, uw God".

"Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt,
de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag"
(Ex. 20:8-11)

INLEIDING

Er zijn veel gelovigen, die niet weten, wat ze aan moeten met het gebod om de sabbat te gedenken en te heiligen. Hoe doen we dat? Wat houdt het vierde gebod voor ons in?

In Israël nemen orthodoxe Joden het gebod net zo letterlijk als de schriftgeleerden in Jezus' dagen. Ze laten bijvoorbeeld in gebouwen de lift automatisch op elke etage stoppen, als op vrijdagavond de sabbat (=de zaterdag) begint. Niemand hoeft dan op de sabbat op een knop te drukken.

Ik ben opgevoed in een christelijk gezin dat dit gebod ook letterlijk nam. Op die dag (nu dus de zondag) tuinierden we niet en reisden we niet met het openbaar vervoer. Mijn vader liet zijn kinderen beslist niet op zondag buiten fietsen of voetballen.

De meesten van ons gaan niet meer zo ver. Maar toch heeft menigeen wel eens een vaag gevoel van onbehagen gehad, als er van een zondag een gezellige uitgaansdag werd gemaakt. Mag dat wel? Mag je op zondag een klusje doen? Of boodschappen halen?

Onder de wet van Mozes kon dat inderdaad niet. "Ieder zal Mijn sabbatten houden: Ik ben de Heer, uw God" (Lev. 19:3). "Zes dagen mag men werken, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn. Wie op die dag werk verricht, moet ter dood gebracht worden" (Ex. 31:15). Daarom werd er eens een man gestenigd, omdat hij op sabbat hout gesprokkeld had (Num. 15:32-36). En later waarschuwde Jeremia: "Hoed u ervoor, om uws levens wil, dat u op de sabbat geen last draagt" (Jer. 17:21).

De profeten wezen ook op de zegeningen, die het houden van de sabbat met zich meebrengt: "U zult u dan verlustigen in de Heer en Ik zal u doen rijden over hoogten en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob" (Jes. 58:13-14). En: "Dan zullen door de poorten van Jeruzalem koningen die op de troon van David zitten, binnen komen rijden op wagens en op paarden" en ze zullen "brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer, wierook, en ook lofoffer in het huis van de Heer" (Jer. 17:24-26).

Nu komen we dus tot de volgende vragen: Wat is de sabbat eigenlijk? Hoe geldt het gebod "Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt" voor óns? Wat bedoelt de bijbel met: "Er blijft een sabbatsrust voor het volk van God" (Heb. 4:9)? Gáát het eigenlijk wel om een bepaalde dag van de week, om een vrijdag, zaterdag of zondag?

DE ZONDAG

In het oude testament was de sabbat de zevende dag van de week, de zaterdag. Maar al vroeg in de kerkgeschiedenis werd de zondag aangewezen als rustdag. Jezus werd immers op de eerste dag van de week opgewekt (Mat. 28:1, Marc. 16:9, Luc. 24:1, Joh. 20:1). En daarom zouden de eerste gemeenten op de eerste dag van de week hun samenkomsten hebben gehad. Maar is dat zo?

Er wordt namelijk nergens in het Griekse nieuwe testament gesproken over een samenkomst op de eerste dag van de week. Wel in de Nederlandse vertaling: "Toen we op de eerste dag van de week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak" (Hand. 20:7). Maar dat staat er niet in het Grieks. Daar staat: "Toen we "op de eerste van de sabbatten samengekomen waren....".

Waar heeft dat betrekking op? Op het komende Joodse pinksterfeest, het "feest der weken". Vanaf het pascha telde men zeven sabbatten af tot het pinksterfeest: "U zult tellen zeven volle weken; tot de dag na de zevende sabbat" (Lev. 23:15-16). Er staat in Handelingen 20 vers 7 dus niet: "op de eerste dag van de week ......". Maar: "op de eerste van de (zeven) sabbatten.....". Het ging helemaal niet over een zondag.

Verder worden de woorden de eerste dag van de week alleen nog genoemd door Paulus in: "Elke eerste dag van de week moet ieder van u naar vermogen thuis iets wegleggen en dat opsparen, opdat er niet pas na mijn komst collectes moeten gehouden worden" (1Cor. 16:2). Ook deze tekst bevat geen aanwijzing, dat de kerkelijke zondag in de plaats zou zijn gekomen voor de Joodse sabbat. Het houden van de zondag als rustdag was van veel latere datum. Dat werd toen samen met andere heidense gebruiken overgenomen van andere religies.

DE DAG VAN DE HEER

"Maar de zondag is toch de dag des Heren!" zeggen sommigen meteen. Is dat zo? Want als er in de bijbel sprake is van de dag des Heren, gaat het niet over een dag van de week, maar over een "dag" (=periode) van komend oordeel en van verlossing. Voor Babel geldt op die ‘dag’: "Jammer, want de dag van de Heer is nabij en die komt voor u als een verwoesting" (Jes 13:6). En voor Gods kinderen geldt: "Nabij is de dag van de Heer. Hij heeft een offer bereid (=Jezus) en Zijn genodigden geheiligd" (Zef 1:7, Ope 19:7).

Ook Paulus schrijft over de dag van de Heer. Hij heeft het dan over Zijn komst (bv. in 1 Th 5:2). Als Hij in ons komt, wordt het "dag". Dan worden we "kinderen van het licht" (Efe 5:8). Ook in Openbaring komt de term een keer voor: "Ik kwam in vervoering des geestes op de dag van de Heer" (Ope 1:10). Wat gebeurde er met Johannes die dit schreef? Hij werd in de geest meegevoerd naar de "dag", die wordt genoemd "groot en zeer geducht" (Joe 2:11,31). Dat is geen dag van 24 uur, maar de komst van het heerlijke licht van God, dat ieder mens verlicht (Joh 1:9). Wat is dat een heerlijke "dag"!.

SCHADUW EN WERKELIJKHEID

Nu een vraag: waar dacht Paulus aan toen hij dit schreef: "Laat niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat. Dat zijn dingen, die slechts een schaduw zijn van wat nog komen moest" (Col 2:16,17). Zo iets lezen we ook in de Hebreeënbrief: "De wet heeft slechts een schaduw van de toekomstige goederen, niet de gestalte van die dingen zelf" (Heb 10:1).

Hieruit blijkt, dat (net als elk ander oudtestamentische begrip) de sabbat een afschaduwing is van een weidsere geestelijke realiteit. We moeten dus weten wat schaduw is en wat realiteit. Voor een natuurlijk mens geldt alles wat hij ziet als werkelijkheid. Geestelijke zaken zijn voor hem niet reëel. Maar voor geestelijke mensen is nu juist het geestelijke de realiteit.

Het zichtbare (=het vlees, het oude) is schaduw, het geestelijke (=de geest, het nieuwe) is realiteit. De wet is afschaduwing; het levende Woord van God is het ware. Het natuurlijke volk Israël is een schaduwbeeld van het uit Gods Geest geboren volk.

Het is duidelijk, dat een realiteit altijd meer is dan de schaduw ervan. Alle oude offers, rituelen en wetten zijn van voorbijgaande aard. Het nieuwe moet komen (Heb 8:13). Jezus maakt alles nieuw. (Ope 21:5). In Hem is de waarheid, de realiteit van de Geest. Het is net als met een fantastische foto. Maar wat is een foto vergeleken met de realiteit zelf? Je gaat toch niet uren lang naar een foto van je verloofde zitten kijken, als ze naast je op de bank zit. Zo ongeveer is de relatie tussen het oude en het nieuwe. "De wet (met prachtige "foto's") is door Mozes gegeven, de waarheid (Grieks: aletheia=realiteit) is door Jezus Christus gekomen" (Joh 1:17). Dat geldt natuurlijk ook voor de sabbat.

We komen nog even terug op Paulus. Wat raadde hij zijn volgelingen aan? Om zich uit te strekken naar de geestelijke betekenis van de sabbat. "Zoek de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn" (Col 3:1-2). "Dagen, maanden, vaste tijden en jaren nemen jullie waar. Ik vrees, dat ik mij tevergeefs voor jullie ingespannen heb" (Gal 4:10,11).

Natuurlijk is het goed om één dag in de week niet te werken. Gods wet is volmaakt. Zo'n dag zou voor iedere gelovige een verlustiging moeten zijn, een belangrijke dag (Jes 58:13). Maar het ging God helemaal niet om een bepaalde dag van de week. Het gebod "Gedenk de sabbatdag en heilig die" heeft een veel hogere bedoeling. De sabbat die Israël moest houden was "een verbond en een teken voor altijd" (Exo 31:16-17). Als Zijn volk Hem gehoorzamen zou (=het goede werken), zouden ook zij tot Zijn rust ingaan. Dat was het verbond dat Hij met Zijn volk sloot: het te brengen in het beloofde land. In het nieuwe verbond doet Jezus dat. Hij brengt ons nu in het land van rust. "Kom tot Mij en Ik zal je rust geven" (Mat 11:28).

God had dus Zijn werken en Zijn rust op het oog. Hij had Zelf "zes" dagen "gewerkt" en elke "dag" gezien dat het goed was geweest (Gen 1:4,10,12,18,21,25). Toen rustte Hij op de zevende dag (Exo 20:11). En nu vraagt Hij van ons, dat ook wij "zes" dagen "werken" en zien dat dat "goed" was, opdat ook wij tot Zijn rust kunnen ingaan. Verhelderend zijn de volgende teksten: "Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan (zij die het evangelie eerst ontvangen hebben, zijn niet ingegaan wegens hun ongehoorzaamheid), stelt Hij opnieuw een dag vast, heden. Hoort u Zijn stem? Verhard u dan niet!” (Heb 4:6-7).

GODS SCHEPPINGSWERK

We lezen, dat God zag dat alles wat Hij gedaan had goed was en kon rusten. Het is merkwaardig, dat God zou moeten rusten. Want Hij wordt nooit moe of mat (Jes.40:28). Het Hebreeuwse werkwoord, dat in Genesis gebruikt wordt (shabbath), betekent niet rusten omdat men moe is geworden. Het betekent zich onthouden van inspanning. God onderbrak Zijn werk. Na deze shabbath (onderbreking) zou Hij zeker verder werken. Jezus zegt: "Mijn Vader werkt tot op de dag van vandaag" (Joh.5:17). Ja, in wie Zijn stem hoort en zich niet verhardt. Heden!

Alles wat Hij destijds schiep, was bedoeld als afbeelding van iets hogers. Hij sprak: "Er zij licht". "En er was licht; en God noemde het licht dag" (Gen.1:3-4). De dag wás het licht niet. De dag was maar een beeld van Zijn hemels licht. Het ware Licht, dat ieder mens verlicht, zou later in de wereld komen: Zijn Zoon (Joh.1:9, 8:12). Een tweede voorbeeld: "God noemde het uitspansel hemel" (Gen.1:8). Het wás de hemel niet, maar het was een heenwijzing naar de hemel.

In het scheppingsverhaal zien we dus het begin van de genesis (=wording) van alle dingen. En wat een begin was het! Alles wat God gemaakt had kwam als beeld volmaakt overeen met het hemelse. Het klopte perfect. Hij zag dat het goed was, wat Hij tot stand had gebracht (Gen.2:3). Daarom hield Hij op de zevende dag met voldoening een shabbath (=een onderbreking).

We vinden in het oude testament verschillende heenwijzingen naar het feit, dat God Zijn scheppingswerk nog steeds voortzet. Bijvoorbeeld in het leven van Henoch (=ingewijde). Zes geslachten waren hem voorgegaan: hij was de zevende na de schepping. Hij wandelde met God, driehonderd jaar lang (300=algehele overwinning). En daarna "was hij niet meer, want God had hem opgenomen" (Gen.5:24). God had in Henoch Zijn scheppingswerk voltooid op een grootse, heerlijk reële wijze.

Ook in Noach (=rust) deed God iets heel bijzonders. Hij was zeshonderd, toen hij de ark in ging. Toen, op zijn "zevende dag" van 100 jaar, brak er voor hem en de zijnen een nieuwe periode aan. De lange tijd van werken aan de ark was voorbij. Hij mocht een heerlijke sabbatsrust ervaren na alle werken die God hem had opgedragen. Na de zondvloed plantte hij een nieuwe "wijngaard" (Gen.9:20). Daarna beleefde hij een nieuw tijdperk, driehonderdvijftig jaar lang (=7x50, 7=volheid, 50=met Gods Geest).

Ook Abraham werd uitgekozen, om véél betere dingen te zien dan aardse schaduwbeelden. God toonde hem hemelse realiteiten, een "stad met fundamenten, waarvan Hij de ontwerper en bouwmeester" was. Zelfs in het beloofde land voelde hij zich niet thuis. Hij was er als een vreemdeling. Hij bleef uitzien naar het hemelse Kanaän, dat zou stromen van melk en honing en bleef naar dát land zoeken (Hebr.11:9-10).

DE NIEUWE SCHEPPING

Het duidelijkst zien we de voortgang van Gods scheppingswerk in Jezus van Nazareth. Hij werd verwekt door de Geest van de Allerhoogste, werd geboren uit een maagd en was als kind onderdanig aan Jozef en Maria. Van jongs af aan was Hij bezig met de dingen van de Vader (Luc.2:49). Met Zijn hele wezen verlangde Hij ernaar, Gods wil te doen (Ps.40:9). De Vader wekte Hem elke morgen het oor. Wat was Hij een gewillige leerling (Jes.50:4)! Hij leerde in alle omstandigheden eerst naar Hem te luisteren. Hij had een open "oor". En nooit was Hij weerspannig. Hij deinsde nergens voor terug (Jes.50:5).

Zo "nam Hij toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen" (Luc.2:52). Hij groeide dertig jaar lang door (30=5x6, 5=genade, 6=als mens). "En zo leerde Hij, hoewel Hij de Zoon was, te gehoorzamen in alles wat Hij onderging" (Heb.5:8, letterlijk vertaald). Hij werd mens, en Zoon van God na een groei- en vormingsproces van 30 jaar. In die periode liet Hij de Vader tot Hem spreken, in Hem blijven en Zijn scheppingswerk doen (vgl.Joh.14:10). Hij deed nooit iets op eigen initiatief, maar alleen als Hij het de Vader eerst had zien doen (Joh.8:28). Toen brak er na die 30 jaar een jarenlange shabbath in Hem aan. Vandaar dat Hij kon zeggen: "Kom tot Mij en Ik zal u rust geven" (Mat.11:28). Tijdens Zijn bediening wandelde Hij als Zoon des mensen (=als wezen van vlees en bloed) volkomen in de rust van God. Hij was de rust van God ingegaan (vgl. Hebr.4:3-6). Hij kende de ware sabbatsrust.

Wel werd steeds geprobeerd die rust te verstoren. Dat kwam niet alleen van tegenstanders, maar ook van familie en vrienden. Zijn moeder vroeg Hem, het "wijn tekort" op de bruiloft te verhelpen, maar vóór Gods tijd (Joh.2:3-4). Zijn broers wilden, dat Hij naar het loofhuttenfeest in Jeruzalem ging, om Zich aan het volk bekend te maken (Joh.7:4). Petrus probeerde Hem van de weg van lijden en sterven af te houden (Mat.16:22). Maar altijd ging Hij rustig door met het doen van de wil van Zijn Vader. En toen Hij wist, "welke dood Hij sterven zou" (Joh.12:33), liet Hij die rust zelfs toen niet verstoren. Zelfs in Gethsemané bad Hij: "Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!" (Luc.22:42). In alle dingen zei Hij: "Ja, Vader, zo is het U welbehagelijk; Ik vind het goed, omdat U het goed vindt".

DE NIEUWE SCHEPPING IN CHRISTUS

Bij het gedenken van de sabbat moeten we niet alleen terugzien op wat God heeft gedaan. Niet alleen terugdenken, hoe Hij na zes dagen werken rustte op de zevende dag (Ex.20:8-11). Zelfs niet alleen bedenken, hoe dat bewaarheid werd in Jezus van Nazareth. We moeten vooral denken aan wat God nu doet en uitzien naar wat Hij gaat doen. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde met een shabbath die zijn weerga niet kent!

Gods nieuwe schepping werd dus eerst voltooid in Jezus van Nazareth. Hij ervoer de "zevende dag" als eerste. Hij was immers de eerstgeborene van de hele schepping (Col.1:15). Na Hem bereikt dat scheppingsproces zijn climax in de zonen (2Cor.5:17), dan in de bruid (Op.21:2), dan in de volkeren (Op.21:24-26), dan in de hele schepping (Rom.8:19). Want de Heer maakt alles nieuw (Op.21:5).

Nu de vraag: wat zijn dat, zonen? Het zijn mensen, die volgens Gods plan geroepen zijn tot zoonschap (Rom.8:28). Hij heeft hen tevoren gekend en tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan de Zoon. Ze laten zich ook volkomen leiden door de Geest (Rom.8:14). Jezus was de eerste, en zij maken deel uit van Zijn Lichaam. Alle leden van dat zonenlichaam "volgen het Lam, waar Hij ook heengaat" en worden "gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en voor het Lam" (Op.14:4). Ook zij laten de Vader "zes" dagen werken in hun leven om daarna tot Zijn rust in te gaan (Heb.4:6).

Met het Hoofd zijn zij de eerstelingen van de nieuwe schepping (vgl. 2 Cor.5:17). Ze staan (dat duidt op rust) samen bij het Lam op Sion, "met op hun voorhoofden Zijn naam en de naam van de Vader" (Op.14:1). Jezus had immers gezegd: Ik zal hun "geven met Mij te zitten (duidt ook op rust) op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en zit bij Mijn Vader op Zijn troon" (Op.3:21).

"De sabbat gedenken" is dus vooral de rust ingaan die God nu geeft, want Zijn "dag" is "heden" (Hebr.4:7-10). En uitzien naar wat Hij gaat doen op de grote "dag des Heren", de "rustdag" van "duizend" jaar (Op.20:1-6). Op die "dag" vindt op grote schaal een bevrijding plaats van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid. Dan wordt de hele kosmos bevrijd tot de vrijheid in God. Daarom wacht ze met smart op het openbaar worden van de zonen Gods (Rom.8:19). Door hun bediening zal die bevrijding openbaar worden (Rom.8:20). Overal zal dan opnieuw de paradijselijke rust en de "vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God" worden ervaren (Rom.8:21). Betwijfelt u dat? Gaat dit echt gebeuren? Het is inderdaad nog niet geopenbaard (Rom.8:18). Maar dat het zal gebeuren, staat duidelijk in de schrift.

Nu nóg een vraag: wanneer zal "de grote sabbat" aanbreken? In een verre toekomst? Of is "de grote dag des Heren" nabij? Zijn er aanwijzingen in de schrift, wanneer die dag komt? Nergens in de bijbel vinden we daar directe heenwijzingen naar. Het is trouwens niet onze zaak "de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft" (Hand.1:7). Maar toch heeft God wat dit betreft een toezegging gedaan aan Daniël. Deze had wonderlijke visioenen gezien en woorden gehoord. En daarna schreef hij: "Ik hoorde het wel, maar ik begreep het niet en zei: Heer, waar lopen deze dingen op uit? En Hij zei: Daniël, deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. Velen zullen zich laten reinigen en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos blijven handelen. Zij zullen het niet verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan" (Dan.12:8-10).

Welnu, de heilige Geest heeft de laatste tijd licht laten schijnen over de chronologie (=tijdsrekening) van de bijbel. Die registreert niet de geschiedenis, maar Gods reddingsplan. Het gaat daarbij niet om geschiedschrijving in jaren, maar om geestelijke heilsfeiten. Heel bijzondere dingen werden geopenbaard. Eerst "zes dagen" werk, dan een "zevende dag" rust. Net zoals de Heer "in zes dagen de hemel en de aarde heeft gemaakt en rustte op de zevende dag" (Ex.20:11), zo blijkt Gods heilsgeschiedenis te bestaan uit zes "dagen" van elk "duizend" jaar, gevolgd door een "sabbat" van "duizend" jaar: van Adam tot Abraham is exact "twee duizend" jaar, van Abraham tot Jezus is ook exact "twee duizend" jaar, en van Jezus tot heden is ongeveer "twee duizend" jaar. Petrus schrijft: "Dit mag u niet ontgaan, geliefden, dat "één dag" bij de Heer is als "duizend jaar" en "duizend jaar" als "één dag" (2Pet.3:8). Als de heilskalender aangeeft, dat er nu al "zes dagen" van "duizend jaar" zo goed als verstreken zijn, hoe nabij is dan "de grote sabbat van de Heer, uw God"! "De verstandigen zullen het verstaan!"

Het rijk van Salomo is een heenwijzing naar de "grote dag van de Heer", die gekarakteriseerd wordt door vrede, wijsheid, rust en voorspoed. Salomo zei zelf: "Nu heeft de Heer mij overal rust gegeven: er is geen tegenstander meer" (1 Kon.5:4). Voor er is geen tegenstander staat er in het Hebreeuws letterlijk er is geen satan. Dit komt opmerkelijk overeen met wat er gebeurt in het komende vrederijk: "Ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel, de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren" (Op.20:1-3). Er is geen satan meer op "de grote dag des Heren"!

De bijbel noemt dus "dagen" als van "duizend jaar", "eeuwen", "tijden". Daarin doet God Zijn werk met de schepping. Maar bij de Heer is een dag niet alleen als duizend jaar. Duizend jaar is ook als één dag (2 Pet.3:8). Met andere woorden: God doet Zijn werk niet alleen in zeven dagen van "duizend" jaar met Zijn schepping. Hij doet hetzelfde in individuen, in menselijke schepsels.

Hoe doet Hij dat in u en mij? Om dat te begrijpen is het belangrijk te weten, wat God bedoelt met een "dag". Want Hij kende al "dagen", vóórdat "er lichten aan het uitspansel waren om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, die dienden tot aanwijzing van vaste tijden als dagen en jaren" (Gen.1:5,8,13,14). Voor Hem is er een "dag", als "het avond is geweest en het morgen is geworden" (Gen.1:5,8,13, enz). Hij ziet "dagen", als wanorde door Zijn Woord orde wordt, als duisternis tot licht wordt, als dood tot leven wordt, enz. enz. Dat geldt voor de scheppingsdagen in Genesis, maar ook voor de "eeuwen" (aionen, bedelingen). En dat geldt ook voor ons persoonlijk. In alle facetten van ons mens zijn doet God Zijn scheppingswerk van "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot "dag", tot sabbat, enz. enz. enz., totdat "we Hem gelijk zullen zijn, want we zullen Hem zien (=kennen), gelijk Hij is" (1 Joh.3:2). Zo leidt Hij ons van "dag" tot "dag", van "week" tot "week", van "shabbath" tot "shabbath", van heerlijkheid tot heerlijkheid, door het hele "jaar van Zijn verlossing" heen (Jes.63:4).

Redding is een begin: "Er zij licht". Verlossing is het totale scheppingsproces. "Ook wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van de verlossing van ons lichaam", "dag", na "dag" (Rom.8:23). In dat proces horen "nachten" erbij. Dat zijn tijden van duisternis en moeilijkheden. Schuil dan bij de Schepper. "Wie in Zijn schuilplaats is, overnacht in de schaduw van de Almachtige" (Ps.91:1). "Onder Zijn vleugelen vindt u een toevlucht" (Ps.91:4). Daar hoeft niemand "te vrezen voor de verschrikking van de nacht" (Ps.91:5). Hij helpt ons overal goed doorheen. Elke "dag". Na elke "duisternis" komt "licht".

DE EERSTE EN DE LAATSTE

Velen van ons hebben geen notie van de grootsheid van Gods scheppingsplan. We hebben Hem altijd onderschat en niet begrepen, dat "er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid" (1 Cor.15:42). En ook niet, dat "er wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid" (1 Cor.15:43). We snappen het gewoon niet, dat wij allemaal zijn gezaaid "in Adam" en worden opgewekt "in Christus".

Wanneer heeft God het zaaiwerk gedaan? Dat was in Genesis. Hij schiep Adam, "zoon van God" (Luc.3:38). Hij is het "beeld van de komende" (Rom.5:14). Adam "liet zich niet verleiden" (1 Tim.2:14). Maar hij nam de zonde van "de vrouw" op zich (Gen.3:6b). Door dat te doen, ging hij mee in de val van Eva. Beiden werden "gezaaid" in vergankelijkheid en oneer, Eva onvrijwillig, Adam vrijwillig. Zonder overtreder te zijn werd Hij toen al "onder de overtreders geteld" (Jes.53:12). Adam gaf zich in de sfeer van de dood, als "de eerste, die dood geweest is" (Op.2:8). Die weg is Jezus van Nazareth gegaan. Hij was "in de gestalte Gods", "aan God gelijk", "heeft Zichzelf ontledigd", "nam de gestalte van een dienstknecht aan", "is aan de mensen gelijk geworden" en "is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis" (Fil.2:6-8). Velen van ons beseffen niet, wat Hij heeft moeten doorstaan. Hij heeft zoveel meegemaakt en is in zoveel dingen verzocht geweest, dat Hij in alle dingen met iedereen kan meevoelen (Heb.4:15).

Velen, die dit lezen, zullen nu het hoofd schudden en denken: "Ja, maar, het was toch allemaal het werk van die slimme slang. Die strooide toch roet in het eten!" Gelooft u dat echt? Is de waarheid niet, dat er bij "de Vader der lichten geen verandering is of zweem van ommekeer" (Jac.1:17)? Is Hij niet almachtig, alwijs en alomtegenwoordig? Weet Hij niet alles? Had Hij bij toeval het Lam apart gesteld, "dat geslacht was sedert de grondlegging (=terneerwerping) van de wereld"? (Op.13:8). Is satan niet een instrument in Zijn hand? Weet u, satan is geen partij voor de Almachtige. God had hem alleen nodig, omdat ook in Genesis geldt: "Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze op zichzelf; maar indien ze sterft, brengt ze veel vrucht voort" (Joh.12:24).

Alle middelen voor dat zaai- en groeiproces had God klaarliggen vóór de "val": satan (die de neerwerping zou veroorzaken, de grondlegging, de zaaiing), het Lam (het zaad), ook de zonen Gods, de eerstelingen van de oogst (Job 38:7, Rom.8:29a). Na het scheppingwerk door het Woord was inzaaien de volgende logische stap.

Wat stond Hem een machtig doel voor ogen: "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat ze heersen" over alle creatuur en over de hele aarde (Gen.1:26). Toen Hij dat zei, "juichten de morgensterren en alle zonen Gods" (Job 38:7). God had gezaaid in vergankelijkheid en in oneer, maar met een geweldig perspectief! Want de schepping werd wel "aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig dus, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope" (Rom.8:20). Wat een geweldige oogst zou er opkomen, wat een geweldige verrijzenis! "Want er wordt gezaaid in vergankelijkheid en dan opgewekt in onvergankelijkheid" (1 Cor.15:42). "Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die in Christus zijn. Daarna het einde (Grieks: telos=einddoel).

Zo is "door één mens de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood" (Rom.5:12). Maar met een doel!. "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Cor.15:22). Allen zijn gezaaid. Allen zullen verrijzen. Jezus "heeft Zich gegeven tot een losprijs voor allen" (1 Tim.2:6). En door die éne "daad van gerechtigheid komt het voor álle mensen tot rechtvaardiging ten leven" (Rom.5:18). Dat is in een notendop het volledige scheppingsplan van de Almachtige God.

Wat een telos! Wat een hoopvol plan! "In de naam van Jezus zal zich alle knie buigen van wie in de hemel en op de aarde en onder de aarde zijn. Alle tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader!" (Fil.2:10-11). "Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen" (Rom.11:36).

GODS WERKEN EN DODE WERKEN

Overal in de wereld doen religieuze mensen pogingen om God te behagen door dingen te doen. Orthodoxe Joden houden zich aan de wet die God op Sinaï gaf met uiterste plichtsbetrachting. En niet alleen dat. Ze hebben er talrijke wetjes aan toegevoegd. Op grond van bijvoorbeeld "U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder" (Ex.23:19) zullen ze nooit melk drinken tijdens een maaltijd met vlees. Ze doen wat de wet zegt.

Moslims vasten jaarlijks een maand lang tussen zonsopgang en zonsondergang. Ook hopen ze één keer in hun leven een pelgrimstocht naar Mekka te maken, die vroeger zonder modern vervoer maanden, soms jaren, kon duren. Door dat te doen hopen ze op de gunst van Allah.

Streng katholieke gelovigen leggen de nadruk op het doen van goede werken. Ze gaan trouw naar de kerk, laten ontelbare keren de kralen van de rozenkrans door hun vingers gaan en zeggen daarbij voortdurend gebeden op.

Al deze activiteiten zijn werken van de religieuze mens. Zijn dit nu wat de bijbel onder goede werken verstaat? (Mat.5:16, Ef.2:10). Of zijn dit ook dode werken? (Heb.6:1, 9:14). Welke werken leiden tot Gods rust?

Ieders innerlijke houding is alles bepalend. Het gaat in de eerste plaats om een aan God volkomen toegewijd hart. Hij ziet immers het hart aan (1 Sam.16:7). Tevens gaat het om geloof, dat Hij Zijn werken in ons leven doen kan. "Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn" (Heb.11:6). "U zult de Heer zoeken en Hem vinden, als u naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel" (Deut.4:29, Jer.29:13). Daarom gaan Zijn "ogen over de aarde, om krachtig bij te staan, wiens hart volkomen naar Hem uitgaat" (2 Kron.16:9).

Wie zo gericht is, hoe onwetend hij ook mag zijn, doet goede werken. Hij laat namelijk God scheidend ordenen in zijn leven (het Hebreeuwse woord voor scheppen is bara en betekent ook ordenen, scheiden). Hij laat Zijn scheppingswerk toe. Want, zegt Jezus, "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook" (Joh.5:17)."Zijn maaksel zijn wij dan, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Ef.2:10). Dan ziet Hij in elke fase van ons geestelijk leven, dat "het goed was": "avond" geweest en "morgen" geworden, weer een nieuwe "dag". Dan geldt: "Wie overwint en Mijn werken tot het einde toe bewaart" zal rust ervaren (Op.2:26).

Hoe anders is het met boze werken, werken van de duisternis, werken van de wet, dode werken (Joh.3:19, Rom.13:12, Gal.2:16, Heb.6:1). Die leiden tot niets en daarvan moeten we ons bekeren (Heb.6:1). Er zijn werken van het vlees, werken uit begeerte, werken in menselijke kracht (Gal.5:19, Gen.3:6, Zach.4:6). Er wordt heel wat gewerkt uit sleur en traditie, werk dat met lauwheid wordt gedaan of met een van God afgewend hart.

Dat laatste was het geval met Israël in de tijd van Jesaja. Vanwege de weerspannigheid van het hele volk haatte God hun godsdienstige feesten (Jes.1:13-14). Hij had geen welgevallen aan de offers, die ze brachten (Jes.1:11). Hij wendde Zich af als er tot Hem werd gebeden (Jes.1:12,15). Men gehoorzaamde Hem niet en wandelde niet op Zijn wegen (Jer.7:23). Men handelde in het vlees. Men bracht geen goede vruchten voort (vgl. Jes.5:2, Mat.3:10). Na zulke werken kan de rust van God niet volgen. Dan volgt er oordeel, loutering, correctie (Jes.1:21-31).

Ook wij kunnen bidden, vasten, bijbelstudie doen, trouw naar de kerk gaan, tienden geven, enz. enz. Maar als we de stem van de Goede Herder in ons leven negeren en Zijn Woord niet bewaren, kunnen wij Zijn werken niet doen. Dan blijven we in het vergankelijke en in oneer steken. Dan kan Jezus in ons niets nieuw maken. Wat we dan aan godsdienstige activiteiten ontplooien, is niets meer dan dode werken. Laten ook wij ons daarvan bekeren (Heb.6:1). En laten we "op elkaar acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken" (Heb.10:24). Iedere godsdienstige activiteit kan dus een daad van levend geloof zijn of een dood werk. Mozes vastte veertig dagen en ontving geweldige openbaringen. De farizeeën vastten hun leven lang twee keer per week en het leverde niets op.

Jezus zei tot Zijn discipelen: "Waar twee of drie vergaderd zijn (geworden) in Mijn Naam (door de heilige Geest), daar ben Ik in hun midden" (Math.18:20). Maar Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Jullie samenkomsten zijn niet tot zegen, maar tot schade" (1Cor.11:17). Er zijn samenkomsten die bruisen van leven door de aanwezigheid van God. Want "het woord Gods is levend en krachtig" (Heb.4:12). Maar helaas overheerst in veel samenkomsten menselijk enthousiasme en/of starre traditie (vgl.Mat.15:6).

Alles wat voortkomt uit de menselijke natuur en wat gedaan wordt met menselijk enthousiasme, is niet Gods werk, maar mensenwerk. We doen Gods werken en ervaren leven, als we gelovig handelen uit liefde tot Hem, op Zijn initiatief en onder Zijn leiding. "Ik ken uw werken en liefde, en geloof en dienstbetoon, en uw volharding en uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste" (Op.2:19). Dan laat Hij ons Zijn rust ingaan. Maar wie handelt op eigen initiatief en van zijn eigen kracht uitgaat, zal als zijn enthousiasme eenmaal is bekoeld, alleen maar dorheid ervaren.

Hoe kunnen we weten wat wat is? Door, net als Jezus, te horen en te gehoorzamen in alles wat we meemaken. Dan kan het levende Woord van God rijkelijk in ons wonen en ziel en geest scheiden en overleggingen en gedachten van het hart schiften (Col.3:16, Heb.4:12). Dat Woord moet ons oordelen en ons genezen. Dat Woord moet zowel het willen als het werken in ons werken (Fil.2:13). Zonder dat Woord ontstaat er niets wezenlijks (vgl. Joh.1:2-3). Door dat Woord worden wij een nieuwe schepping in Christus. Door dat Woord komen we tot de sabbatsrust die God geeft.

TENSLOTTE

Menselijke ideeën en dogma's maken moe en mat. Maar het Woord wordt "niet moe of mat" (Jes.40:28). En als we Jezus volgen, worden we Zijn beelddragers en "wandelen ook wij zonder moe of mat te worden" (Jes.40:31).

Daarom roept Hij ons tot Zichzelf, om Zijn weg te gaan. "Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rustgeven; neem Mijn juk op u en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.11:28-30). Wat was Zijn juk? Het was de wil van de Vader. Dat juk is zacht (Mat.11:30). Gods geboden zijn niet zwaar (1 Joh.5:3). Hij droeg het van ganser harte en met blijdschap (Ps.40:9). En nu nodigt Hij ook óns uit om dat juk op ons te nemen. Dan vinden ook wij Gods rust voor onze zielen. .

Het gros van de Israëlieten die uit Egypte trokken, zou niet ingaan in het land van rust (Hebr.3:11). Ze kenden Gods wegen niet (Hebr.3:10). Altijd dwaalden ze met hun hart (Hebr.3:10). Ze begeerden altijd wel iets, wat Hij niet wilde. Paulus zegt, dat hun ongehoorzaamheid ons ter waarschuwing is (1 Cor.10:11). Wie nu wél Zijn wil doet en zijn hart niet verhardt, zal wél ingaan (Hebr.4:6-7). Hij komt volkomen tot rust (Hebr.4:9-10). Hij wordt "gekocht uit de mensen als eersteling voor God en voor het Lam" (Jes.62:12, Op.14:3-4).

We hebben al eerder gezegd, dat niet alleen zij, maar uiteindelijk iedereen "in Christus" zal leven (Op.21:24, 22:2). Niet alleen de eerstelingen gaan "tot Zijn rust in" (Heb.4:6-10). Ook de bruid zal stralen van de heerlijkheid Gods (Op.21:11). Zij ontvangt Zijn licht, Zijn waarheid, Zijn vrede, Zijn rust. Ook de natiën zullen toestromen om "goede werken" te doen: ze zullen eten van de bladeren van het geboomte des levens en genezen worden (Op.22:2). Er is dan niets vleselijks meer, niets onreins, niets vervloekts, geen "nacht" meer (Op.21:27,22:3,5a). Alles is dan nieuw!

Die rust geldt ook nu, voor wie zich laat leiden door Gods Geest. Dan doet God in ieder persoonlijk Zijn scheppingswerk van "dag" tot "dag" in "het jaar van Zijn verlossing" (Jes.63:4). Zo kunnen wij nu al verrijzen, wij die in dood en duisternis zijn gezaaid. Zo wekt Hij ons nu al op tot nieuw leven tot in de rust die God geeft. Van hem of haar zegt de Christus: "Ik ken uw werken: zie, Ik heb u een open deur gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht, maar u hebt Mijn woord bewaard" (Op.3:8).

Die deur is "open in de hemel" (Op.4:1a). Hij geeft toegang tot het hemelse Jeruzalem, waar alles is doordrenkt van de heerlijkheid van God (Op.21:11). Daar heerst harmonie en rust. Wie dát "ziet", is "van boven" en leeft daar tijdens zijn leven. Ziet u een poort wijd open staan? Klim dan op. Jezus zegt met een stem als van een bazuin: "Klim hierheen op" (Op.4:1). Ga in tot de rust die God geeft. Gedenk de "sabbatdag". "Dan zult u zich verlustigen in de Heer, zal Hij u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten van uw erfdeel" (Jes. 58:13-14). Dan zult u "Jeruzalem" binnen mogen rijden als een "koning" die op de troon van David "zit" (=rust). Dat alles in het "Huis van de Heer" en tot lof en eer van de Vader (Jer.17:24-26). Amen!