vervolg van...

Studie van Exodus

WEEK 2 DAG 1

Hnd. 7:22 (Act 7:22) ...Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken.

Hnd. 7:29-30 (Act 7:29-30) Mozes… werd een bijwoner in het land Midian... En toen veertig jaren waren vervuld, verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel in een vlam van een braamstruik.

We hebben zeker nodig bekwaamheid te verwerven, maar als we eenmaal de bekwaamheid hebben moet er met ons worden afgerekend. Dit was precies wat er gebeurde met Mozes. De zaak van Mozes is de beste om de zaak van het verwerpen van de natuurlijke kracht en bekwaamheid te illustreren.

Handelingen 7:22 (Act 7:22) vertelt ons dat Mozes onderwezen werd in alle wijsheid van de Egyptenaren en machtig was in woorden en in werken. Hij verscheen om te werken voor God, om Gods volk te redden van de tirannie van Farao. Mozes deed iets voor Gods volk naar zijn eigen wil (Hnd. 7:23-26 – Act 7:23-26). Hij was ten volle verzekerd dat hij iets tot stand kon brengen, maar hij voerde zijn wil, niet Gods wil, uit. God zette Mozes opzettelijk en soeverein voor veertig jaar aan de kant (Exo. 2:14-15; Act. 7:27-30). (Basic Lessons on Service, pp. 156- 157)

In deze veertig jaar leerde Mozes om God te dienen naar Zijn leiding en op Hem te vertrouwen (Act. 7:34-36; Heb. 11:28). Uiteindelijk werd Mozes iemand die niets deed naar zijn wil. Hij handelde altijd naar de leiding van de Heer. De Heer leidde hem en hij volgde. Hij had geen geloof in zijn bekwaamheid. Hoewel hij zeer capabel was, gebruikte hij niet zijn natuurlijke bekwaamheid. Met zijn natuurlijke bekwaamheid was afgerekend, dus werd het een bekwaamheid in opstanding. De bekwaamheid in opstanding komt overeen met Gods beweging. Na te zijn afgerekend door het kruis, wordt onze bekwaamheid één met Gods beweging. Feitelijk was God gewerkt in Mozes’ bekwaamheid. Zijn bekwaamheid was uiteindelijk vol van God.

Exodus 2 toont ons een natuurlijke Mozes, een Mozes met zijn natuurlijke kracht en bekwaamheid. Dat was uitsluitend, enkel en alleen, geheel en volkomen, Mozes zonder God. Dan na hoofdstuk 3 kunnen we een andere aard van Mozes zien, een Mozes met wie volledig was afgerekend door God. Na hoofdstuk 3 was God in Mozes en wat Mozes ook deed in zijn daden en bewegen was vol van God, het goddelijk element bezittend.

De natuurlijke kracht en bekwaamheid zijn bruikbaar als er mee afgerekend is door het kruis. Nadat er mee is afgerekend door het kruis zijn ze in opstanding. Sommige broeders spreken in hun natuurlijke welbespraaktheid, maar andere broeders spreken met een welbespraaktheid waarmee is afgerekend door het kruis. Dit is de welbespraaktheid in opstanding. Sommigen die tekort komen in ervaring vragen zich misschien af wat het verschil is tussen de natuurlijke welbespraaktheid en de welbespraaktheid in opstanding. Dit is moeilijk uit te leggen, maar als je de ervaring hebt, is het makkelijk te onderscheiden.

In opstanding is er iets goddelijks in onze kracht en bekwaamheid gewerkt. Er is zelfs een goddelijk element in onze welbespraaktheid gewerkt. Wanneer we spreken, moet er met onze welbespraaktheid zijn afgerekend door het kruis. Het kruis werkt altijd het goddelijk element in de persoon met wie het afrekent, het brengt God in hem. Als je nog nooit door het kruis bent behandeld in je welbespraaktheid, is dat de natuurlijke welbespraaktheid zonder iets goddelijks. Maar als er met je welbespraaktheid is afgerekend, is die soort welbespraaktheid in opstanding en vol van het goddelijk element; de ‘afgerekende’ welbespraaktheid in opstanding is vol van God. Na te zijn behandeld, worden onze kracht en bekwaamheid bruikbaar in opstanding voor onze dienst aan de Heer. (Basic Lessons on Service, pp. 157, 155-156)

Het heeft geen zin om te doen alsof. We kunnen slechts zijn wat we zijn. Als je als Mozes bent die een Egyptenaar neersloeg, dan is dat waar je bent. En als je als Mozes bent toen hij tachtig jaar oud was, dan is dat waar je bent. Op een dag zullen we allen het punt bereiken waar we onszelf beschouwen als slechts goed voor de dood. Iedereen die door de Heer geroepen wordt, moet door een periode heen gaan waarin hij zijn vertrouwen verliest, zijn onbekwaamheid beseft en zichzelf als slechts goed voor de dood beschouwt. Uiteindelijk zullen we hetzelfde besef hebben over onszelf als Mozes had toen hij tachtig jaar oud was (Life-study of Exodus, pp. 68-69).

WEEK 2 DAG 2

Exo. 3:1 Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb.

Exo. 3:5 Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond.

Toen Mozes door Gods soevereiniteit aan de kant was gezet, moet hij zeer teleurgesteld zijn geweest en moet hij alle hoop verloren hebben. Een man die is onderwezen in het koninklijk paleis was nu gedwongen als een herder te leven in de woestijn. Bij het verstrijken van de jaren verloor hij alles – zijn vertrouwen, zijn toekomst, zijn interesse, zijn doel. Uiteindelijk bereikte Mozes waarschijnlijk het punt waar hij geen verdere gedachten meer had dat hij degene was die God wilde gebruiken om de kinderen van Israël te redden uit de slavernij in Egypte. Mozes heeft misschien tegen zichzelf gezegd: “Ik moet zorg dragen voor deze kudde. Maar zelfs deze kudde is niet van mij; het behoort aan mijn schoonvader. Ik heb geen keizerrijk, geen koninkrijk. Er is voor mij niets meer te doen, behalve te arbeiden ter ondersteuning van mijn familie. Mijn eerste zorg is vers gras te vinden voor de kudde en water voor hen om te drinken.” Maar op een dag verscheen God aan hem en riep hem. Toen hij tachtig jaar oud was, was Mozes in Gods ogen geheel voorbereid en gekwalificeerd en juist op dat moment kwam Hij tot hem. (Life-study of Exodus, pp. 51-52)

Het verslag van Gods roeping van Mozes is langer dan het verslag van Zijn roeping van enig ander persoon in de Bijbel. In deze beschrijving vinden we alle fundamentele punten betreffende Gods roeping. Dus als we de volle betekenis van Gods roeping willen leren kennen, moeten we nauwkeurig letten op Gods roeping van Mozes in Exodus 3.

Mozes was de eerste, volledig gekwalificeerde en volmaakte dienstknecht van God in de geschiedenis. Mozes is het standaard model van Gods dienstknecht en Gods roeping van hem is de standaard voor Zijn roeping van al Zijn dienstknechten. In principe moeten we allemaal geroepen worden op dezelfde wijze als Mozes.

Volgens Exodus 3:1 leidde Mozes op een dag de kudde naar de achterzijde van de woestijn. Dit wijst erop dat we alleen geroepen kunnen worden aan de achterzijde van onze situatie, nooit wanneer we aan de voorzijde zijn. Ik geloof dat Mozes de kudde leidde naar de achterzijde van de woestijn omdat hij op zoek was naar de beste weide. Hij was misschien ontevreden met de vertrouwde plaatsen en misschien verlangde hij naar een nieuwe plaats. Dus ging hij naar de achterzijde.

Aan de achterzijde zijn betekent dat we niet tevreden zijn met onze huidige situatie. Jarenlang voedde Mozes de kudde aan de voorzijde van de woestijn. Maar op een dag, omdat hij ontevreden en teleurgesteld was, besloot hij naar de achterzijde te gaan om te zien wat daar was. Als je ontevreden bent met je huidige baan of met je huwelijk kan deze ontevredenheid je doen keren tot de achterzijde. Iedereen die door de Heer is geroepen kan getuigen dat hij geroepen werd aan de achterzijde.

Zowel God als Mozes waren op reis en uiteindelijk ontmoetten ze elkaar op een zekere plek. God reisde daar naar toe vanuit de hemel en Mozes reisde daar naar toe vanuit de plaats waar hij woonde. Volgens onze ervaring kwamen we op een dag op een zekere plaats en daar ontmoetten we God.

Toen Mozes naar de achterzijde van de woestijn ging, ‘kwam hij tot de berg Gods, tot Horeb’ (vs. 1). Vele malen blijkt de achterzijde van onze situatie de berg Gods te zijn. Mozes wist echter niet dat de berg Gods aan de achterzijde van de woestijn was. Niettemin, terwijl Mozes langzaam met zijn kudde op weg was naar de berg Gods, was God daar al en wachtte op hem. In vers 5 zei God tot Mozes: “Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond.” De ‘heilige grond’ in dit vers verwijst naar land dat nog niet door een mens was aangeraakt. Dit duidt erop dat Gods roeping plaatsvindt in een plaats waar geen menselijke verstoring is. Gods roeping komt altijd tot iemand die op maagdelijke grond is, grond die alleen aangeraakt is door God. Dit betekent dat elke ware roeping komt in een plaats waar geen menselijke manipulatie of mening is. Als we geroepen willen worden door God, moeten we in een plaats zijn die geheel voor Hem gereserveerd is (Life-study of Exodus, pp. 52-54).

WEEK 2DAG 3

Exo. 3:2-3 Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt.

Rom. 12:11 Weest niet traag in de ijver; weest vurig van geest; dient de Heer.

De braamstruik vertegenwoordigt Mozes zelf. Het feit dat God riep vanuit het midden van de braamstruik wijst erop dat de plaats van Gods roeping binnenin ons is.

Voordat God tot Mozes sprak, toonde Hij hem het teken van een brandende braamstruik (Exo. 3:2). Dit wijst erop dat ieder die door God geroepen is, moet beseffen dat hij slechts een braamstruik is met een vuur dat binnenin hem brandt en dat dit vuur God Zelf is. Hoewel God verlangt binnenin ons en op ons te branden, zal Hij ons niet verbranden; dat wil zeggen, Hij zal ons niet als brandstof gebruiken. Volgens Genesis 3 duiden doornen op de vloek die kwam vanwege de zonde. Dit wijst erop dat als Gods geroepene, Mozes een zondaar was onder Gods vloek. Mozes was een braamstruik (Life-study of Exodus, pp. 54, 69-70).

Het feit dat de braamstruik brandde zonder te worden verteerd duidt erop dat de heerlijkheid van Gods heiligheid binnenin ons hoort te branden, maar dat we niet uitgeput zouden moeten zijn. Als een dienstknecht van God uitgeput is, kan dit betekenen dat hij zijn eigen energie gebruikt om iets te doen voor God. God wil niet ons natuurlijke leven als brandstof gebruiken. Hij wil alleen branden met Zichzelf als brandstof. We moeten slechts een braamstruik zijn met het goddelijke vuur dat binnenin ons brandt. Door het teken van de brandende braamstruik benadrukte God dat Mozes een vat was, een kanaal waardoor God gemanifesteerd moest worden. Het is niet gemakkelijk te ontdekken dat we slechts een braamstruik zijn voor de manifestatie van God. Door de jaren heen heb ik één les geleerd: voor God te werken zonder het natuurlijke leven te gebruiken als de brandstof, maar God binnenin in mij te laten branden.

Het verslag van de brandende braamstruik is er om een voortdurend gedenkteken en getuigenis te zijn voor Gods geroepenen. Het getuigt van het feit dat we niets anders kunnen zijn dan braamstruiken.

Mag dit verslag van de braamstruik zo’n diepe indruk op ons maken dat we het nooit zullen vergeten. In onszelf zijn we niets; we zijn slechts braamstruiken. Maar God koestert ons nog steeds en verlangt Zichzelf vanuit ons binnenste te manifesteren als een vlam van vuur. We behoren Zijn branden te koesteren door nooit enig vertrouwen te stellen in wat we zijn naar de natuurlijke mens.

We behoren allen geroepenen te zijn als Mozes. Vroeg of laat zullen we allen het gezicht aanschouwen dat Mozes zag in hoofdstuk drie van Exodus, het visioen van een struik die brandt zonder te worden verteerd. Dit visioen moet op ons wezen gestempeld worden. Dan zullen we, telkens wanneer we het werk van God of de dienst van de Gemeente aanraken, eraan herinnerd worden dat we niets meer zijn dan een braamstruik. De dag komt wanneer we dit allemaal zullen beseffen. (Life-study of Exodus, pp. 70-72)

We hebben bekwame mensen gezien die vurig waren in het dienen van God in de Gemeente. Hoe meer ze dienden, des te meer ze geleidelijk de dood brachten aan anderen en hoofdzakelijk de dood aan zichzelf. Ze doodden zichzelf in hun geest door hun dienen, dus verdwenen ze uiteindelijk in hun dienst. Hun priesterschap was verloren gegaan. Dit alles bij elkaar is de ware betekenis van de dood vanwege het offeren van vreemd vuur (Num. 26:61).

We moeten allen dienen, functioneren en ons ene talent gebruiken, onze gave. Maar we moeten voorzichtig zijn niet te dienen op een natuurlijke wijze, met onze natuurlijke vurigheid. Het spreekt vanzelf dat de Heer wil dat we vurig in de geest zijn, niet koud of lauw. Maar we moeten vurig zijn in onze geest, niet in ons natuurlijke leven. In Romeinen 12:11 vertelt Paulus ons “weest vurig van geest; dient de Heer.” Elke vurigheid in ons natuurlijke leven is vreemd vuur voor God en dit brengt de dood in (Basic Lessons on Service, pp. 117-118).

WEEK 2 DAG 4

Exo. 3:14-15 Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden. Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht.

Degene die Mozes riep was ten eerste de Engel van Jehova (Exo. 3:2). Volgens de Bijbel is een engel een boodschapper, dat wil zeggen iemand die gezonden is. Met het doel Mozes te roepen en te zenden, verscheen God, de Zender, aan hem als de Gezondene. Alleen Degene die gezonden is, kan de gezondenen uitzenden. De apostelen bijvoorbeeld, de gezondenen in het Nieuwe Testament, waren uitgezonden door de Heer Jezus, Gods Gezondene (Joh. 20:21). The titel de Engel van Jehova verwijst hoofdzakelijk naar Christus, de Zoon van God, gezonden om Gods volk te redden uit hun situatie van lijden (zie Judges.6:12, 22; Judges.13:3-5, 16-22). In Exodus 3 kwam de Heer (als de Engel van Jehova) om Mozes te roepen voor de bevrijding van de kinderen van Israël uit slavernij (Life-study of Exodus, pp. 55-57).

De tweede titel geopenbaard in Exodus 3 is Jehova, wat betekent “Hij die was, die is en die zal zijn.” Deze titel is voornamelijk samengesteld met het werkwoord zijn. Los van de Heer is al het andere niets. Hij is de Enige die is, de Enige die werkelijkheid van bestaan heeft.

Als wij geroepen zouden worden door God, moeten we weten dat de Roepende ten eerste de Gezondene van God is en ten tweede Jehova, Degene die was, die is en die zal zijn. Wij moeten weten dat de God die ons roept is en dat wij niet zijn (Heb. 11:6).

God noemt Zichzelf: “IK BEN DIE IK BEN” (Exo. 3:14). “Ik Ben” verwijst naar Degene die in zichzelf bestaat, Degene wiens bestaan van niets anders afhangt dan Hemzelf. Deze is ook de Altijd-bestaande, dat wil zeggen dat Hij eeuwig bestaat en geen begin, noch einde heeft.

Als Ik Ben is God alles wat we nodig hebben. Aan de woorden “Ik Ben” kunnen we wat we ook maar nodig hebben toevoegen. In het Nieuwe Testament gebruikt de Heer vele dingen om Zichzelf te beschrijven: “Ik ben de ware wijnstok” (Joh. 15:1), “Ik ben het brood van het leven” (Joh. 6:35), “Ik ben het licht” (Joh. 8:12). Als Ik Ben is God alles. God is de werkelijkheid van alle positieve dingen. Dit houdt in dat God jou moet zijn, zelfs de werkelijkheid van je wezen. Deze grote Ik Ben, de Allesomvattende, is Degene die is gekomen om ons te roepen.

De uitdrukking “de God van uw vader” (Exo. 3:6) duidt op geschiedenis met God. Wanneer God komt om je te roepen, behoort Hij geen vreemde voor je te zijn. Toen we gered werden, verkregen we een andere stamboom, een geestelijke afkomst. Om deze reden zei Paulus tot de Korintiërs dat hij hen verwekte door het evangelie (1Cor. 4:15). In Gods ogen is de Heer die je roept de God van onze geestelijke vader. Toen God aan Mozes verscheen en hem riep, was Hij geen vreemdeling, want Hij was generaties lang met Mozes’ familie geweest. De God van Mozes’ familie was de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob (Life-study of Exodus, pp. 57, 59-60, 58).

In Abraham zien we God de Vader die de mens roept, rechtvaardigt en toerust om door geloof te leven en in gemeenschap met Hem te leven. Genesis 12:1 toont ons de roeping van de Vader en Genesis 15:6 openbaart Zijn rechtvaardiging. Isaak vertegenwoordigt God de Zoon, de tweede van de Drie-enige God, die de mens zegent met de erfenis van al Zijn rijkdom, met een leven van het genot van Zijn overvloed en met een leven in vrede (Gen. 25:5; Gen. 26:3-4, 12-33). In het leven van Jakob met Jozef zien we God de Geest die in alle dingen meewerkt ten goede voor Zijn liefhebbers. Dit is gebaseerd op Rom. 8:28 dat zegt: “Alle dingen werken mee ten goede voor hun die God liefhebben.” We zien ook dat de Geest de mens transformeert en de mens volwassen maakt in het goddelijke leven opdat de mens in staat mag zijn alle mensen te zegenen, over de gehele aarde te regeren en alle mensen tevreden te stellen met God de Zoon als de levensvoorziening (Gen. 27:41; Gen. 28:1 tot Gen. 35:10; Gen. 37; Gen. 39-49; Rom. 8:28-29) (The History of God in His Union with Man, pp. 134-135).

WEEK 2 DAG 5

Exo. 3:8 Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honing…

Exo. 4:3-4 …En toen hij die op de grond geworpen had, werd hij een slang… Maar de Here zeide tot Mozes: Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart. Toen strekte hij zijn hand uit en greep haar vast en zij werd een staf in zijn hand.

Zowel in negatieve zin als in positieve zin was Gods doel in het roepen van Mozes zeer goed. In negatieve zin riep God hem om de kinderen van Israël de bevrijden uit de tirannie van de Egyptenaren (Exo. 3:8). In positieve zin was het doel van Gods roeping niet alleen de kinderen van Israël uit Egypte te brengen, het land van slavernij, maar hen in Kanaän te brengen, een land “vloeiende van melk en honing” (Exo. 3:8, 10, 17).

In typologie duidt het brengen van de kinderen van Israël tot in het goede land op het brengen van mensen tot in Christus, de allesomvattende persoon getypeerd door het land Kanaän. Christus is vandaag een goed land vloeiende van melk en honing. Zowel melk als honing zijn producten van de vereniging van het plantenleven en het dierenleven.

Melk en honing duiden op de rijkdom van Christus, rijkdom die voortkomt uit de twee aspecten van het leven van Christus. Hoewel Christus één persoon is, heeft Hij het verlossende leven, getypeerd door het dierenleven en het ontkiemende leven, getypeerd door het plantenleven. Aan de ene kant is Christus het Lam van God om ons te verlossen; aan de andere kant is Hij een gerstebrood om ons te voorzien. Deze levens werden verenigd voor het genot van Gods verloste volk. Ik kan getuigen dat ik dagelijks Christus geniet als een wijds land vloeiende van melk en honing. (Life-study of Exodus, pp. 61-63)

Nadat we het visioen van de brandende braamstruik hebben gezien en nadat we te weten zijn gekomen wie God is en wat God is, hebben we nog steeds de drie tekenen nodig. Het eerste teken is dat van de staf die een slang werd. De subtiele slang die Adam en Eva vergiftigde in Genesis 3 wordt in Exodus 4 ontmaskerd. Dit teken helpt ons de duivel te leren kennen. Het wijst erop dat alles waarop we vertrouwen los van God een schuilplaats is voor de slang. Door de jaren heen heb ik geleerd dat telkens wanneer ik op iets vertrouw, de slang daarin verborgen is. We hebben naar voren gebracht dat de staf die Mozes had gebruikt voor vele jaren een schuilplaats was voor de in bezitnemende slang. Mozes echter was zich hier niet van bewust totdat hij op het woord van de Heer de staf op de grond wierp. Toen werd de verborgen slang ontmaskerd.

Het tweede teken is dat van de hand die melaats werd. Dit teken is voor het kennen van het vlees van de zonde. We zijn niet alleen melaats, maar we zijn melaatsheid. Dit betekent dat we zonde zijn, niet alleen zondig. Toen Christus stierf aan het kruis, droeg Hij niet alleen onze zonden (1 Pet. 2:24), maar Hij werd voor ons tot zonde gemaakt (2Cor. 5:21). Omdat we zonde zijn, werd Christus voor ons tot zonde gemaakt. Elke geroepene moet de subjectieve kennis hebben dat zijn vlees een vlees van zonde is en dat daarin niets goeds woont. Ons vlees is een samenstelling van zonde, verdorvenheid en corruptie.

Bovendien moet de geroepene beseffen dat de wereld gevuld is met de dood. Dit openbaart het derde teken, het teken van het water dat bloed werd. Voor de mensen van de wereld, komt genot voort uit de voorziening en het vermaak van de wereld, aangeduid door de Nijl die het land van Egypte bewaterde. In de ogen van Gods geroepene echter is de wereld niet gevuld met levend water maar gevuld met het bloed van de dood. Wat de wereld heeft te bieden is geen water om onze dorst te lessen; het is de dood die ons vergiftigt en doodt.

Als Gods geroepenen moeten we de duivel, het vlees en de wereld kennen. Paulus had deze drievoudige kennis. Aangaande satan zei Paulus: “Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend” (2Cor. 2:11). Aangaande het vlees zei hij: “Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont” (Rom. 7:18). En aangaande de wereld zei hij: “De wereld is gekruisigd voor mij en ik voor de wereld”(Gal. 6:14). Opnieuw zien we dat wat Mozes als een beeld ervoer, Paulus ervoer in werkelijkheid (Life-study of Exodus, pp. 117-118).

WEEK 2DAG 6

Exo. 4:15-16 Dan zult gij tot hem [Aäron] spreken en de woorden in zijn mond leggen, en Ik zal zijn met uw mond en zijn mond en Ik zal u leren, wat gij doen moet. Hij zal voor u tot het volk spreken en zo zal hij u tot een mond zijn en gij zult hem tot God zijn.

Mozes had de mannelijke hulp en de vrouwelijk hulp nodig. De mannelijke hulp is die van het aan elkaar gewaagd zijn. Deze vorm van hulp balanceert ons, beperkt ons en maakt ons nederig. Door het aan elkaar gewaagd zijn van zijn broer leerde Mozes anderen te laten doen wat hij in staat was te doen. Wat Aäron ook deed, was Mozes ook in staat te doen, maar hij werd beperkt in het doen ervan. In het gemeenteleven zal de Heer vaak een omgeving doen ontstaan die ons dringt anderen toe te staan dingen te doen die we zelf kunnen doen. Dit behoort een principe van ons functioneren in de Gemeente te zijn. Als een broeder in staat is een zeker ding te doen, laat het hem doen, zelfs als jij het beter kan doen. Dit zal je nederig maken. Ik heb echter vele, in het bijzonder zusters, gezien die erop stonden dat alleen hen werd toegestaan een zeker ding te doen. Volgens onze natuurlijke aard, willen we niet dat anderen zich bemoeien met wat we aan het doen zijn. Niettemin moeten we allemaal leren anderen juist dat ding te laten doen dat we zelf kunnen doen. (Life-study of Exodus, p. 118)

Ik geloof niet dat Aäron meer bekwaam was dan Mozes. Niettemin regelde God soeverein een situatie die Aäron toestond te doen wat Mozes in staat was te doen. In het gemeenteleven behoren we niet alles zelf te doen. In plaats daarvan moeten we anderen laten doen wat we zelf kunnen doen. Dit betekent echter niet dat we passief moeten zijn. Integendeel, het betekent dat we in een relatie waarin we aan elkaar gewaagd zijn worden beperkt, gebalanceerd en nederig gemaakt.

Deze beperking is een beveiliging en bescherming. Niets is een grotere bescherming in ons geestelijke leven dan het gewaagd zijn aan de broeders. Hoe meer we aan anderen gewaagd zijn, hoe meer we beschermd zijn.

In Exodus 4:24-26 zien we dat Sippora door God gebruikt werd om te veroorzaken dat Mozes een “bloedbruidegom” werd. Het aan elkaar gewaagd zijn is objectief, maar het besnijden is zeer subjectief. In de Bijbel vertegenwoordigt de man de objectieve waarheid, daar waar de vrouw de subjectieve ervaring vertegenwoordigt. Dus het aan elkaar gewaagd zijn van Aäron was uiterlijk en objectief, maar het besnijden door Sippora was innerlijk en subjectief.

Als we gebruikt zullen worden door de Heer in Zijn wederopbouwwerk, moeten we een teken dragen van besneden te zijn. Dit betekent niet dat we moeten spreken over de besnijdenis die we hebben ervaren. Integendeel, het betekent dat we in stilte dit teken moeten dragen. Laat anderen zeggen dat we besneden zijn. In Exodus 4 was het Sippora, niet Mozes die zei dat hij een “bloedbruidegom” was.

Zowel in het gemeenteleven als in het huwelijksleven moeten we zo’n “bloedbruidegom” zijn. Wil een broeder waarlijk Gods geroepene te zijn, dan moet hij op een subjectieve wijze besneden worden. We leren een belangrijk deel door het besnijden. Soms besnijdt mijn vrouw mij door mijn eten te beperken. Dit besnijden houdt mij gezond en voorkomt dat ik me te buiten ga. Dus het besnijden weerhoudt ons ervan te leven volgens het natuurlijke leven.

Alleen zij die bereid zijn om besneden te worden kunnen bruikbaar zijn voor God. Ieder die bruikbaar is, is een “bloedbruidegom”. Dagelijks en zelfs elk uur moeten we de besnijdenis van het natuurlijke leven ervaren. Het is niet voldoende slechts te zien dat we zondig zijn. Ons natuurlijke leven moet ook besneden worden, of door hen in ons gezin of door de broeders en zusters in de Gemeente.

We moeten het visioen van de brandende braamstruik zien: de Drie-enige God brandend in en op Zijn verlosten. Dit is het centrale punt van de goddelijke openbaring in de Schrift. Dan moeten we weten wie God is en wat God is. Verder moeten we de duivel, het vlees en de wereld kennen. Daarop volgend hebben we het aan elkaar gewaagd zijn en het besnijden nodig. Als we gewillig zijn voor de subjectieve ervaring van de besnijdenis van ons natuurlijke leven, dan zullen we leven door het opstandingsleven, zullen we bruikbaar worden in de handen van de Heer voor de vervulling van Zijn eeuwig doel en zullen we gereed gemaakt zijn om Gods opdracht uit te voeren. Mag elk aspect van Gods roeping onze ervaring zijn in het wederopbouwwerk van de Heer vandaag (Life-study of Exodus, pp. 118-120).