Printable version  Printable version
Uitgaande v/d genade ...
Bijbelcommentaren
De komst van de Heer
Geschiedenis en Tijd
Herstel van alle dingen
    Feast of Tabernacles
    Job ed weg tot zoo...
    Redding & Uitverkie...
    Volgens de doels...
    Herstel van alle d...
    Als God iedereen z...
    Jubeljaar vd sche...
    Hoop voorbij de hel
    Geheimen van tijd
    Schuldbrief in profetie
    Doel van wet/genade
    De Zonen van God
    Oordelen vd godd...
    Getuigenis
Het geestelijke leven
Het Koninkrijk van God
Israel en Juda
Overig

HET JUBELJAAR VAN DE SCHEPPING

DR. STEPHEN E. JONES

Dit boek is gewijd aan hen die geroepen worden

door de bediening van verzoening,

als Ambassadeurs van Christus,

om de wereld het goede nieuws

over het Herstel van Alle Dingen te vertellen.

De Bijbelteksten in dit boek komen uit

de NIEUWE BIJBELVERTALING (NBV)
tenzij anders aangegeven.

Kopiëren voor niet-commerciële doeleinden toegestaan

Originele titel: Creation’s Jubilee

Vertaald door: Remmer Remmers van Berea-Studies

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

Noot van de vertaler

Hoofdstuk 1: Het Duizendjarig Rijk

Hoofdstuk 2: De Zon van Gerechtigheid of het Vuur van God

Hoofdstuk 3: De Vuurpoel; of de Gesmolten Zee

Hoofdstuk 4: Straft God Eindeloos?

Hoofdstuk 5: Het Herstel van Alle Dingen

Hoofdstuk 6: De Drie Oogstfeesten van God

Hoofdstuk 7: De Instelling van het Jubeljaar

Hoofdstuk 8: De Twee Verbonden

Hoofdstuk 9: Het Gevolg van Adams Zonde voor de Mensheid

Hoofdstuk 10: Het Herstel van Alle Volken

Hoofdstuk 11: Predestinatie en Verkiezing

Hoofdstuk 12: Waarom de Kerkraden het onderwijs over Herstel veroordeelde

Hoofdstuk 13: De Spanning in de Schepping

VOORWOORD

Het boek opent in hoofdstuk 1 met de vraag of ‘het duizendjarig rijk’ uit het boek Openbaringen letterlijk of figuurlijk opgevat moet worden.

In hoofdstuk 2 wordt er kritisch gekeken naar de wet van God, die door God gegeven is aan het volk Israël in de woestijn.

In hoofdstuk 3 krijgt u uitleg over het vuur van God en de betekenis van de vuurpoel. Ideeën over de hel en over het ontstaan van deze opvattingen behandelt de auteur in hoofdstuk 4.

In hoofdstuk 5 legt de auteur, aan de hand van de Bijbel, uit wat hij bedoelt met Gods overkoepelende doel met de geschiedenis, het Herstel van Alle Dingen.

De drie oogstfeesten van Israël worden uitvoerig beschreven in hoofdstuk 6. De auteur wijst u op de profetische betekenis van de gewassen die geoogst werden, namelijk gerst, tarwe en druiven.

Hoofdstuk 7 beschrijft de instelling van het Jubeljaar en het naleven van deze instelling.

Hoofdstuk 8 gaat in op de twee Verbonden die God met de mens heeft gemaakt en laat zien hoe het Oude en het Nieuwe Testament deze Verbonden tot uitdrukking laat komen.

Hoofdstuk 9 laat zien wat het gevolg is van Adams zonde voor al zijn nakomelingen.

Hoofdstuk 10 behandelt het herstel van alle volken en beschrijft uitvoerig de ‘Achanleer’ en de ‘Bediening van de verzoening’.

Vervolgens wordt het onderwerp dat sinds de eerste eeuwen al tot grote discussies leidde uitvoerig beschreven in hoofdstuk 11; de ‘uitverkiezing’.

Hoofdstuk 12 laat zien waarom de vroege Kerk de leer over het ‘Herstel’ veroordeelde en geeft uitleg over de betekenis van rechtvaardiging, verzoening, verlossing en opstanding.

Tot slot sluit het boek af met de spanning in de schepping die ontstond toen Adam zondigde en laat zien hoe deze spanning zal worden opgelost door God, dit kunt u lezen in hoofdstuk 13.

NOOT VAN DE VERTALER

De Nederlandse vertaling van Creation’s Jubilee berust op de vijfde Engelse uitgave uit het jaar 2000. Er is naar mijn ervaring wellicht geen boek dat het zoekende en studerende (christelijke) publiek zo aan kan spreken als Creation’s Jubilee.

De schrijver neemt u mee terug naar de eerste eeuwen na Christus en laat u zien hoe verschillende opvattingen zijn ontstaan en zijn aangenomen door de vroege Kerk. Opvattingen en leringen die eeuwenlang zijn gepredikt door voorname Kerkvaders en die zo van generatie tot generatie zijn overgenomen door vele predikanten van onze tijd, opvattingen die zo zijn verweven in ons calvinistisch denken.

Jones durft de vinger op de zere plek te leggen en stelt kritische vragen waarna hij vervolgens in de Bijbel naar antwoorden zoekt. Hij belicht alles vanuit de goddelijke wet die geopenbaard is door God aan Mozes en die vervuld is door Christus. De principes van de wet lopen als een rode draad door het boek.

Omdat ik geen opleiding heb genoten die relevant is om een dergelijk boekwerk te vertalen, hoop ik dat u voorbij de lay-out en grammatica, zoals o.a. taalfouten, zinsopbouw e.d. kunt kijken en u zich kunt richten op de inhoud; de waarheid achter de toekomende eeuw(en) en de soevereiniteit van God. De vertaler die de vernederlandsing van dit boek destijds in zijn jeugdige onschuld en overmoed ter hand nam, kon toentertijd dan ook niet bevroeden dat hij een tekst onder handen had dat geheel tegen het (Nederlandse) calvinistische denken ingaat. Aangezien het de verwachting is dat de belangstelling voor Het Jubeljaar van de Schepping groot is, leek het mij een daad van eenvoudige rechtvaardigheid (hoewel ook een uitermate tijdrovende) zowel tegenover de schrijver als het lezerspubliek, om de hele tekst woord voor woord door te nemen en waar vereist te verbeteren.

Ik nodig u uit om vraagstukken aan te gaan waar in de tijd voor Jezus nooit over gedebatteerd is en altijd voor waar is aangenomen, waar vervolgens in de tijd van Jezus verschillende meningen over ontstonden, en waar vervolgens de antwoorden op deze vraagstukken in de tijd na Jezus (tot op heden) door vele als valse leer wordt bestempeld. Met deze vraagstukken slaat Creation’s Jubilee de spijker op zijn kop als het schudt aan vastgeroeste christelijke tradities en opvattingen.

Ik nodig u uit om de Bijbel te bestuderen om te zien of het inderdaad waar is wat er wordt gezegd (Hand. 17:11, vrij vertaald).

De Engelse Bijbelteksten zijn overgezet naar het Nederlands middels de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), dit vanwege het begrijpelijke en moderne taalgebruik van deze vertaling, echter daar waar de NBV haar eigen interpretatie geeft aan Bijbelteksten is teruggegrepen naar (voornamelijk) de Statenvertaling (SV) en soms naar de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 (NBG ’51).

— Remmer Remmers

Nederland, 2010

HOOFDSTUK 1

Het Duizendjarig Rijk

Al een hele tijd speculeert de mens over wat er in de toekomende eeuwen staat te gebeuren. Wat gebeurt er met de mens als hij opstaat uit de dood (1 Kor. 15:35)? Wat is het doel van de regering van Christus in de toekomende eeuw, de eeuw die onder de Hebreeërs en vroege christenen bekend stond als het Koningstijdperk? Hoe anders zal het zijn in de daaropvolgende tijd, beschreven als ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde' met een ‘nieuw Jeruzalem'?

Misschien nog verwarrender is het hedendaagse gespeculeer over onze uiteindelijke woning in de hemel. Als we in de hemel gaan wonen waarom gaan de heiligen dan terug naar de aarde tijdens de opstanding uit de dood om met Jezus te regeren zoals o.a. opgeschreven staat in Openbaring 5:10? Wat is in feite het doel van het duizend jarig rijk? In mijn bediening ben ik mensen tegengekomen die ook overweldigd waren door deze vragen. En als zij al overweldigd waren dan is het niet vreemd dat vele doorsnee christenen hier ook overweldigd door zijn. Er zijn veel tegengestelde verklaringen en niemand heeft de sleutel om het op een rijtje te zetten.

Ons doel met dit boek is om de zegels van dit onderwerp te verbreken en moedig op pad te gaan op weg naar, zoals wij dit noemen, een geweldig avontuur. De eerste deur kan alleen ontgrendeld worden met de sleutel van het inzien en het begrijpen van de drie belangrijkste feestdagen van Israël.

DE DRIE FEESTEN VAN ISRAËL

Pasen was het eerste feest van Israël dat plaats vond eind maart of begin april. De mensen kwamen samen, op de plaats waar God had gekozen om te wonen, met de eerstelingen (eerste vruchten) van de gerst (wat het eerste gewas was dat opkwam in de lente). Vijftig dagen later wanneer de gerst was geofferd voor God, verzamelden de mensen nogmaals om God de eerstelingen te geven van de gerijpte tarwe. Ongeveer vier maanden later, in september, kwamen de mensen voor de derde keer samen om God de eerstelingen van de wijn op te dragen, want dit was de tijd van de druivenoogst.

De drie feesten zijn in vele opzichten profetisch. Ze bevatten drie stadia van ontwikkeling van het Koninkrijk van God op aarde. Ze spreken van drie zalvingen of manifestaties van de Geest dat overeenkomstig is met elke stadia van het Koninkrijk. En uiteindelijk zullen de eerstelingen het begin van een grotere oogst aankondigen.

Het Paastijdperk duurde van Mozes tot Christus, dit weerspiegelt het eerste niveau van zalving, waar aan het Koninkrijk van God op relatief kleine schaal werd gewerkt in het Huis van Israël. Met de pinksterdag in Handelingen 2 begon het Pinkstertijdperk met een grotere openbaring van de macht van de Heilige Geest. Dit bracht het Koninkrijk van God op een geheel nieuw niveau van Gods werk. Maar zelfs Paulus bekende tot drie keer toe dat dit slechts maar een ONDERPAND van de Geest was, een voorschot van iets beters wat nog moest komen. Hij keek uit naar een Loofhuttentijdperk, waarin de VOLHEID van de Geest uitgeschonken zou worden en waarin het Koninkrijk van God op aarde gevestigd zou worden in zijn grootste vorm en kracht.

De sleutel om het Koninkrijk van God te bevatten is door de drie niveaus van ontwikkeling te zien, in plaats van ze tegenover elkaar te zetten. Sommigen zeggen dat het Koninkrijk NU is en zij hebben gelijk. Anderen zeggen dat het nog moet gaan komen in de TOEKOMST en ook zij hebben gelijk. En sommigen zeggen dat het Koninkrijk begon met Mozes en wederom hebben ook zij gelijk. Het Koninkrijk van God begon inderdaad in de tijd van Mozes, toen God voor het eerst Israël samen bracht als een koninkrijk bij de berg Horeb. Maar het Koninkrijk manifesteerde zich in een groter geheel onder de zalving van Pinksteren in Handelingen 2.

Maar het Koninkrijk moet ook nog komen. We wachten nu op het uitschenken van de Geest tijdens het Loofhuttenfeest, dat het Koninkrijk van God zal openbaren in zijn volledige glorie (vorm en kracht) op aarde. Alleen door het zo te zien kunnen we beamen dat het Koninkrijk er nu al is, maar ook dat het nog moet gaan komen in de toekomst. Onder Mozes dachten de mensen dat het Koninkrijk van God al gekomen was in al zijn volheid. Het was aan hen nog niet geopenbaard dat er nog veel meer zou komen, dit zagen ze pas door middel van de vooruitstrevende openbaringen van profeten die nog moesten komen. Ondanks dat begrepen de mensen toen de ware betekenis van hun eigen feesten niet. Ze focusten zich meer op de rituelen om God zo te gehoorzamen. Vanwege dit feit herkenden de mensen het ware Lam van God niet toen Johannes Hem aanwees (Joh. 1:29), ook zagen en snapten ze niet dat Hij moest sterven voor de zonden van de wereld tijdens het Paasfeest.

De eerste kerk begreep wel de betekenis van Pasen. Ze schreven veelvuldig over de vervulling van Pasen door Jezus' sterven. Maar de mensen konden dit alleen nog maar zien in het licht van Pinksteren. Ze waren een niveau gestegen en konden hierdoor het plan van God beter zien, hoewel ze nog niks van Loofhutten begrepen. Pinksteren was hun uitgangspunt en dat is te begrijpen, omdat het een nieuwe en wonderlijke openbaring was geweest. Voor velen was dit het einde en het doel van de mensheid.

Maar de openbaring van Loofhuttenfeest werd nog niet volledig begrepen, omdat het nog te vroeg was om tot openbaring te komen. De gelovigen hadden net de mogelijkheid om de goddelijke bedoeling van Pinksteren te onderzoeken, ze zouden het niet aankunnen om nu al overweldigd te worden met een ongelofelijke openbaring van Loofhutten.

Daarom wachtte God met deze openbaring tot het einde van het Pinkstertijdperk in de 20e eeuw. De geheimenissen van de Schrift geven aan dat het Pinkstertijdperk minstens 40 jubeljaren zou duren, of 1960 jaar (40 x 49). Een jubelomlooptijd duurt namelijk 49 jaar. Het jubeljaar was elk 50e jaar, maar dit was ook weer het eerste jaar van de Jubelomlooptijd. God meet de tijd in zevens. Hierdoor is 40 jubeljaar een tijdsbestek van 1960 jaar. Vandaar dat het einde van het Pinkstertijdperk, wat begon in 33 na Chr., in het zicht kwam rond 1993 als voorbereiding voor een groter tijdperk wat zal aanbreken onder de zalving van Loofhutten

DE DUIZEND JAAR

Openbaringen 20 gebruikt de term chilia (‘duizend’) zes keer. Vaak wordt er gezegd dat de term een meervoudsterm is en dat het daarom refereert aan ‘duizenden’ jaren, in plaats van alleen duizend jaar. Maar taalkundig klopt dit argument niet. Hoewel het woord technisch gezien meervoud is, is het in het Grieks niet gebruikelijk om het zo te gebruiken. Het is een meervoudsvorm dat alleen correct vertaald kan worden in enkelvoud. Neem als voorbeeld 2 Petrus 3:8, waar staat,

“Eén ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de Heer is één dag als duizend (chilia) jaar en duizend (chilia) jaar als één dag.”

Hier is ‘één dag’ als chilia. De normale veronderstelling van deze gelijkenis is dat ÉÉN dag = 1000 jaar. Laten we andere voorbeelden onder de loep nemen waarbij chilia in het Nieuwe Testament wordt gebruikt. Op. 11:3 zegt,

“En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend (chilia) tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.”

Hoewel chilia technisch gezien meervoud is, kunnen we dit met geen mogelijkheid ook zo vertalen. Je kan niet zeggen dat de twee getuigen voor duizenden tweehonderd zestig dagen profeteren. Hetzelfde geldt ook voor Op. 12:6, waarbij de vrouw naar de woestijn vluchtte voor een tijdsduur van duizend (chilia) tweehonderd zestig dagen.

Chilia is een bijvoeglijk naamwoord en de grammatica eist dat het overeenstemt met het zelfstandig naamwoord (jaren) waaraan het refereert. Dit is de enige manier hoe het Grieks haar bijvoeglijke naamwoorden koppelt aan haar zelfstandige naamwoorden. Dus omdat ‘jaren’ meervoud is, moeten we het meervoud, chilia, gebruiken om de woorden overeen te laten stemmen.

Zowel het Hebreeuws als het Grieks gebruikt het meervoud anders dan wij dit doen in het Nederlands. Als voorbeeld kijken we naar Jakob die worstelde met de engel op een plaats genaamd Peniël. Dit woord stamt af van panah-el. Panah is het enkelvoud van paniym, maar panah komt geen één keer in de Bijbel voor. Het woord betekent ‘gezicht’ of ‘aanwezigheid’. Het feit dat het woord meervoud is heeft misschien te maken met het feit dat wij twee gezichten hebben, elk aan beide zijden van onze neus; maar het feit dat het te maken heeft met iemands aanwezigheid zorgt ervoor dat het meervoud niet vertaald kan worden. Het meervoud wordt gebruikt om uniek concept over te brengen.

Mijn conclusie is dus als volgt: Openbaringen 20 gaat over een tijdsperiode van duizend jaar. En we moeten dus niet meegaan in de gedachten van geleerden die hun gedachten baseren op feiten zonder harde bewijzen, bewijzen die op z’n minst een paar geleerden weer door kunnen geven.

DE GESCHIEDENIS VAN DE LEER VAN HET DUIZENDJARIG RIJK

Als we naar de geschiedenis van de filosofie en het denken kijken, zien we dat het idee van een Sabbatmillennium het eerste standpunt is van de bekende christelijke leiders. Neem bijvoorbeeld het epistel van Barnabas, dat rond 115 n.Chr. wordt gedateerd. We lezen in hoofdstuk 13 het volgende,

“Zelf aan het begin van de schepping maakt Hij een vermelding van de Sabbat. En God maakte in zes dagen de werken van Zijn handen; en hij voltooide ze op de zevende dag en hij rustte de zevende dag en heiligde deze. 4 Mijn kinderen, zie wat dit voorstelt, Hij voltooide ze in zes dagen. Dit betekent het volgende; dat in zesduizend jaar de Heere God alle dingen zal beëindigen. 5 Want bij Hem is één dag als duizend jaar; zoals Hij zelf getuigd met de woorden: “Zie, deze dag zal zijn als duizend jaar.” Daarom, mijn kinderen, zal in zes dagen, dat is, zesduizend jaar, alle dingen voltooid zijn. 6… dan zal Hij verheerlijkt rusten op de zevende dag.”

Deze brief is in het Grieks geschreven en werd vaak geciteerd door vele Kerkvaders. Ik ben er niet op uit om een debat uit te lokken over canoniciteit of de datum van haar oorsprong. Ik gebruik het als voorbeeld uit de vroege Kerk om het feit aan te tonen dat chilia gebruikt wordt in haar enkelvoudsvorm ‘duizend’, en om aan te tonen dat er gelooft werd, binnen de vroege Kerk, dat er een sabbatmillennium zou aanbreken waarin ‘alle dingen voltooid zijn’.

Als de auteur (‘pseudo-Barnabas’ genoemd door geleerden) dit schreef in 115 n.Chr. dan was hij vrijwel zeker een tijdgenoot van Johannes, die rond 100 n.Chr. overleed. Het boek Openbaringen werd pas geschreven in 96 n.Chr. Het is onwaarschijnlijk dat de auteur het oneens was met de interpretatie van Johannes over het boek Openbaringen.

Zo zien wij ook in de geschriften van Papias (70-155 n.Chr.), een discipel van Johannes, dezelfde opvatting. Papias was één van de laatste Hebreeuwse leider binnen de Kerk. Wij kennen zijn opvatting uit Fragment IX, geciteerd door Anastasius Sinaita:

“Rekening houdend met Papias van Hiërapolis, de illustere, een discipel van de apostel die leunde op de boezem van Christus, en van Clements, en van Pantaenus, de priester van (de Kerk) van de Alexandrijnen, en de wijze Ammonius, de oude en eerste uitleggers, die met elkaar overeenstemden en die het werk van de zes dagen begrepen als verwijzing naar Christus en de gehele Kerk.”

Er bestaat een hele lijst met illustere Kerkleiders, waarvan gezegd wordt dat zij, voor het midden van de tweede eeuw, overeenstemden met het idee van het grote sabbatmillennium. Zelf vind ik het tragisch dat deze overtuiging de allegorische opvatting van de latere Griekse Kerk niet heeft overleefd. Het lijkt erop dat de opvatting van het millennium samen met de Hebreeuwse christenen is gestorven.

Maar de verschuiving van denkwijze was onvermijdelijk toen de apostelen samen met hun verwante discipelen, die hen persoonlijk kenden, stierven. Het was niet de Kerk die heidens werd door de bekeerde Grieken, zoals sommigen leren, maar eerder dat de culturele achtergronden, waarden en manier van denken binnen een eeuw veranderden van het Hebreeuws naar het Grieks. Dit had niet zozeer invloed op de gehele Schrift, maar meer op de interpretatie van de Schrift, of eerder hun methode van interpreteren, die bijna onmerkbaar verschoof van geestelijk naar allegorisch.

In die tijd was deze verschuiving ontworpen om de Grieken in te winnen door de Schrift uit te leggen op hun eigen niveau. Maar hierdoor verloren ze iets in de vertaling. Ik denk dat we de Griekse behoefte om alles te allegorisch voor te stellen moeten loslaten, en dat we terug moeten gaan naar de gedachten, woorden en intentie van de Hebreeuwse profeten, zoals deze worden geïnterpreteerd door de schrijvers van het Nieuwe Testament, die allemaal Hebreeuws waren, met uitzondering van Lukas. Toch was Lukas zelf de biograaf van de apostel Paulus en er bestaat geen twijfel over dat hij zijn overtuiging adopteerde inzake alle belangrijke kwesties.

DE GRIEKSE GEDACHTEGANG VERVANGT DE HEBREEUWSE GEDACHTEGANG

De leer over het duizendjarig rijk kwam voort uit de Hebreeuwse gedachtegang, dat gebaseerd was op de historiciteit van het Oude Testament. Vanwege deze reden kwam het epistel van Barnabas later onder vuur te liggen door hen die de Griekse (Alexandrijnse) methode van Bijbelse interpretatie prefereerden. De Katholieke Encyclopedie Vol. X (1911 ed.) zegt over ‘millennium’,

“De machtigste tegenstander van het chiliasme was Origenes van Alexandrië. Vanwege zijn kijk op het neoplatonisme waarop zijn leringen waren gefundeerd en zijn spirituele allegorische methode van Schriftverklaring kon hij niet aarden met de chiliasten. Hij streed hier nadrukkelijk tegen en dankzij zijn grote invloed die zijn geschriften uitoefenden op kerkelijke theologie, voornamelijk in de oriëntaalse landen, verdween het chiliasme geleidelijk uit de opvattingen van de oriëntaalse christenen.”

“Sint Augustinus hing uiteindelijk de overtuiging aan dat er geen millennium zal aanbreken… In hetzelfde boek (De Civitate Dei) geeft hij een allegorische verklaring over hoofdstuk 20 van Openbaringen. De eerste opstanding waarover dit hoofdstuk spreekt refereert aan de geestelijke wedergeboorte door de doop, aldus Augustinus. De sabbat van duizend jaar, na de geschiedenis van zesduizend jaar is de volheid van het eeuwige leven; oftewel, met andere woorden, het getal duizend drukt de volmaaktheid uit, en de laatste tijdruimte van duizend jaar moet verstaan worden als refererend aan het einde van de wereld…”

“Deze uitleg van de illustere Doctor werd geadopteerd door succesvolle westerse theologen, en vervolgens kreeg het chiliasme in haar oorspronkelijke vorm geen steun meer. Het protestantisme van de zestiende eeuw luidde een nieuw tijdperk aan van chiliastische leringen. Protestantse fanatici van eerdere jaren, voornamelijk de wederdopers, geloofden in een nieuw gouden tijdperk onder de scepter van Christus, dat na de omverwerping van het pausdom en de seculiere rijken zou aanbreken.”

We zien dus dat de spirituele allegorische interpretatie van de Schrift, opkomende vanuit Alexandrië, gepopulariseerd werd door Origenes. Hij deed vaak onrecht aan het Oude Testament door dit allegorisch uit te leggen. De Alexandrijnse opvatting was, zoals de Hebreeërs dit zagen, van weinig nut voor de geschiedenis. De gehele Griekse religieuze mythologische cultuur had de gedachtegang en de kijk op de samenleving al zo gevormd, dat wanneer enigen van hen christen werden zij dit importeerden binnen het christendom.

De Griekse religie was grotendeels gebaseerd op mythen. Dit waren in plaats van historische, allegorische verhalen. Dus om de Grieken te bekeren tot het christendom adopteerden sommige leraren de Griekse allegorische gedachtegang om het zodoende meer aannemelijk te maken voor hen. Maar historisch gezien was Johannes een Hebreeër en had hij dus een Hebreeuwse gedachtegang. De Hebreeërs gebruikte de allegorieën en gelijkenissen wel, maar de waarheid van de Schrift was geworteld in de geschiedenis.

Adam en Eva waren echte mensen. Abraham, Isaak en Jakob hadden echt geleefd en hun verhalen zijn niet alleen allegorisch. In feite zijn hun verhalen historische allegorieën. Hun verhalen hadden een profetische betekenis. Abraham had echt twee vrouwen: Hagar en Sara. Zij waren allegorieën van het Oude en Nieuwe Verbond, zoals Paulus dit verwoord in Gal. 4:22-31, maar zij hebben werkelijk op aarde geleefd als historische mensen.

Het belangrijkste verschil tussen de Griekse en Hebreeuwse opvatting is dat de Grieken het nut niet inzagen van het feit dat de Bijbelse verhalen geworteld waren in de geschiedenis. Ze waren tevreden zo lang de verhalen maar een allegorische betekenis hadden. De Hebreeuwse opvatting zag in dat alle dingen geworteld waren in de geschiedenis, maar ze zagen ook in dat de geschiedenis een betekenis had en vaak een patroon zette voor toekomstige profetische vervulling.

Het is ironisch dat de Roomse Kerk Origenes van Alexandrië verstoten heeft in het jaar 400 n.Chr. voor zijn leringen over universele verzoening, maar dat ze wel zijn methode van Schriftverklaring adopteerden. Op deze manier is de leer over de sabbatmillennium verloren gegaan. De Katholieke Encyclopedie zegt dat de Hebreeuwse opvatting nieuw leven werd ingeblazen door de protestanten in de zestiende eeuw. Toch bleven enkele non-katholieken de Hebreeuwse kijk op het millennium verwerpen ten gunste van de latere Griekse en Latijnse opvatting.

ANDERE PROFETISCHE PATRONEN

De tabernakel in de woestijn was in zijn eigenlijke opbouw ontworpen om een 2000 jarig Kerktijdperk aan te duiden, gevolgd door een 1000 jarige Koninkrijkstijdperk. De tabernakel was verdeeld in drie plaatsen: de buitenplaats, het Heilige en het Heilige der Heiligen. De buitenplaats stelt het Paastijdperk voor met haar Bronzen Bassin. Omdat het geen dak had kon niemand de buitenplaats meten zoals wij de binnenplaats of de ontmoetingsplaats kunnen meten. Toch beeldt de buitenplaats de era (tijdsperiode) van het Oude Testament uit.

De tent zelf (de binnenplaats), het Heilige, beeldt het Pinkstertijdperk uit en was 2000 kubieke meter (10 x 20 x 10 kubieke meter). Het Heilige der Heilige beeldt het Loofhuttentijdperk uit en meet 1000 kubieke meter (10 x 10 x 10 kubieke meter). Om als mens tot God te komen was de tabernakel gebouwd om de weg naar God uit te beelden, en zelfs de ruimteafmetingen portretteren de tijdsduur van Pinksteren en Loofhutten.

Degenen die leren dat er geen tijdperk van 1000 jaar zal aanbreken waarin Christus zal regeren veronderstellen dat we alle spirituele macht en wijsheid hebben om de aarde NU te regeren. Deze opvatting neemt niet in overweging dat Pinksteren ons alleen een onderpand van de Geest geeft (2 Kor. 1:22; 5:5; en Ef. 1:13-14). Ze zien niet dat het Koninkrijk van God is gemanifesteerd in niveaus. Ze begrijpen de beperkingen van de zalving van Pinksteren niet. Christenen kunnen niet volledig regeren op aarde onder de zalving van Pasen, noch onder de zalving van Pinksteren. Alleen een Loofhuttenzalving is genoeg om ons volledig te manifesteren als kinderen van God.

In andere woorden, iemand krijgt een Paaszalving van God als hij wordt gerechtvaardigd door geloof in het bloed van het Lam, maar hiermee krijgt hij niet persoonlijk de volheid van de Geest. Wanneer een mens de Geest van God ontvangt door de zalving van Pinksteren, ontvangt hij een overvloedige zalving, maar dit is toch slechts een onderpand en hierdoor zal hij nog steeds onvolmaakt zijn waardoor hij tekort schiet voor de heerlijkheid van God. Pas als God zijn Geest volledig op ons uitschenkt door de vervulling van Loofhutten zullen we de volmaaktheid en onsterfelijkheid vinden die we zoeken.

De eerste 2 feestdagen zijn vervuld op historische data volgens het plan van God. Niemand is het gelukt om permanent in een vervulling van een feestdag te komen voordat de vervulling historisch geschied was. Mozes heeft Loofhutten tijdelijk betreden toen hij terugkeerde van de berg met een verheerlijkt stralend gezicht (Exodus 34:29; en 2 Kor. 3:7), maar hij kon de verheerlijking niet permanent behouden, zo kon hij, noch de andere overwinnaars, niet tot volmaaktheid komen zonder het verenigde lichaam (Hebr. 11:40).

Zo zijn er meerdere bewijzen aan te voeren, naast bovenstaande bewijzen. Alleen vereisen deze bewijzen een diepgaande kennis van profetie die buiten het bereik van dit boek vallen. Daarom hopen wij dat deze enkele woorden voor nu zullen volstaan voor ten minste de meerderheid van de lezers.

DE TWEE OPSTANDINGEN

De eerste opstanding is beperkt tot gelovigen, want Op. 20:6 zegt: “Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding.” De allegorist leerde later dat ‘opstanding’ een equivalent was van redding, en zij vergeestelijkten de opstanding tot de betekenis dat iemand die dood is in overtredingen en zonden en nu is ingegaan in het leven van Jezus Christus.

Hoewel dit zeker een geldige toepassing op het principe is gaat het in tegen de algemene Hebreeuwse gedachtegang en tegen de verhandeling van de apostel Paulus over de opstanding in 1 Kor. 15. Paulus mag dan het idee van opstanding toepassen op iemands huidige staat in Christus, maar nergens DEFINIEERT hij de opstanding op een dergelijk gelimiteerde manier. Als ex-farizeeër was hij in feite zeer bekend met de controverse. Zonder twijfel heeft hij vele malen met de sadduceeën gediscussieerd over een letterlijke, fysieke opstanding. Job 19:25, 26 zegt,

“Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen. 26 Hoezeer mijn huid ook is geschonden, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.”

Daniël 12:2 zegt,

“Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig (olam) te leven, anderen om voor eeuwig (olam) te worden veracht en verafschuwd.”

Deze verzen vormen de Hebreeuws-farizese leer, waarin Paulus onderwezen was. Als Paulus had afgeweken van deze opvatting, dan zou hij dit ons zeker duidelijk hebben gemaakt in 1 Korintiërs 15. Maar er is geen spoor van afwijking te vinden. In feite bewijst hij onze eigen opstanding door het voorbeeld van Jezus Christus te geven. De enige zogenaamde christenen binnen de vroege Kerk die betoogden tegen de fysieke dood en opstanding van Jezus waren de gnostici.

Johannes was bijzonder aangeslagen door gnostische leringen. Nergens in zijn geschriften geeft Johannes aan dat hij is afgeweken van het Hebreeuwse idee van opstanding. Daarom is het adopteren van de Griekse kijk op de opstanding en het herdefiniëren, zoals sommigen hebben gedaan na de dood van de apostelen, in mijn ogen niet geloofwaardig of aannemelijk.

De eerste opstanding is een gemeenschappelijke gebeurtenis en geen persoonlijke. Een gemeenschappelijke gebeurtenis is zoiets als de Pinksterdag in Handelingen 2, in tegenstelling tot een persoonlijke gebeurtenis zoals de dag dat Cornelis en zijn vrienden Pinksteren voor zichzelf ervoeren. Dit zijn twee verschillende gebeurtenissen. Zo behandeld Johannes de eerste opstanding ook als een gemeenschappelijke gebeurtenis en niet als een persoonlijke.

Dit eerste opstanding is voorbehouden voor de overwinnaars die “duizend jaar lang met Hem regeren.” Het gaat niet om het gelovig worden, maar om de beloning voor het zijn van een overwinnaar. Het gaat niet om het burgerschap van het Koninkrijk, maar over toebedeling van heerschappij.

Johannes zegt dat na de duizend jaar van de eerste opstanding het Oordeel van de Grote Witte Troon aanvangt, waarbij ALLE (overgebleven) doden zullen opstaan, zowel de gelovigen als ongelovigen. Dit kan bewezen worden door de woorden van Jezus in Joh. 5:28, 29, waar hij over deze algemene opstanding praat:

“Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen 29 en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden.”

De Statenvertaling spreekt van ‘de ure komt’ (vs. 28). Merk op dat dit een enkel moment is, één ure, en houdt dus in dat zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen op hetzelfde moment zullen opstaan. Dit gaat heel duidelijk over de tweede opstanding waar IEDEREEN die nog in de graven zijn (vs. 28, Statenvertaling) op zullen staan om geoordeeld te worden.

Merk ook op dat er op dat moment ook gelovigen zullen opstaan, samen met de ongelovigen. Jezus zegt dat hen het ‘leven’ gegeven zal worden, terwijl de onrechtvaardigen veroordeeld zullen worden. Vandaag de dag leren velen dat alle gelovigen op zullen staan bij de eerste opstanding; en dat alle ongelovigen op zullen staan bij de opstanding daarna. Als u de woorden van Jezus gelooft kan dit gewoonweg niet waar zijn.

Paulus biedt de leer over de gelijktijdige opstanding van zowel de goeden als de slechten een tweede getuige. Hij zegt in Hand. 24:14 en 15:

“Maar wel wil ik hier verklaren dat ik overeenkomstig de Weg, die zij een sekte noemen, de God van onze voorouders dien en dat ik geloof in alles wat in de Wet en de Profeten geschreven staat; 15 en evenals mijn aanklagers hoop en verwacht ik dat God zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen uit de dood zal doen opstaan.”

Dit kan alleen maar refereren aan de tweede opstanding en niet aan de eerste, want alleen de mensen die ‘gelukkig en heilig’ zijn staan de eerste keer op. Vervolgens moeten we dus concluderen dat NIET ALLE christenen op zullen staan bij de eerste opstanding.

Sommigen zullen in hun graf moeten blijven tot de tweede opstanding, anders zouden de verklaringen van Jezus en Paulus incorrect zijn.

Als we gedetailleerder naar de beschrijving van de tweede opstanding gaan kijken in Openbaringen 20 zullen we hints vinden over het feit dat de gelovigen op dat moment ook geoordeeld zullen worden. Het feit dat het boek van het leven leven (20:12) toont dit aan. Waarom moet dit boek geopend worden als er niemand is die er in opgeschreven staat. Verder ondersteund vers 15 dit krachtig wanneer Johannes het volgende zegt,

“Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.”

Overduidelijk betekent dit dat VELEN GEVONDEN ZULLEN WORDEN die in dat boek opgeschreven staan. En degene die erin staan zullen dan het leven krijgen zoals Jezus gezegd heeft.

Wie zijn deze gelovigen? Waarom moeten ze geoordeeld worden? Ik geloof dat de sleutel op deze vraag gevonden kan worden in de onderwijzing van Jezus in Lukas 12:35–50. Jezus spreekt over de “betrouwbare en verstandige rentmeester die de heer zal aanstellen over zijn knechten om hun op tijd het eten te geven dat hun toekomt” (12:42). Jezus zegt dat deze mensen heerschappij en verantwoordelijkheid gegeven wordt. Dit zegt in essentie hetzelfde als Openbaringen 20:4, waar zij bij de eerste opstanding “tot leven komen, duizend jaar lang samen met Christus zullen heersen.”

Er is daarentegen nog een andere rentmeester, of ‘dienaar’. Onthoudt dat hij nog steeds Gods dienaar genoemd wordt, een gelovige, maar dat hij niet ‘gelukkig en heilig’ is, wat dit ook betekenen mag. Jezus gaat verder in vers 45 van Lukas 12:

“Maar als die dienaar bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en als hij de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zich volvreet en zich bedrinkt, 46 dan komt de heer van die dienaar op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, en dan zal hij hem straffen (dichotomeo, ‘opsnijden door vele keren te slaan) met zijn zwaard en hem het lot (meros, “portie, gedeelte dat te wijten is, deel”) van de trouwelozen doen ondergaan.”

In andere woorden, deze ontheiligde dienaren, die autoriteit gekregen hadden over andere dienaren, maar die hun positie misbruikten krijgen GEEN autoriteit in de toekomende eeuw. In plaats daarvan zullen zij geslagen worden volgens de wet die gevonden kan worden in Deuteronomium 25. Verder zegt Jezus dat ze een gedeelte, of toewijzing zullen krijgen “met de trouwelozen (ongelovigen)”, dit is OP HETZELDE MOMENT (TEGELIJKERTIJD) wanneer de ongelovigen hun deel (lot) krijgen.

Dit betekent niet dat hun deel hetzelfde is als het deel van de ongelovigen. Jezus legt dit uit in de volgende verzen waar hij vertelt dat de ontheiligde dienaar weinig of veel slagen zal krijgen, overeenkomstig zijn daden. Dit wil NIET zeggen dat hij geclassificeerd wordt als ongelovige of dat hij zijn toegewezen deel zal verliezen (de toegewezen erfenis). Dit wil slechts zeggen dat hij niet zal delen in het lot van de opstanding van de rechtvaardigen. Hij zal zijn deel pas samen met de ongelovigen bij het Oordeel van de Grote Witte Troon krijgen.

Onthoud dat in Gods wet ‘slagen' een straf was die meteen werd ondergaan onder het oog van de rechter met een maximum van 40 slagen (Deut. 25:3). Jezus gebruikte de term ‘veel slagen' en ‘weinig slagen' om een heftige, maar snelle vorm van boetedoening aan te duiden, zoals de wet dit eist.

Ze zullen niet worden geworpen in ‘vuurpoel', dat aangehaald wordt in Openbaring 20, gedurende dat lange, laatste tijdperk, want dat is het lot van de verloren mensen. Niettemin zullen zulke gelovigen geoordeeld worden op een mildere manier. Ik geloof dat dit het oordeel is wat Paulus aanhaalt in 1 Korintiërs 3:15,

“Want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf. 12 Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, 13 van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. 14 Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. 15 Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.”

Ik geloof niet dat dit vuur letterlijk is. Toch zullen ze geoordeeld worden naar Gods vurige wet, wat in dit geval tot maximaal veertig kan oplopen. Christenen die Jezus Christus als fundament hebben, maar die op dit fundament bouwen met hout, hooi en stro zullen verlies lijden. Zij zullen verantwoordelijk worden gehouden voor hun werken, de dingen die ze hebben opgebouwd door het geloof in Jezus Christus. Hun WERKEN en hun ontsierend KARAKTER zullen door het vuur beproefd worden en zullen verbranden. Dit zal henzelf niet vernietigen, maar zal hen zuiveren door kastijding om hen zodoende klaar te maken voor het Koninkrijk van God.

De ongelovigen zullen daarentegen in de vuurpoel geworpen worden (Openbaring 20:14 en 15). Het is de vraag of deze vuurpoel wel of niet letterlijk genomen moet worden en verschilt met het andere vuur waardoor sommige gelovigen door beproefd worden. Dit onderwerp wordt in het volgende hoofdstuk behandeld.

HOOFDSTUK 2

De Zon van Gerechtigheid of het Vuur van God

Het Oude Testament sluit af met een profetie over de komst van een nieuwe dag, een geweldig tijdperk waarin gerechtigheid tot bloei zal komen. Maleachi 3:20 vertelt,

“Maar voor jullie die ontzag voor Mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels (of, ‘zonstralen’) draagt.”

Maleachi vergelijkt de komst van Christus met het aanbreken van een nieuwe dag, wat bekend staat bij de Hebreeën als het Messiaanse of Konings Tijdperk. De wachters van de nacht zien de Morgenster als eerste, gevolgd door de eerste stralen van de zon als de dag aanbreekt. In Psalm 19:2 zegt David, “De hemel verhaalt van Gods majesteit”. Hij beschrijft ook de komst van Christus (de Zon) als “een jonge bruidegom die het bruidsbed verlaat”.

Veel van Gods openbaringen openbaart God door de natuur. Jezus maakte het Koninkrijk vaak openbaar door het vertellen van gelijkenissen, waarbij Hij landbouw, wijnvelden en astronomie gebruikte om het Koninkrijk af te schilderen. Dit is één van Gods favoriete methoden om zijn plan te openbaren. Daarom is het geen verrassing dat de zonsopgang een belangrijke sleutel is om de wederkomst te begrijpen.

Het LICHT is misschien wel het meest duidelijkste en belangrijkste eigenschap van de zon. Deze term heeft een prominente plaats in de Bijbel, omdat Jezus “het ware licht, dat ieder mens verlicht” is (Johannes 1:9). De meeste mensen hebben hier al veel onderwijs over gehad, daarom behandelen we een andere thema – VUUR.

GODS VUUR BRENGT GELOOF IN PLAATS VAN ANGST

Toen God Zichzelf openbaarde aan het volk Israël op de berg Sinai sprak Hij tot hen met een stem die zich uitte als een verterend vuur. Deuteronomium 4 vertelt ons,

“33 Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd?... 36 Vanuit de hemel heeft hij zijn stem laten horen om u op te voeden, en op aarde heeft hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt.”

We weten dat geloof wordt bewerkstelligd door het horen van het woord (Rom. 10:17). Toch wordt er veel Bijbelverkondiging gebruikt om mensen BANG te maken voor het vuur van God door hel en verdoemenis te verkondiging. Velen voelen het als christenplicht om mensen door angst te bekeren tot het Koninkrijk van God, vandaar dat ze de meest verschrikkelijke plaats tot in detail bedenken en vormen in hun gedachte. Toch, wanneer God Zichzelf wil openbaren aan Israël, doet Hij dit met vuur, niet om hen bang te maken, maar om hun geloof te testen. Dit kunnen we lezen in Exodus 20:18–21,

“Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.’ 20 Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.’ 21 En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.”

God SPRAK door het vuur. Paulus zegt dat geloof wordt bewerkstelligd door het luisteren naar Zijn Stem. De openbaring van God maakte Israël angstig en bang, waardoor ze zich terugtrokken van Zijn aanwezigheid. Mozes zegt dat God zich voordeed op die manier om het volk te beproeven, om hun geloof te testen. Het volk had geen echt geloof nodig als God hen had geroepen door middel van een rozentuin, omdat ze hierdoor hun vleselijke angst niet konden afleggen. God maakt het ons moeilijk met als doel om te testen of we echt op Hem vertrouwen, niet met het doel om ons te vernietigen.

Echt goddelijke ontzag onderscheid zich van vleselijk (menselijk) ontzag. Goddelijk ontzag is het vertrouwen op God in zaken van leven en dood. Dit ontzag voor God was vereist voor Israël, maar ook voor ons. Daarom zei Mozes tegen het volk: “Wees niet bang,” waarna het leek dat hij zichzelf tegensprak toen hij vertelde dat God was gekomen om hen te testen: “God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt” (Ex. 20:20). Dit zijn twee verschillende aspecten van ontzag. De eerste zorgt ervoor dat we WEG van God rennen;

de tweede zorgt ervoor dat we NAAR God TOE rennen. Het Nieuwe Testament leert ons dit: “De liefde laat geen ruimte voor angst” (1 Joh. 4:18). Dit zegt mij dat echt Goddelijk ontzag, in zijn volheid, eigenlijk volmaakte LIEFDE is.

Het vuur van God zou in ons allemaal moeten wonen als een brandende liefde en een vurig verlangen om Hem te dienen. Mozes had dit vuur in zijn hart, wat we zo dadelijk aantonen, en hierdoor was hij in staat om voor God te verschijnen met ontzag.

Als het vuur van God ons bang maakt en ons geloof niet versterkt dan klopt er iets niet. Dit kan liggen in ons eigen hart of in het beeld dat we van God hebben. Misschien wordt God niet goed afgeschilderd. Misschien dat velen van ons het vuur niet goed begrijpen waardoor we (vaak onopzettelijk) plaats geven voor vleselijke angst. Angst is vaak zo ingeworteld bij veel christenen. Het overwinnende leven en het onomstotelijke geloof in God is vrij zeldzaam en ik durf te zeggen dat het zelfs onmogelijk is te verkrijgen tenzij je de soevereiniteit van God en Zijn liefde voor ons mensen kent en begrijpt.

Het is ons doel met deze uitleg om te proberen geloof te bewerkstelligen door het vertellen van de waarheid over het vuur van God, zodat u het Woord van God mag horen door het vuur heen.

VUUR EN DE GODDELIJKE WET

Deuteronomium 33 vertelt over de zegen die Mozes uitsprak over Israël voordat hij stierf. In deze zegen lezen we het volgende, Deut. 33:2 en 3,

“‘De HEER verscheen vanaf de Sinai, zijn licht bescheen hen vanuit Seïr, met luister kwam hij van de bergen van Paran. Talloze engelen vergezelden hem, bliksem (esh-dath, “vuur-wet”) flitste uit zijn rechterhand. 3 Hij kreeg Israëls stammen lief, hij hield al de zijnen in zijn hand. Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing.”

De Nieuwe Bijbel Vertaling (hierboven) doet geen recht aan vers 2 met de zinsnede: “bliksem flitste uit Zijn rechterhand”. De Statenvertaling is nauwkeuriger in dit geval, waar het vertelt: “tot (of in) Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.” De Hebreeuwse term is esh, “vuur”, en dath, “wet”. Dus de tekst is er voor ons om te laten zien dat de goddelijke wet als een vuur is dat God aan de mensen gaf.

Verder zegt Mozes in de volgende verzen dat Hij allen (dit zijn de heiligen, volgens de Statenvertaling) in Zijn hand hield. Als de vurige wet in Gods hand is evenals de heiligen, betekent dit dat de heiligen de goddelijke natuur van Zijn heilige vuur is gegeven. Dit openbaart zich omdat ze gezeten zijn aan Zijn voeten en Zijn onderwijzing (Zijn woorden) ontvingen. Ze geloofden niet alleen het woord, maar ze WAREN het woord, net zoals Jezus Christus zelf het Woord voorstelt (Joh. 1:1). Deze profetie is opmerkelijk want het vertelt ons dat de ultieme zegen van God de goddelijke natuur is, afgeschilderd als vuur en verleend door het Woord van God. De profeet Jesaja legt uit wat Mozes schreef, in Jesaja 33:14 en 15,

“zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? 15 Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;”

Alleen de rechtvaardigen kunnen leven in de goddelijke aanwezigheid en deelnemen aan de goddelijke natuur. Dit is helder geïllustreerd in het verhaal van Daniels drie vrienden die in de vurige oven werden gegooid. Het vuur kon hen niet schenden, omdat het oordeel van de wet geen autoriteit (gezag) heeft over de rechtvaardigen. Hun karakter was in harmonie met het goddelijke vuur, waardoor het aardse vuur geen macht over hen had.

Toen Israël onder aan de berg stond waren ze gerechtvaardigd door het bloed van het lam dat ze zeven weken eerder hadden geslacht (toen ze uit Egypte vertrokken). Toch waren ze hierdoor nog niet klaar voor het volgende niveau om Gods Geest te ervaren onder aan de Horeb. Deze ontmoeting met God werd later gevierd als het Pinksterfeest.

Hoewel ze gerechtvaardigd waren door het geloof konden ze toch geen Pinksteren ervaren omdat ze bang waren voor de stem van God. Daarom duurde het nog 1500 jaar voordat Pinksteren vervuld werd, wat we kunnen lezen in het tweede hoofdstuk van Handelingen.

Het punt is dat “de kerk in de woestijn” onder Mozes (Hand. 7:38) christenen typeert die, ondanks dat ze gerechtvaardigd zijn door het geloof, niet een niveau verder willen en kunnen komen om God te ervaren. Pinksteren is een ontmoeting met het goddelijke vuur, want het is gedoopt worden met vuur, ingesteld om mensen te zuiveren door het vernietigen van het vlees. Het is niet ingesteld om de mens zelf te vernietigen, maar om mensen vrij te maken van hun gevangenschap met hun vleselijke verlangens. Dit vuur verbrand ons vlees en dood ons. Maar we moeten niet bang zijn voor deze dood, maar het omarmen, met de wetenschap dat God Liefde is en dat Hij ons voorbereid op een intensere relatie met Hem.

De profeet Jeremia schrijft in 23:29,

“Is mijn woord niet als een vuur, als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER.”

Het Woord van God, of eigenlijk Zijn wet, is als een vuur omdat het het karakter en natuur van Zijn Schrijver onthuld. Het doel van de wet is om zonden te definiëren (1 Joh. 3:4). Anders, zo zegt Paulus, zouden we niet weten dat begeren zonde is, maar de wet vertelt het ons nu: “Zet u zinnen niet op wat van een ander is” (Rom. 7:7).

We zijn bang voor het horen van het vurige Woord van God omdat het onze zonden, die in ons hart leeft, bloot legt. Het zijn zonden die we heel ons leven al zo wanhopig proberen te verbergen. Al onze verdedigingsmechanismen, zelfrechtvaardiging, onze redeneringen, onze beschuldigingen naar andere mensen toe, onze blindheid en onze onwil om ons hart zo te willen zien zoals God het ziet – al de geheimen van ons hart worden blootgelegd als we het Woord van God horen, dat door het vuur heen spreekt.

Natuurlijk kan dit angstaanjagend zijn. De Tien Geboden beschrijven de algemene wetsprincipes en de statuten bepalen hoe die principes van toepassing zijn. De straffen van de wet zijn de gevolgen van elke overtreding. Ze zijn ontworpen om de wet te herstellen door schuldvereffening, indien mogelijk, en om de zondaar te herstellen.

Als we christen zijn geworden komen we te staan voor Gods gerechtigheid als zondaars met berouw. We aanvaarden de dood van Jezus als schuldbetaling voor al onze zonden – die van het verleden, het heden en de toekomst. Vanaf dat moment krijgen we een nieuwe relatie met de wet. Vroeger waren we bang voor het oordeel; maar nu leggen we ons vrijwillig in het oordeel en onderwijzing van de wet, zodat we leren wat zonde is en hoe we ons kunnen afkeren van zonde. Zoals Jesaja zegt; om gerechtigheid te leren. Paulus zegt: “want juist de wet leert ons de zonde kennen” (Rom.3:20). Hoe kunnen we zonden herkennen en hier iets aan doen, zonder te we weten wat zondigen betekent? En hoe weten we wat zonden zijn zonder de wet hebben?

Dus deze nieuwe relatie en kijk op de wet is om ons gehoorzaamheid of heiliging te leren. Het komt NA en VANWEGE gerechtigheid. We meten onszelf aan de vurige wet en Jezus leidt ons door de vurige omstandigheden, door te dopen met vuur, en God vernieuwt ons als goud. We worden door Hem aangetrokken als Hij spreekt tot ons door het vuur, zoals Hij vroeger tot Israël sprak.

Dit is afschrikwekkend voor ons vlees zoals dat ooit afschrikwekkend was voor Israël bij Sinai. Het vuur activeert onze innerlijke angst, dat altijd samenhangt met de zonde in ons hart. Ook vandaag rennen mensen weg van de vurige wet. Ze zijn nog steeds bang voor de wet en uit deze angst groeit een wetteloosheid (zich verzetten tegen de wet). Dit zijn degenen die zeggen: “Wij staan niet meer onder de wet, maar onder genade”. Wat ze eigenlijk bedoelen is: “We houden ons aan de wetten waarmee we het eens zijn, zoals het niet moorden, roven (diefstal) en overspel plegen; maar als iemand een wet aandraagt waarmee we het niet eens zijn of we niet na kunnen leven – staan we niet

meer onder de wet, maar onder genade”.

Veel mensen vatten Paulus’ uitleg in Romeinen 6:14 verkeerd op, waar hij zegt: “u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade.” Als iemand in de Bijbel door de wet werd veroordeeld om zijn zonde, betekende dit dat hij ‘onder de wet’ stond totdat zijn schuld was afbetaald. Bijvoorbeeld als iemand schuldig werd bevonden voor het stelen van €1.000, dan moest hij volgens de wet het dubbele terugbetalen aan zijn slachtoffer, dus €2.000. Als hij dit niet kon betalen dan moest hij door middel van werken (arbeid) zijn schuld aflossen. De man was ‘onder de wet’ gedurende de hoeveelheid tijd die er voor nodig om zijn schuld af te lossen. Als de schuld uiteindelijk was betaald kwam hij ‘onder de genade’, omdat zijn zonde nu geen heerschappij meer had over hem. Hij was

vergeven.

Paulus vertelt ons dat Jezus Christus de schuld voor onze zonden betaald heeft. Vandaar dat we niet meer onder de wet staan, maar onder genade. Onze zonde heeft geen heerschappij meer over ons. Maar betekent dit dat wij moeten en kunnen blijven zondigen? Natuurlijk niet! Zonde is wetteloosheid (1 Joh. 3:4). De wet vertelt ons wat zonde is. De wet is niet ingesteld om zondaren gerechtigheid te geven, dit kan de wet ook niet. De oplossing is niet om de wet af te schaffen en hierdoor zonde te legaliseren.

De oplossing is om Jezus’ bloed te gebruiken voor onze zonde, met het geloof dat Hij de gehele straf op de zonde heeft betaald. Dit brengt ons ‘onder genade’, zodat wij vrij zijn om God te dienen met gehoorzaamheid naar Zijn wet. We zijn gerechtvaardigd om gehoorzaamheid te leren naar de wil van God. De fundamentele openbaring van Gods wil kwam door Mozes in de goddelijke wet.

Er zijn bepaalde gedeelten van de wet, voornamelijk het bloedoffer en de rituelen in relatie tot de fysieke tempel en het Levitische priesterschap, die zijn veranderd in het Nieuwe Testament. Maar de principes blijven hetzelfde, alleen zijn ze nu in een andere vorm gegoten door het Pinkstertijdperk. Maar deze gedeelten gelden nog steeds; alleen is hun uiterlijke vorm veranderd. We hebben nog steeds een bloedoffer; Jezus was het ware Lam van God. We hebben nog steeds een tempel; wij (ons lichaam) zijn de tempel van God. We hebben nog steeds een priesterschap; alleen nu is het een Melchisedisch priesterschap. We hebben nog steeds een Hogepriester; en Hij leeft voor altijd.

Maar laat u niet wijsmaken dat de morele wetten niet meer gelden, zodat we wetteloos kunnen worden. Diefstal, moord en overspel zijn nog steeds zonden. Helaas bestuderen christenen zelden de wet van God, omdat hen verteld wordt dat deze niet meer geldt. Vandaar dat maar weinig mensen de straffen op de wet begrijpen. Dit is de meest ernstige en cruciale studie over het idee van het laatste oordeel van de ongelovigen bij de Grote Witte Troon. Zonder de straffen op de zonden te begrijpen kunnen we ook niet de aard (het nut) van de vuurpoel begrijpen. En de vuurpoel is het oordeel voor zondaren.

God zal de wereld oordelen naar Zijn vurige wet, want zo wordt alle zonde geoordeeld. Een studie over de wet zelf laat ons de ware bedoeling van het oordeel zien. Jesaja 26:9 zegt,

“Wanneer U (God) een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren.”

De straffen van de wet zijn passend en genezend. Ze zijn ontworpen om echte vergeving te schenken in plaats van een eeuwige staat van onvergefelijkheid te creëren. Het doel van het Loofhuttentijdperk is om de aarde een sabbatsrust te geven in het zevenduizendste jaar, zodat de mensen vrij zijn om Gods wegen te leren. We staan op het punt dat de tijd aanbreekt dat alle volken de verheffing (openbaring) van het Koninkrijk van God en de glorie zullen zien. Ze zullen de zegeningen zien van de inwoners van dit Koninkrijk en zullen verlangen om de wet te leren (Jes. 2:2-4). Ze zullen Jezus Christus accepteren als Koning van de Aarde en zo de hele aarde veranderen in een Verenigd Koninkrijk. Ze zullen niet uit angst vluchten voor Zijn oordelen; ze zullen de gerechtigheid en genade van Gods wet zien in tegenstelling tot de wetten van de mens, en zij zullen Hem prijzen om Zijn wonderlijke wijsheid.

DE DOOP VAN VUUR

De eerste en meest directe manier waarmee we Gods vuur kunnen ervaren is door de doop met vuur. Dit betekent niet dat we letterlijk onszelf moeten verbranden. Een vroegere Kerkleider van 1800 jaar geleden, Clement van Alexandrië (Origenes’ leraar) beschreef dit als volgt:

“ Het vuur wordt opgevat als een nuttige en machtige kracht, het vernietigd de basis en legt bloot (bewaart) wat goed is; daarom wordt dit vuur “wijs” genoemd door de Profeten… We zeggen dat het vuur niet ons vlees, maar onze zondige zielen zuivert, dus het is niet een alles verslindend (aards, natuurlijk) vuur, maar een ‘wijs vuur’ zoals we dat noemen. Een vuur dat de ziel ‘doorsteekt’ als het er doorheen brand” (Stromata VII, 2:5- 12).

Op een andere plek beschrijft Clement nogmaals deze vurige oordelen van God met als nut ‘reddend en discipline brengend’ te zijn, leidend tot bekering (Stromata VI, 6). Waar haalde hij en velen met hem deze wijsheid vandaan? Ze haalden het uit Gods Woord, en specifiek waar het spreekt over de doop van vuur. In Maleachi 3:2 en 3 staat,

“Wie zal die dag kunnen doorstaan? Wie zal overeind blijven wanneer hij verschijnt? Hij is als het vuur van een smid, als het loog van een wolwasser. 3 Hij zal zitting houden als iemand die zilver smelt en het zuivert; de zonen van Levi zal hij zuiveren en zeven als goud en zilver, en dan zullen ze op de juiste wijze offeren aan de HEER.”

Vierhonderd jaar na Maleachi werden deze woorden nogmaals opgeschreven, Johannes

de Doper sprak over Jezus in Matteüs 3:11, 12,

“Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.”

Jezus zelf zegt in Lukas 12:49,

“Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde!”

Er is niets bekend over Jezus dat Hij iedereen verbrandde met vuur toen Hij 2000 jaar kwam geleden. Hij beval geen vuur uit de hemel over zijn vijanden. Toch brandde zijn regering het kaf uit de mensen, duidelijk zichtbaar bij Zijn discipelen. Het was geen letterlijk vuur, maar een spiritueel vuur van het beproeven en testten van hun geloof.

Het was een gemeenschappelijke overtuiging in de vroege Kerk dat het dopen met vuur zich voordeed in twee verschillende tijdperken: (1) in de ‘hedendaagse tijd’, als we tot bekering komen, of onszelf schuldig erkennen voor God, om ons zo aan te passen aan Zijn Wil, zoals David deed; en (2) in de ‘toekomende tijd’, waar onze werken worden getest door het vuur (1 Kor. 3:12–15). Beide gevallen werden beschouwd als gedoopt worden met vuur. Degene die wenste om de tweede keer te ontlopen moest zich schikken aan de eerste keer. In elk geval, zo zei men, moeten we het Koninkrijk, of Paradijs, binnenkomen door middel van het vlammende zwaard van de engel die de

boom des levens bewaakt (Genesis 3:24).

Deze gedacht was niet nieuw, want alle mannen en vrouwen die God door het Oude Testament kende gingen door dezelfde smeltkroes van vuur. Jezus gaf te kennen dat dit vuur al was ontstoken. Het is de weg die God altijd gebruikt om Zijn mensen te reinigen door afval te scheiden van goud. Het is de manier die God gebruikt om het kaf van het koren te scheiden in ons hart. Duizenden jaren lang ging God om met Zijn mensen door middel van dit ‘vuur’. Dit deed Hij om twee redenen: (1) Om er voor te zorgen dat wij Hem leren kennen zoals Hij is, omdat Hij Zich openbaart door vuur; en (2) om ons gedienstig te maken.

We zijn allemaal geboren met ‘wanhopig slechte harten’. Het goud in ons hart is aanwezig, maar gemixt met onzuiverheden, het is niet duidelijk zichtbaar totdat Hij zich voordoet als de grote Smid. Hij doet onze harten in verschillende oplossingen (vloeistoffen) en begint met roeren in afwachting op de grote reactie. Als de tijd daar is breekt er opeens een tijd van crisis aan en mindere metalen kristalliseren en zinken naar de bodem of komen bovendrijven aan de oppervlakte, totdat uiteindelijk het fijne goudpoeder uit de oplossing verschijnt, klaar om het in het vuur te doen om het om te smelten tot een vaste klont.

Als mensen tegenslag ervaren gaan zij vaak naar een dominee om er achter te komen waarom God zulke afschuwelijke dingen bij hen laat gebeuren. Hierop krijgen ze veel verschillende reacties, maar vaak zal de dominee Gods werk rechtvaardigen. “Het is niet God, maar de duivel die u dit aandoet,” zeggen ze. Of ze zeggen dat God boos is op u, omdat u waarschijnlijk iets heel erg hebt gedaan en nu Gods wraak verdiend hebt (dit was wat één van Jobs vrienden dacht, maar hij bleek ongelijk te hebben).

Vaker dan gedacht is het doel van God om u te zuiveren. Het komt niet omdat u iets verkeerd hebt gedaan met als gevolg dat God u straft. Allemaal krijgen we onze beproevingen van tijd tot tijd. Dit komt omdat we allemaal een gemixt hart hebben, in die zin hebben we dus allemaal zonde in ons. Maar Hij stelt ons niet bloot aan Zijn vuur met als doel om ons te vernietigen, maar om ons te zuiveren en ons rechtvaardigheid te leren.

Uiteindelijk is Hij onze hemelse Vader. Hij is niet onvolmaakt vergeleken met aardse ouders, die vaak straffen in plaats van kastijden. Als zij mentaal instabiel zijn dan zijn er verhalen bekend dat ze kinderen blijven slaan tot levensbedreigende en dodelijke gevallen zich voordoen. Ik ken verhalen van mensen die kinderen hebben gebrand om ze gehoorzaamheid te leren. Maar zo is God niet. Gods oordeel doet zich voor als ‘genezing in Zijn vleugels’, niet om ons te roosteren totdat wij sterven, maar om ons beter (gezond) te maken van alle ziekten, met als grootste ziekte onze zondige ziel. Als wij deze kant van Gods aard niet kennen, dan kennen wij God eigenlijk helemaal niet zo goed.

HET VOORBEELD VAN MOZES

Mozes leerde direct van God hoe Hij Zijn mensen traint. Omstandigheden dwongen Mozes naar de ruwe wildernis, waar de zon van gerechtigheid op hem neersloeg, hem naar de hitte dreef en hem liet hongeren en dorsten in het genadeloze zand.

Mozes kreeg veertig jaar lang veel verschillende omstandigheden te verduren, waardoor hij leerde om op God te vertrouwen in ontelbare situaties. In omstandigheden waar hij op niemand terug kon vallen, behalve op één manier: IN GEBED. Toen Mozes na veertig jaar vanuit de wildernis tevoorschijn kwam was hij veranderd. Hij was veertig jaar lang gezuiverd, door het vurige zwaard van de engel, tot een man die in staat was een nieuwe natie te vormen en deze natie te leiden naar het Beloofde Land. Na veertig jaar training verschijnt God aan Mozes in een brandende braambos om hem op te roepen voor Zijn dienst. De brandende braambos die hij zag was zijn eigen hart – een natuurlijke aardse bos waar de aanwezigheid van God verbleef, maar niet verteerde. Een bos dat kon verblijven in een onophoudelijk vuur (Jesaja 33:14 en 15) en kon overleven.

Na Mozes was het vervolgens Israëls beurt om dezelfde lessen te leren in de ruwe wildernis waar Mozes God had ontmoet. God leidde hen eerst naar een val bij de Rode Zee. Hij stopte Israëls goud in een zuiverende oplossing (vloeistof) wat opeens een grote ANGST voor Farao opwekte. Hoe kon anders deze waardeloze onzuiverheid zich zo openbaren? God deed dit met opzet, niet om ze bang te maken, maar om hun angst aan het licht te brengen zodat dit kon worden vernietigd als afval door de machtige hand van God toen Hij een weg maakte door de Rode Zee.

God leidde hen door honger en dorst en door vijandelijke gebieden. Het was geen pretje op weg naar het Koninkrijk. Het was een harde training. Maar God wil geen verwende nesten als erfgenamen die zijn Koninkrijk mogen bewonen. In Hebreeën 12:6 staat,

“Want de Heer berispt wie hij liefheeft, straft elke zoon van wie hij houdt.”

Als iemand liever de gemakkelijke route neemt of met afgunst kijkt naar de ongelovigen waar het lijkt alsof het hun allemaal meezit, hou dan in gedachten dat dit een eigenschap (teken) is van de onwettige zoon en niet van een ware zoon van God (Hebr. 12:8).

Zijn zonen hebben een grote taak voor zich liggen met betrekking tot het regeren over steden, gebieden en volken. Hij zal deze taken geven aan degenen die geroepen worden. En degenen die Hij roept zal Hij trainen om hen de kwaliteiten te geven die vereist zijn voor dat regeringsschap.

Daarom komt Hij om Zijn kinderen te zuiveren. Hij is als een smid die zilver en goud omsmelt. Hij komt als de Zon van de gerechtigheid om ons innerlijk te genezen van de vervuiling van de wereld. Hij komt als een vuur om ons geloof te beproeven als goud (1 Petrus 1:7). Dit is de ware doop met vuur die hij al heeft ontstoken op aarde.

DE VURIGE WET VERBETERT ONS

Een vrachtwagenchauffeur moest onlangs een lading zink vervoeren. Hij had net zijn lading gelost met tomaten en negeerde het feit dat hij eerst zijn vrachtwagen moest schoonmaken voordat hij de zink ging inladen. Op zijn bestemming aangekomen opende hij de vrachtwagen met als gevolg dat de lading ontplofte. Niemand had hem vertelt dat het zuur in tomaten op deze manier reageert met zink.

Zink is één van de onzuiverheden die uit goud moet worden gehaald in het smeedproces. Het is een erg vluchtig metaal en als mineraal smaakt het ook erg bitter. Velen van ons hebben zink (bitterheid) in onze harten. Als we anderen tegen komen met ‘zuur’ gedrag dan exploderen we! Er zijn veel tomaten in de wereld die God gebruikt om ons zink uit ons goud te zuiveren.

Voor elk zinkprobleem is een passende tomaat. Dit is een spirituele wet. De afval moet worden verwijderd voordat ons hart gezuiverd kan worden door de doop met vuur in puur goud. Het zal niet vanzelf ons hart verlaten, het moet eerst openbaar worden, waarna het kristalliseert of boven komt drijven voordat Jezus het verwijderd uit ons leven. In Leviticus 19:17 en 18 staat,

“Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je 18 door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER.”

Deze onzuiverheid zal NIET automatisch uit ons hart vlieden op het moment dat we gerechtvaardigd zijn. Het is iets dat christenen leren als onderdeel van het heiligingproces. Er zijn vele onzuiverheden in ons hart, maar als we Hem volgen door het vuur en luisteren naar Zijn stem die ons roept, dan zal ons geloof groeien. We zullen binnenkort een enorme waarheid zien wat Paulus al beschreef in Romeinen 8:28,

“En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede. Het maakt niet uit hoe warm het vuur is of hoe troosteloos de wildernis om ons heen, de Zon van gerechtigheid zal opkomen met genezing in Zijn vleugels. De smeltkroes van God zal puur goud voortbrengen, want het Woord dat door het vuur gesproken word zal niet leeg terugkeren, maar zal zijn voorgenomen bedoeling volbrengen.”

De rechtvaardigheid van Gods wet eist compensatie en verbetering. Alle zonde wordt berekend als schuld dat betaald moet worden aan de slachtoffers van onrecht en de oordelen zijn altijd in verhouding tot de omvang van de misdaad (zonde). Voor diefstal moet de dief het slachtoffer het dubbele terug betalen. Voor een onopzettelijk ongeluk van iemands bezit moet de verantwoordelijke alle kosten betalen. Deze straffen compenseren niet alleen het slachtoffer, maar ook wordt de dieven geleerd dat het beter is te werken dan te stelen. Het leert achteloze mensen, zorgzaam te worden.

Gods wet is erop gebaseerd dat gerechtigheid nooit behaald kan worden totdat de volledig compensatie is afgelost aan alle slachtoffers. Tegenwoordig onder het menselijke verdraaide systeem sluiten we de misdadiger op en wordt het slachtoffer bijna nooit met juiste maat terugbetaald. Sterker nog, de straf die de misdadiger opgedragen krijgt past vaak helemaal niet bij zijn misdaad. Hij wordt niet gecorrigeerd (verbeterd), omdat zijn zonde niet wordt behandeld als een schuld ten opzichte van het slachtoffer, maar als schuld ten opzichte van de maatschappij. Hij lost geen schuld af. Hij rot alleen maar weg in de gevangenis met niets om handen, behalve dan op wraak belust te zijn en te leren van zijn maten hoe hij de volgende keer niet gepakt kan worden. Gerechtigheid wordt zelden behaald op deze manier.

De wetten van de mensheid zijn erop gebrand om te denken in termen van straffen die we de misdadiger opleggen, in plaats van recht te doen aan onrecht. En als dat niet blijkt te werken worden we boos en eisen we hogere straffen (strengere gevangenissen met meer verplichtingen). We hebben een strafmentaliteit, in plaats van de mentaliteit van Christus dat ons leid naar de wetenschap om met de juiste maat te meten om een schuld af te lossen dat recht doet aan onrecht en de wetteloosheid hersteld.

Dit betekent dat als wij een misdadiger voor vijf jaar naar de gevangenis sturen, hij ondanks zijn gevangenschap een dief blijft. Omdat hij zijn schuld niet heeft betaald. De Bijbel geeft geen voorziening voor een gevangenisstelsel, omdat dit niet bijdraagt aan het opnieuw herstellen van de wet. Het straft alleen maar de zondaar.

In gevallen waarin betalen voor de schuld onmogelijk is, gemeten aan de omvang van de misdaad, zal de doodstraf voltrokken worden. Zoals bij gevallen van moord met voorbedachten rade, waar de moordenaar onmogelijk het slachtoffer twee levens kan schenken. In geval van overspel kan de overspeler onmogelijk de wettelijke orde herstellen. Wat gedaan is kan niet ongedaan gemaakt worden behalve door de directe macht van God.

En in zulke gevallen heeft God aardse rechtbanken buitenspel gezet om Zijn laatste oordeel af te wachten aan het einde der tijden. De zondaar moest dood om zijn oordeel af te wachten.

Er zijn gevallen bekend waar God zich genadevol in mengde om zulke gevallen meteen te oordelen. In zulke gevallen hoefden de moordenaars niet dood, maar werden ze slechts overgeleverd in Gods handen. Hij is de hoogste en meest genadevolle Rechter. Kain werd bijvoorbeeld veroordeeld tot ballingschap. David, die Uria vermoorde, werd meteen geoordeeld door God. Hij paste de doop met vuur toe en de problemen kwamen boven drijven waarna God zijn hart kon zuiveren tot goud.

GRATIE DOOR COMPENSATIE

Degenen die hedendaags niet geloven in Jezus omdat ze nooit van Hem gehoord hebben of omdat ze Hem verwerpen moeten zelf betalen voor hun eigen zonden. Theodorus, bisschop van Mopsuestia (392–428 n.Chr.) schreef het volgende hierover:

“De ongelovigen (slechten) die hun hele leven kwade zaken hebben verricht zullen gestraft worden totdat ze hun daden inzien, door te blijven zondigen blijven ze ellendig. En als ze met deze bedoeling gezag voor God is bijgebracht en Hem aanzien met goede wil zullen ze de vreugde van genade verkrijgen. Anders zou Hij het volgende nooit gezegd hebben: “Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt” (Mat. 5:26), als we niet vrij zouden kunnen komen van onze straf, nadat wij adequaat hebben geleden voor de zonde; ook zou hij niet hebben gezegd: “Hij zal veel slagen te verduren krijgen” en “Hij zal weinig slagen te verduren krijgen” (Luk. 12:47, 48), tenzij de straffen die voor de zonde moeten worden gedragen een eind zullen hebben.” (Fragment IV).”

We geloven dat de bovenstaande verzen specifiek van toepassing zijn op christenen, en in dat opzicht verschillen wij van Theodorus, die de verzen toepaste op alle mensen. Toch is het verschil minuscuul, omdat we geloven dat het Gods wet is dat gerechtigheid bewerkstelligd. De wet vertelt ons dat ooit de ‘schuld’ van alle zonde is betaald aan alle slachtoffers van onrecht. Het zou dan een parodie zijn ten aanzien van de gerechtigheid om de misdadiger te blijven straffen.

Volledige compensatie zoals aangeduid door Gods wet is het middel waardoor velen zullen herstellen. Daarnaast zullen de enkelingen, die zich op Jezus beroepen als Degene die de volledige straf betaald heeft voor al hun zonden, het leven ontvangen tijdens de eerste opstanding zonder enige ‘zweepslagen’.

De zonde en godendiensten van het oude Israël is het hoofdthema van de Profeten in de Bijbel. Zij werd toen veroordeeld voor de zonde – niet om volledig vernietigd te worden, maar om haar vergeving voor haar zonden te laten vinden door de wet van compensatie.

Israëls onrechtvaardigheid kreeg een generaal pardon OMDAT God hen beloonde voor haar dubbele compensatie voor al haar zonden. Jesaja 40:1 en 2 vertelt ons,

“Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. 2 Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen.”

De Wet waarop dit is gebaseerd kunnen we terugvinden in de Statenvertaling in het boek Exodus 22:4,

“Indien de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven.”

De zonde van Babel en al de Dierenrijken van Daniels profetie worden op dezelfde manier behandeld. In Openbaringen 18: 4-6 schrijft Johannes het volgende:

“Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel zeggen: ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen. 5 Want haar zonden reiken tot aan de hemel en God zal haar onrecht vergelden. 6 Doe met haar wat zij met anderen deed, ja laat haar dubbel boeten. Laat haar het dubbele drinken uit de beker waaruit zij anderen te drinken gaf.”

Het is een principe van Gods wet dat wanneer volledige compensatie is betaald aan de slachtoffers van onrecht, de misdadiger (zondaar) is vergeven door de wet en de zonde vervolgens NIET MEER herinnerd wordt. Dat is de kracht van vergeving. Er zijn geen ‘excriminelen’ in een ware christelijke natie. Vroegere zonden zijn begraven in de diepste zee en totaal vergeten. Het opnieuw herstellen van een zondaar wordt verwezenlijkt door middel van de wet van compensatie (Exodus 22), wat de wet bevredigd en vervolgens vergeving en herstel eist.

Het is een algemene misvatting dat de wet geen zonde kan vergeven. Het feit is dat de wet juist WEL kan vergeven, op voorwaarde dat aan zijn eisen wordt tegemoet gekomen. De zwakheid van de wet is het onvermogen om ZONDAREN te vergeven. Het kan niet de schuldige ontzien.

Desondanks kan het offer voor de zonden de wet bevredigen. In het Oude Testament werd dit gedaan door bloedoffers van lammetjes en geiten totdat de tijd aanbrak waarbij het definitieve en permanente Offer van het Lam van God, Jezus Christus, werd verkregen. De wet kon zonde vergeven toen zijn eisen werden bevredigd.

Van het begin der tijden hebben de meeste mensen hun geloof (vertrouwen) niet gelegd in het bloed van het ware Lam van God. Daarom moeten ze de straf op de zonde zelf dragen, zoals de wet eist. Ze zullen daarom een maatregel voor vergeving ontvangen die de wet hen oplegt.

Maar vergeet niet dat bij de laatste berekening het volgende geldt; als we één wet overtreden, zijn we schuldig aan het overtreden van de gehele wet (Jakobus 2:10). Stelen is bijvoorbeeld ook begeren, wat ook (meer)godendienst is en dit is weer spiritueel overspel. Het is ook een gebrek aan liefde, wat uiteindelijk haat is en daarom moord (Matt. 5:22).

Vanwege het bovenstaande kan de zondaar onmogelijk de volledige straf dragen op de zonde, zelfs niet in het geringste geval. De wet eist nog steeds compensatie dat betaald moet worden aan zijn aardse slachtoffers, maar in de uiteindelijke betekenis kan de zondaar nooit zijn schuld terugbetalen aan God, zoals de wet dit eist. Hierom heeft de mensheid een nog een laatste Jubeljaar van de Schepping nodig aan het einde der tijden, waar alle schulden ten op zichtte van de wet worden teniet gedaan door pure genade.

HET RECHTVAARDIGE OORDEEL REINIGT DE ZONDAAR

Hoe meer iemand de wet van God bestudeerd, en dan voornamelijk de zingeving daarachter, hoe meer iemand overweldigd wordt door wijsheid en liefde van zijn Schrijver. Er is geen oordeel zonder genezing. De mensheid straft; God zuivert. Wanneer wij oordelen dan eisen we straffen (sancties) die onveranderlijk zijn, hetzij te zwaar of te soepel. Toen het grote Amerikaanse Gevangenis Experiment werd opgezet in 1796 met in Philadelphia de eerste gevangenis was het de bedoeling dat de misdadiger in volledige afzondering werd geplaatst (een isoleercel) met als enige mogelijkheid om de Bijbel te lezen en te bidden.

‘Verbeteringgestichten’ werden hierna ontworpen met een iets andere gedachtegang. Maar door gewoonweg te kijken naar het gevangeniswezen vandaag de dag kunnen we opmaken dat er niemand verbeterd wordt of berouw krijgt. En de criminelen die daar wel hun manieren veranderen doen dit ONDANKS het gevangenissysteem. Het is een moeizame weg, zeker als je weet dat ze nooit echt vergeven zullen worden en dat ze niet meer hetzelfde burgerschap kunnen verkrijgen met gelijke rechten en ook nog eens verhinderd zijn in het krijgen van een baan.

Dit is het vuur van de menselijke wraak. Het straft zonder de mogelijkheid gezuiverd te worden. We spenderen ontelbaar veel geld in het verkrijgen van recht (gerechtigheid) door alleen maar de zondaar helemaal of grotendeels te vernietigen.

Het oude Griekse woord voor vuur is pur. Het is de wortel van een aantal Engelse woorden die we tegenwoordig gebruiken, zoals PURGE (ZUIVERING) en PURIFY (ZUIVEREN). Dit is het enige en juiste wat Gods vuur doet omdat dit de aard van God en Zijn wet kenmerkt.

In het volgende hoofdstuk zullen we de aard (de betekenis) van de vuurpoel met brandende zwavel bestuderen (Openbaringen 20:15 en 21:8). We zullen zien dat Jezus al een vuur had ontstoken op aarde. Hij kwam als vuur om ons te dopen. Hij zal blijven komen met vuur voor iedereen die Hem wil volgen in de smeltkroes. En Hij zal nogmaals k omen als vuur. Vandaar dat wij zeggen: “Heer, komt haastig.”

HOOFDSTUK 3

De Vuurpoel of de Gesmolten Zee

In ons vorig hoofdstuk stelden wij vast dat het Vuur van God zowel Zijn goddelijke aard als wet (woord), die het tot uitdrukking laat komen, beschrijft. Wij zagen door Jesaja 26:9 het doel van de oordelen van God (d.w.z. de sancties voor de zonde) die de bewoners van de wereld naar een plaats brengt waar zij oprechtheid zouden leren. Wij zagen hoe het Vuur van God ons zuivert, omdat God zetelt als een Smid die goud en zilver zuivert (Maleachi 3:2 and 3).

Rechtvaardigheid wordt niet bevredigd tot er volledige compensatie aan alle slachtoffers van onrechtvaardigheid is betaald. Het is een slechte en jammerlijke zaak dat onze (burgerlijke) rechtbanken zelden de slachtoffers compenseren. Maar deze rechtbanken weerspiegelen uiteindelijk de wil van de mensen. Als de Kerk het ware gerechtelijke systeem van de God niet lang geleden had verlaten, zouden de rechtbanken dit ook niet hebben gedaan. De wetten en de overheid van een natie vormen nu eenmaal een weerspiegeling van de godsdienstige mening van de burgers, behalve in gevallen waarbij één natie een andere bezet.

Hoe kunnen we, in het geval van het gerechtelijke systeem, verwachten van de rechters die vonnissen voorschrijven die noch te inschikkelijk noch te hoog zijn om rechtvaardigheid teweeg te brengen, als de Kerk ook zelf een oneindige en afschuwelijke straf toeschrijft voor alle zondaren, ongeacht de aard van hun misdaad? De rechtbank wijst namelijk slechts op de waarden van de mensen.

Wat is erger, de straf om iemand voor vijf jaar in gevangenis te stoppen voor diefstal, of de straf hem in een martelkamer te stoppen voor eeuwig? De burgerlijke rechters weten vandaag de dag dat de straf, afhankelijk van de strengheid van de misdaad, zou moeten variëren. Maar toch wordt de Kerk nog te veel beïnvloed door de Romeinse logica dat het doel van straf gericht is om misdaad af te schrikken in plaats van om de rechtvaardigheid te herstellen. Met deze gedachte (insteek) is het logisch dat als de straffen streng genoeg zijn, de wet en orde zal worden gehandhaafd, en de mensen gehoorzaam zullen zijn.

Als zij studenten van de goddelijke wet waren geweest, zouden zij begrepen hebben dat het doel van het oordeel de wettige orde kan herstellen door het verloren bezit weer aan het slachtoffer terug te geven of te herstellen, en de zondaar hierdoor weer vergeven wordt.

HET OORDEEL VAN DE WITTE TROON

In Openbaringen 20:11-15 wordt ons een beschrijving gegeven van het Oordeel van de Witte Troon. Johannes zegt,

“Toen zag ik een grote witte troon en hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van hem weg en verdwenen in het niets. 12 Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden.”

Merk op dat al deze mensen op basis van hun daden worden geoordeeld. Wij worden gered door genade zonder onze werken, maar wanneer het op het oordeel aankomt, worden de ongelovigen niet gerechtvaardigd door het bloed van Jezus Christus, maar geoordeeld naar hun werken. God groepeert niet iedereen samen en geeft hen niet simpelweg allemaal hetzelfde oordeel, hoewel dit wel algemeen wordt onderwezen. Wij zullen dit aantonen als we verder lezen. Johannes gaat verder:

“14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. 15 Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.”

Op het eerste gezicht lijkt het dat iedereen hetzelfde oordeel ontvangt. Maar als dit zo was, hoe konden zij dan volgens hun daden worden beoordeeld? De vuurpoel is een algemeen beeld van het proces van het oordeel – NIET van het oordeel zelf. De vuurpoel is de vurige wet zelf, en de wet bestaat uit vele verschillende soorten van oordeel, die specifiek op de gemaakte misdaden aansluiten.

Dit wordt duidelijk gemaakt door de beschrijving van Daniel over hetzelfde Oordeel van de Witte Troon in Daniel 7:9 en 10.

“Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. 10 Een rivier van vuur welde op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.”

Wat Johannes beschrijft in Openbaringen als de ‘vuurpoel’, beschrijft Daniel als ‘een rivier van vuur’. Zelfs Gods Troon wordt ons voorgesteld als vuur, wat vervolgens stroomt als een rivier over de mensen die voor Hem stonden. Zeer weinig mensen zouden vandaag de dag de vuurpoel beschrijven zoals Daniel dit deed.

De betekenis is vrij duidelijk. De rivier, of de vuurpoel, is de rechtvaardiging van God die Hij toepast op alle zondaars. Wat is de aard van die rechtvaardiging? Zoals altijd, wordt het bepaald door Gods Wet, want alle zonde wordt geoordeeld door de Wet. Een troon is een universeel symbool van de wet waarop en koning, of rechter oordeelt. Dus de ‘vurige Wet’ van Deuteronomium 33:2 wordt voorgesteld in de visie van een vurige troon in Daniel 7:9. Zij stellen beide hetzelfde voor.

IS HET VUUR LETTERLIJK OF SPIRITUEEL?

De meeste mensen zouden het ermee eens zijn dat de vuurpoel inderdaad Gods oordeelvoor zondaars is. Het echte meningsverschil komt in het bepalen van de aard van dat oordeel, dat wil zeggen, de details van hoe het in de praktijk wordt uitgevoerd. Is het een ‘letterlijk’ vuur? Of is het een ‘geestelijk’ vuur? Wij geloven dat het niet letterlijk is, maar zonder meer van geestelijke aard, omdat de Wet geestelijk is (Romeinen 7:14).

Al onze misverstanden over de vuurpoel zouden gemakkelijk kunnen worden opgelost door een studie van Gods Wet. Want dit is de meest relevante factor in deze kwestie over het oordeel. Paulus zegt in Romeinen 6:23: “Het loon van de zonde is de dood.” Ezechiël 18:20 bevestigt dit: “Iemand die zondigt zal sterven.”

Iedereen die de goddelijke wet bestudeerd zal zien dat de dood de hoogste en ergste straf is die gegeven kan worden. Zelfs wanneer een mens zich schuldig maakte aan veelvoudige moord, was de maximale straf de dood. Er bestaat geen zonde waarvoor iemand op een brandstapel in brand gestoken moet worden, laat staan om voor eeuwig in een martelkamer te moeten branden.

Er zijn sommige gevallen bekend waarbij het lijk van de overtreder moest worden gecremeerd (verbrand) in plaats van begraven (Jozua 7:25; Leviticus 21:9). Dit was de schandelijkste manier om te sterven in de Bijbel.

In de tijd van het Nieuwe Testament werden de lichamen van dergelijke misdadigers geworpen in de vallei van Hinnom dat de stadsstortplaats van Jeruzalem was. Hier brandde het constant, net zoals bij onze moderne afvalstortplaatsen. In het Grieks werd deze vallei ‘Gehenna’ genoemd en Jezus gebruikt dit als een waarschuwing in Markus 9:42-50.

“En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, 48 waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.”

Merk op dat de wormen hier niet onsterfelijk waren of vuurvast zijn. De stadsstortplaats brandde constant, op plaatsen waar het vuur nog niet gekomen was krioelde talloze wormen, of maden, om het huisvuil te consumeren.

Maar er zijn geen verhalen bekent dat iemand ooit in gehenna werd gegooid (als straf) om hem te martelen, behalve in oudheid, toen de Kanaänieten hun kinderen in het vuur gooide als offer voor de god Moloch. Jeremia beschrijft dit in 32: 34 en 35.

“Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 35 en in het Hinnomdal offerhoogten voor Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch aan te bieden. Ze hebben Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild.”

Deze goddeloze dienst, die zich voordeed in de vallei van (Ben-)hinnom (dit betekent de ‘zoon van Hinnom’ of in het Grieks gehenna) was een direct resultaat van hun godsdienstige leer over de vurige onderwereld, dat uitdrukkelijk werd onderwijzen in Egypte, Babylon, en Kanaän. De beschrijving van de Hebreeuwse Bijbel over de staat van de doden is summier, en de weinige keren dat het spreekt van vuur zijn vrij duidelijk symbolisch.

Toen Jezus over gehenna sprak, citeerde hij eenvoudig uit Jesaja 66:24, waar de profeet spreekt over de laatste slag aan het einde der tijden. Hij sluit af met deze beschrijving, die Jezus aan gehenna toeschrijft:

“Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.”

Dit is nauwelijks een beschrijving van een eeuwige straf in één of andere geestelijke martelkamer. Het is een zeer aards scenario, waarbij wij in die zin ‘naar toe zouden gaan’ en op terug kijken na een rampzalige oorlog. Zoals wij zullen zien is het enerzijds zeker representatief voor de vuurpoel, maar toch is er geen aanwijzing van dit vers of van enig citaat van Jezus dat de mensen eeuwig in gehenna gemarteld zullen worden. Martelen was geen wettig oordeel in de Bijbel.

Hoewel er overeenkomsten zijn tussen gehenna (de stadsstortplaats) en de vuurpoel, leek de vallei van (Ben-)hinnom, of ‘gehenna’, niet op een poel. Jezus gebruikte de gelijkenis om twee dingen over de vuurpoel te beschrijven: (1) de mensen zouden buiten het Nieuwe Jeruzalem zijn; en (2) het zou een plaats van schande zijn.

Na deze uitleg eindigt dit thema en duikt het slechts weer op onder een andere naam met een ander soort symboliek. Johannes noemde het geen gehenna, omdat het doel van het letterlijke gehenna niet goed genoeg het vuur beschrijft wat stroomt vanuit Gods troon, ook had gehenna niets te maken met de tempelsymboliek dat Johannes als hoofdthema in het boek Openbaringen gebruikt.

HET BASSIN, OF DE GESMOLTEN ZEE

Men moet altijd in onthouden dat het boek Openbaringen door een Hebreeër is geschreven. Hij interpreteerde het Oude Testament niet vanuit een Grieks of Egyptisch perspectief. Hij legde de nadruk op hemelse dingen, met in het bijzonder de Ware Tempel in de hemel. De godsdienstige symboliek van de aardse tempel verwees slechts naar de hemelse werkelijkheid en moet ook in dat licht worden bekeken. Johannes bekijkt de geschiedenis als vervulling van een profetie (voorspelling) die getoond wordt in de ceremonies en de kruiken (vaten) van de tempel.

Gezien ons huidig onderwerp moeten wij het bassin bestuderen. Dit is de plaats waar de priesters zichzelf, maar ook de kruiken en de offers reinigden en zuiverden door zichzelf te wassen (dopen). Deze ‘waterdoop’, die ingesteld is in de tijd van Mozes, was op zichzelf slechts een aardse manifestatie van de hemelse doop, de doop van vuur.

Daarom richt Johannes zijn aandacht op het tempelbassin en noemt het de vuurpoel. In wezen, zoals we zullen zien, moet dit beeld het Vuur van de Smid afbeelden, volledig met de ketel van gelegeerd mineraal en zijn onzuiverheden, zoals de Smid aan Zijn werk begint.

Het boek Openbaringen wordt geschreven vanuit het perspectief van een priester die met alle riten en ceremonies vertrouwd is zoals die in de Tempel van Jeruzalem werden uitgevoerd alvorens zijn vernietiging in 70 n.Chr. Johannes was blijkbaar een voormalig priester in Jeruzalem. Hier hebben wij bewijsmateriaal van, namelijk een brief van Polycrates (bisschop van Efeze, waar Johannes ook bediende). Zijn brief is bewaard door Eusebius, bisschop van Caesarea in de vierde eeuw.

“Want de lichtdragers (zon en maan) slapen in Azië, maar ze zullen opnieuw opkomen op de laatste dag van de komst van Heer... En ook daar is Johannes, die op de borst van Heer leunde, die een priester was die een mitre droeg, en martelaar en leraar was, en hij slaapt in Efeze.“ (Eccl. Hist., III, xxxi).

Een voetnoot verklaart dat het woord mitre hier een petalon is wat in de Septuagint als diadeem van de hogepriester wordt gebruikt, maar wat het hier betekent is nooit ontdekt. Om een wat vreemde reden citeert Eusebius opnieuw Polycrates in Vol. V, hfdst.13, waar hij de term ‘borstplaat’ gebruikt in plaats van mitre. Wat ook het geval is, het is duidelijk dat Johannes schreef vanuit het perspectief van een priester, die als een soort ‘hogepriester’ door de Kerk in Efeze werd erkend.

Zowel de Tabernakel van Mozes als de Tempel van Salomo hadden water in hun bassins, in plaats van gesmolten goud. Toch moest het water gesmolten goud voorstellen. Goud is de goddelijke aard, en op deze manier zou het bassin het zuiveringproces afbeelden. In onze vleselijke (lichamelijke) staat, kunnen wij geen doop van vurig goud overleven, en daarom is de waterdoop in de plaats gekomen van de ware vuurdoop.

In de tijd van de Tempel van Salomo, werd het bassin ‘de gesmolten zee’ genoemd (1 Koningen 7:23). Wanneer goud is gezuiverd in zijn pure staat, is het gesmolten goud zo helder als kristal. Als Salomo het bassin van de Tempel met zuiver goud zou vullen en het zou smelten, zou het lijken als een ‘zee van glas zoals kristal’ (Openbaringen 4:6). In Openbaringen 15:2 beschrijft Johannes het als ‘een zee van glas, vermengd met vuur’.

Wat Johannes in hemel zag was het bassin, de vuurpoel, zoals voorgesteld in de Tabernakel en de Tempel van Salomo. Het bassin werd gebruikt om door middel van te wassen (dopen) gereinigd of (ceremonieel) gezuiverd te worden. Het doel van de wet was het onderwijzen van oprechtheid aan de inwoners van de wereld. Het doel van het vuur is het zuiveren. Daarom spreekt het ons op z’n minst tegen als we in overweging nemen dat het bassin en de vuurpoel goddelijke zuivering als doel hebben, in plaats van eeuwige marteling.

De vuurpoel wordt afgebeeld in de Heilige Schrift als de laatste plaats waar de grote Smid zetelt om de harten van mensen te zuiveren om hen zodoende voor te bereiden om in de goddelijke aanwezigheid te van God verblijven. Dit is het ware doel van het bassin. Momenteel hebben slechts de ware priesters van God en van Christus (Openbaringen 20:6), oftewel de christenen van deze tijd, toegang tot het bassin. Net zoals de Levitische priesters uit het Oude Testament zich dagelijks bij het bassin zuiverden, zo zijn wij ook gedoopt om te laten zien dat God onze harten heeft gezuiverd. In het laatste Tijdperk zal de Vuurpoel universeel toegepast worden om zuivering toe te passen bij wie het nodig is.

VUUR EN ZWAVEL

Er zijn mensen die beargumenteren dat de vuurpoel een echte (letterlijke) plaats van brand en marteling is, omdat het vaak met zwavel wordt aangeduid. In Openbaringen 21:8 staat,

“Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.”

Bewijst de ‘zwavel’ dat dit het dus een letterlijke brand is die mensen martelt? Eigenlijk, is het tegenovergestelde waar. De zwavel is sulfer, zoals elke overeenstemming zal tonen. Het originele Griekse woord voor sulfer, of ‘zwavel’, is theion. Wat afgeleid is van theo, wat hetzelfde woord is dat gewoonlijk vertaald wordt met ‘God’. (Noot: Theologie is de studie van God) Sulfer, of theion, werd als heilig beschouwd door de oude Grieken. Het werd als zegen bij goddelijke dienst gebruikt, met als doel te ZUIVEREN en te reinigen. Zij gebruikten het in godsdienstige riten om hun tempels te zuiveren. Zij zouden zelfs hun lichaam ermee insmeren om zich aan God te wijden. In zijn werkwoordvorm betekent het woord theou, ‘te heiligen of goddelijk te maken’, of ‘aan God te wijden’.

En daarom vatte de Griekse lezer de vuurpoel met brandende zwavel (sulfer) op als een poel van goddelijke reiniging of wijding aan God. Daarom lezen wij in ‘Aeneid’, het klassieke Griekse heldendicht van Virgil, (pagina’s 741-742, 745-747):

“Daarom worden wij als zielen opgeleid met straf

En betalen we met lijden voor oude misdrijven -

Sommige worden hulpeloos overgeleverd aan de winden;

De vlek van zonde wordt gereinigd voor anderen van ons

In de trog van een reusachtige draaikolk, of met brand

Brand door ons heen–ieder van ons zal lijden

Het hiernamaals dat wij verdienen.”

Deze ‘brand en zwavel’ werd symbolisch geïnterpreteerd door de hoger opgeleiden of degenen met een hogere graad van godsdienst, slechts de ongeschoolden (het volk) vatte dit letterlijk op. De priesters lieten het toe dat ze werden bedrogen, omdat zij geloofden dat ook de vrees voor het vuur een goede motivatie was om te geloven. De vroege christelijke Kerk van de eerste eeuwen na Christus wist dit. Dit wordt aangetoond door hun geschrift. Jammer genoeg geloofden sommigen ook in de ‘Gereserveerde leer’. Dit houdt in dat zij sommige onderwijzingen achterwege hielden voor beginnende gelovigen en deze pas zouden aanreiken op het moment dat zij ‘volwassen’ christenen waren. Zij deden dit specifiek met het onderwijs over de vuurpoel, waardoor die beginnende gelovigen deze woorden letterlijk gingen nemen, in plaats van geestelijk, zodat zij meer gemotiveerd waren om in Jezus te geloven.

Hoeveel dit heeft bijgedragen aan de leer over hel en verdoemenis is moeilijk te zeggen, maar het is zeker een factor geweest. Zij konden hun leer waarschijnlijk voor zichzelf rechtvaardigen, maar met onze heldere kijk op het verleden kunnen we zien waar dit de Kerk door de jaren heenleidde.

DE LEER VAN DE VROEGE KERK OVER HET VUUR

De essentiële kijk die wij hier willen aantonen was ook al de opvatting van grootste deel van de vroege christelijke Kerk. Tot steun van deze verklaring, zullen wij proberen om de lezer een paar steekproeven aan te reiken van christelijke leiders die erg invloedrijk waren in de eerste eeuwen. Ons doel is om aan te tonen dat onze opvatting niet vreemd is, maar zelfs strookt de meeste vroege Kerkvaders is.

1. CLEMENT VAN ALEXANDRIE (150–213 n.Chr.)

Clements volledige Latijnse naam was Titus Flavius Clemens en had op één of andere manier betrekking op de Romeinse Keizers, hoewel we niet weten op welke manier. Hij was geboren in Athene en verhuisde later naar Alexandrië, het netwerk van de Griekse cultuur en godsdienst. Zeer goed opgeleid begon hij daar een christelijke school, met het doel Christus aan de Griekse wereld uit te leggen. Hij schreef ook een boek genaamd ‘Miscellanies’ waarin hij ‘zichzelf de milde taak oplegde om de samenvatting van christelijke kennis tot zijn tijd op te sommen’ (Donald Attwater, Heiligen van het Oosten, blz. 37).

Zoals wij in hoofdstuk twee zagen, geloofde Clement dat het vuur een instrument van God was die tot bekering leidde. Hij nam aan dat de Griekse opvatting over het vuur veel geestelijker bedoeld was dan ze in Egypte dachten, wat een schrijver als volgt beschreef:

‘De Egyptische Hel was bijzonder indrukwekkend en hoogst geraffineerd. De beperkingen en de opsluiting speelden een belangrijke rol. De martelingen waren bloedig, en de straf door brand was onophoudelijk en angst aanjagend. Toen het op de topografie van de Hel aankwam, kende de Egyptische verbeelding geen grenzen. De tussenstaten of de fasen van de andere wereld met betrekking tot het proces van reiniging bestonden niet.’ (Jacques de Goff, De Geboorte van Vagevuur, blz. 19, 20)

Aan de andere kant had de Platonische Griekse mening sommige opmerkelijke gelijkenissen ten opzichte van de Hebreeuwse mening. De bovengenoemde auteur schrijft Clements mening over reiniging aan Plato toe, dat het beurtelings van Virgil en andere vroege Griekse dichters hadden. Toch is de opvatting van vuur als wettig reinigingsmiddel voor zonde, in plaats van een middel voor marteling, reeds lang gevestigd in het Oude evenals het Nieuwe Testament. Jacques de Goff gaat verder met schrijven op bladzij 53,

‘Uit het Oude Testament maakten Clement en Origenes op dat het begrip vuur een goddelijk instrument was, en in het Nieuwe Testament de doop van vuur (door de Evangeliën) betekende en het idee van een oordeel van zuivering na de dood (uit Paulus).’

In eigen woorden zegt Clement ronduit:

‘God neemt geen wraak, want de wraak zorgt ervoor dat het kwaad plaats maakt voor het kwaad, en de God straft slechts met het oog op het goede.’ (Stromata, 7, 26)

Van 190–203 n.Chr. onderwees Clement deze leer op de christelijke school van Alexandrië. Hij moest vluchten voor zijn leven tijdens de vervolging van Serverus in 203, en hij bracht zijn resterende jaren door in Antiochie en Palestina waar hij verder onderwijs gaf. En zo nam zijn meest briljante student in Alexandrië zijn plaats in als hoofd van de school. Zijn naam was Origenes.

2. ORIGENES VAN ALEXANDRIE (180–253 n.Chr.)

Net als zijn voorganger was ook Origenes geen bisschop van de stad, maar wel veruit de meest invloedrijke christen in zijn tijd. Hij was de eerste die een volledig systematisch theologisch commentaar op de gehele Bijbel schreef. Met veel moeite leerde hij Hebreeuws, niet alleen om beter het christelijk geloof te kunnen onderbouwen onder de Judeeërs, maar ook om eventueel verkeerde vertalingen van de Griekse Septuaginta te verbeteren.

Rond 230 n.Chr. bezocht hij Antiochië, Caesarea en Jeruzalem, en hoewel hij slechts presbyteriaan (en geen priester) was, werd hij gevraagd om van de preekstoel te spreken. Hij deed dit ook. Toen Demetrius, de bisschop van Alexandrië dit vernam, werd hij met afgunst en woede vervuld en eiste hij dat hij onmiddellijk ophield en terug moest keren naar Alexandrië. Gewillig keerde Origenes terug en het incident werd vergeten.

Een paar later jaar, maakte Origenes opnieuw dezelfde reis en dit keer was hij bevoegd tot priester te worden verordend, zodat hij vanaf de preekstoel kon onderwijzen. Hij ging dit vervolgens ook doen. Toen Demetrius het vernam, werd hij opnieuw vervuld met woede en afgunst. Origenes kerkbevoegdheden in Alexandrië werden hem afgenomen omdat hij zich in zijn jeugd had laten castreren. Daarom werd het hem niet toegestaan om van de preekstoel te prediken. (Origenes had de woorden van Jezus in Matteüs 19:12 in zijn jeugdige ijver een beetje te letterlijk opgevat, waar hij later spijt van kreeg).

Demetrius citeerde Deuteronomium 23:2 om zijn geval te steunen, hoewel hij deze kwestie nooit had besproken in de voorafgaande 20 jaar. Toch ging de bisschop van Rome met het oordeel akkoord, maar de andere Palestijnse of Griekse kerken niet.

Spoedig verminderde de ophef en werd het de komende 150 jaar vergeten. En zo bracht Origenes de laatste twintig jaar van zijn leven door in Palestina, waar een rijke patroon (stadsbeschermer) zes secretaresses inhuurde om hem te helpen bij het schrijven van zijn boeken. Zijn geschrift was het invloedrijkst in de gehele Griekse wereld, hoewel hij in het Latijnse Westen vrij onbekend was. In zijn boek, Tegen Celsus IV, 13 gaf Origenes het onderwijs van Clement door met het volgende schrijven:

“De Heilige Schrift noemt onze God inderdaad ‘een verterend vuur’ (Heb. 12:29), en zegt dat ‘een rivier van opwellend vuur voor Hem uitstroomt’ (Dan. 7:10), en dat ‘Hij zal komen als het vuur van een smid en de mensen zal zuiveren (Mal. 3:2,3). Maar wat wordt door Hem dan verteerd? Wij zeggen dat het verdorvenheid is met alles wat het voortbrengt, zoals dit figuurlijk ‘hout, hooi en stro’ wordt genoemd (1 Kor. 3:12–15), welke de slechte werkzaamheden van de mens aanduiden. Onze God is een verterend vuur in deze betekenis; en hij zal als het vuur van een smid komen om de wortel van de vermenging van verdorvenheid en andere onzuivere zaken te zuiveren die het pure goud en het zilver heeft aangetast; dat alle kwaad verteert dat met onze ziel vermengd is.”

Wij hebben het Oordeel van de Grote Witte Troon al eerder behandeld. In zijn boek In Gebed XXIX, 15 schrijft Origenes verder:

“Zij worden gezuiverd met een ‘wijs vuur’ of in de gevangenis gezet om elke schuld tot de laatste cent terug te betalen… om hen van het kwaad te reinigen die ze hebben bedreven door hun fouten. Zo mogen zij binnengaan zonder alle vuiligheid en het bloed waarmee zij zo vervuild waren, zo erg zelfs dat zij er niet aan konden denken om zichzelf te redden van hun ondergang.”

Het onderwijs van Clement en Origenes was NIET ongebruikelijk. De basismening van het goddelijke Vuur die zondaars hersteld was de algemene opvatting voor vele eeuwen in de Grieks-sprekende christelijke Kerk. Helaas lazen velen uit de Latijnse Kerk van het Westen niet de Heilige Schrift (Bijbel) in de originele Griekse staat, maar hadden ze een zeer ondergeschoven Oude Latijnse versie die Hiëronymus uiteindelijk opnieuw vertaalde als de Latijnse Vulgaat. En daarom zette het Latijnse Westen niet de theologische toon voor de Kerk, tot Augustinus in 400 n.Chr.

3. GREGORIUS VAN NAZIANZE (329–389 n.Chr.)

Sint Gregorius was goed opgeleid in Alexandrië en Athene. Toen hij werd opgeroepen voor de bediening ging hij naar Pontus met Sint Basil, waar de twee een inzameling van het geschrift van Origenes compileerden, genoemd Philokalia, of ‘De Liefde van de Prachtige’. Gregorius was een rustig persoon, een eeuwige student, zo iemand die zijn hele leven studeerde zonder de intentie te hebben om beroemd te worden. Toch zouden de mensen dit niet toestaan. In 361 werd Gregorius zeer sterk aanbevolen door de mensen en werd hij zodoende gedwongen verordend om priester te worden. Dit betekende het einde van zijn rustige leven.

Hij bediende in de kerk te Sasima, een dorp in Kappadocië. Voor een paar maanden was Gregorius ook bisschop van Constantinopel, waar het bleek dat hij daar meer in een paar maanden verwezenlijkte, dan hij in de twintig jaar in Caesarea had gedaan. Gregorius was één van de vier Doctors van de Oostelijke Kerk. Toevoegend, volgens Robert Payne:

“Van alle Vaders van de Kerk was hij enige die na zijn dood de titel ‘Theoloog’ verleend werd, die tot dan toe alleen voor de apostelen was gereserveerd -- Johannes van Patmos. ”(De Vaders van de Oostelijke Kerk, blz. 179)

Ik draag deze geloofsbrieven aan om aan te tonen dat dit geen onbelangrijk en zelfingenomen predikant was. Hij was ook geen ambitieuze leider die zichzelf verhoogde, zoals velen in zijn tijd dat wel deden. Gregorius van Nazianze was één van de prominentste christelijke leiders in zijn tijd die veel liefde had voor het fruit van de Geest, dat hij dagelijks en constant vertoonde. In feite had deze roodharige inwoner van Kappadocië een behoorlijke dosis humor en was hij de enige persoon, voor zover bekend, die zijn vriend Basil wel eens durfde uit te lachen. Basil was erg streng en serieus als

vader van het Oostelijke kloosterwezen. In ieder geval schreef Gregorius het volgende over de vuurpoel:

“Deze (apostaten) kunnen, als ze willen, onze weg gaan, welke inderdaad Christus is; maar zo niet, laat hen hun eigen weg gaan. In een andere plaats zullen zij misschien met vuur worden gedoopt, wat de laatste doop is, dat niet alleen zeer pijnlijk, maar ook verdragend is; wat om zich heen grijpt, alsof het hooi is en alle vervuilde zaken, zoals ijdelheid en de ondeugd verbruikt” (Orat. XXXIX, 19)

Hij noemt de vuurpoel een ‘doop(sel)’ dat als doel heeft ‘al de ijdelheid en ondeugd te verbruiken’. Hij zegt dat dit ‘zeer pijnlijk is’, maar anderzijds vind ik de doop met het bassin zelf ook vaak zeer pijnlijk. Toch leg ik het aan u voor, omdat ik weet dat het de reinigingsmethode van de God is.

4. GREGORIUS VAN NYSSA (335–394 n.Chr.)

Sint Basil, een dierbare vriend van Gregorius van Nazianze, had een jongere broer die ook Gregorius heette. Hij was een bisschop van Nyssa in Kappadocië. Robert Payne schrijft het volgende over hem:

‘De keizer Theodosius had hem erkend als het opperste gezag in alle kwesties inzake theologische orthodoxheid en… hij werd behandeld met buitengewoon veel eerbied.’ (Robert Payne, De Vaders van de Oostelijke Kerk, blz. 164).

Dezelfde historicus zegt verder:

Van de drie Vaders van Kappadocië staat Gregorius van Nyssa het dichtst bij ons, het minst trots, het subtielst, het meest toegewijd aan de verhevenheid van de mens. Die vreemde, eenvoudige, gelukkige, ongelukkige, intelligente en gekweld mens die bezeten werd door engelen… Hij wende alle bronnen van Griekse filosofie aan hem te helpen met zijn taak… In het Oostelijke christendom volgt zijn Grote Catechisatie direct op Origenes Eerste Principes. Dit waren de twee rudimentaire, dichtgeweven werken en ze waren verbazingwekkend helder. Athanasius was de hamer, Basil de strenge bevelhebber, Gregorius van Nazianze de gekwelde zanger en wat overbleef voor Gregorius van Nyssa was om verrukt te zijn met Christus… Vierhonderd jaar na zijn dood, bij de Zevende Generale Raad gehouden in 787 n.Chr., verleende de geassembleerde prinsen van de Kerk hem een titel die in hun ogen alle andere titels die aan mensen wordt verleend overtrad: Hij werd ‘Vader van Vaders’ genoemd. (Ibid., blz. 168, 169)

Dit was een ironische draai in de geschiedenis omdat dezelfde Raad ook een vloek uitsprak over iedereen die leerde dat het vuur van God reinigde, in plaats van dat het mensen voor eeuwig martelt! Iemand zou misschien kunnen denken dat Gregorius afweek van de heersende gangbare christelijke stroming met betrekking tot het leren en onderwijzen van het herstel van de mensheid, maar de Nieuwe Encyclopedie van Funk & Wagnall zegt over hem:

‘Gregorius religieuze positie was strikt orthodox’ (dat wil zeggen, volgens de gangbare christelijke stroming van toen).’

In feite werd hij het ‘bolwerk van de Kerk tegen de ketterij’ genoemd, deelnemend aan de Raad van Nicea en aan latere Kerkraden. In zijn boek De Anima et Resurrectione schreef hij over de aard van de tweede dood:

Dat zij die in het vlees leven zouden, door een positief gesprek, om zichzelf kunnen te kunnen bevrijden van vleselijke lusten, op de dood na, een andere dood nodig hebben om zich te kunnen reinigen van de

overblijfselen van de vleselijke lusten.

In een ander boek, Orat. In 1 Kor.15:28, schreef hij:

“Wanneer de vermenging van kwaad vermengd met de zaken die er al zijn, gescheiden wordt door het zuiverende werk van het reinigende vuur, zal alles dat door God geschapen werd worden zoals het bij het begin was, toen er nog geen kwaad toegelaten was… dit is het eind van onze hoop, dat niets verlaten zal worden dat in strijd is met het goede, maar dat het Goddelijke Leven dat alle dingen doordringt, de Dood samen met alle dingen absoluut zal vernietigen; de zonde die vernietigd wordt vóór hem, door middel waarvan, zoals de bovengenoemd dood zijn heerschappij had over mensen.”

Dit zijn slechts enkele geschriften van de vroege Kerkleiders. Het is bekend bij degene die de vroege Kerkgeschriften bestudeerd hebben dat dit de algemene opvatting was. In feite was het eigenlijk de ENIGE OPVATTING van de eerste eeuwen na Christus en de apostelen. De vroege Kerk had vrij veel doctrinaire geschillen, maar deze kwestie werd ZELF NIET BETWIST. In feite werd het onderwezen door alle grote theologen in de kerken van toen die door de Apostel Paulus waren opgericht.

DE ZES SCHOLEN VAN CHRISTELIJKE ONDERWIJZING

Er waren zes christelijke theologische scholen waarvan gedacht wordt dat ze bestonden in de eerste eeuwen. De eerste en vroegste was die in Alexandrië waar Clement, Origenes en anderen duidelijk onderwezen dat zondaren werden gezuiverd door de vuurpoel. De theologische school in Caesarea in Palestina was de volgende. De geschriften van zowel Origenes als van Clement werden daar hoog geacht en Origenes verbleef daar ook tijdens zijn meest productieve jaren.

De school van Antiochië die meer met beide benen op de grond stond, twistte met Origenes over zijn allegorische methode van opvatting, maar zij gingen van ganser harte akkoord met zijn mening over de opvatting van ‘de vuurpoel’. Hetzelfde gebeurde met de school die opgericht werd in Edessa in de vijfde eeuw.

De Latijnse school (die zijn thuisbasis had in Carthago, maar ook bij Rome behoorde) was de enige die onderwees met zijn leerstellingen van eindeloze straf. Augustinus, de ‘kampioen’ van eindeloze kwellingen, schreef dat:

“… er inderdaad HEEL VEEL (waren)… die niet geloofden dat zoiets kan bestaan. Niet dat ze tegen de goddelijke Schrift ingingen.” (Enchiridion, 112)

Augustinus was de meest invloedrijke vader van de Latijnse Kerk. Hij was een leraar van Retoriek, eerst in Carthago en later in Milaan (Italië), waar hij werd bekeerd. Hij stopte toen met lesgeven en vertrok terug naar Noord Afrika, waar hij snel als priester werd verordend en later als bisschop van de stad Hippo.

Voor zijn bekering in 386 n.Chr. was Augustinus gedurende negen jaar lid van een manicheïstische sekte. Dit was in latere jaren zowel waardevol als een aansprakelijkheid voor hem. Het was in die zin waardevol dat de manicheïsten gek waren op het citeren van Paulus’ opvatting over de uitverkiezing, dat in overeenstemming was met hun Oosterse filosofie. Augustinus werd vrijwel de eerste bisschop (waarvan we weten) die sinds Paulus de leerstellingen over uitverkiezing onderwees.

Aan de andere kant hadden de manicheïsten Augustinus het idee ingefluisterd dat het eind van alle dingen, het doel van geschiedenis, een definitieve scheiding was tussen het koninkrijk van Licht en het koninkrijk van Duisternis. Hij omarmde deze leer steviger dan wie dan ook vóór hem in het idee dat uiteindelijk alle zondaren gescheiden zouden worden van alle rechtvaardigen, en dat ze voor eeuwig zouden voortleven in hun zondige staat. De meerderheid van de Kerk vóór hem, voornamelijk in het Oosten, had geleerd dat op een dag het kwade en duisternis zouden ophouden met bestaan en dat God ‘alles in allen’ zou zijn (Statenvertaling;1 Kor. 15:28). We zullen dit vollediger uitwerken en uitleggen in de volgende hoofdstukken.

De rigoureuze opvatting van Augustinus verklaarde dat God enkelingen had uitverkoren om gered te worden, maar dat de rest voor eeuwig gemarteld zou worden. Zijn opvatting over de uitverkiezing werd later afgezwakt door de Romeinse Kerk om de mening van de eeuwige kwelling volledig aan te passen zonder God overdreven onrechtvaardig af te beelden. Ook deze onderwerpen zullen we vollediger behandelen in de volgende hoofdstukken.

De manicheïstische sekte werd rond 240 n.Chr. opgericht door een Perzische genaamd Mani. Het was een kruising tussen het Perzische dualisme, boeddhisme en christendom. Vanuit Perzië adopteerden ze het idee dat goed en kwaad twee eeuwige machten, of koninkrijken, waren. Er werd gezegd dat ze allebei even sterk waren, hoewel ze allebei op verschillende tijden af- en toenamen. Op het moment werden het licht en duisternis gemixt en het doel van geschiedenis was om ze te scheiden door een muur. Er werd gezegd dat het kwade toch altijd zou bestaan omdat het eeuwig was en daarom net zo sterk als het goede.

Bisschop Archelaus schreef in 277 n.Chr. een boek tegen de manicheïsten genaamd De Handelingen van de Aanvechting met Mani de Afvallige. Hij debatteerde tegen het manicheïsme (en dus ook tegelijk tegen Augustinus) door te bewijzen dat op een dag al het kwade – inclusief de dood – zou ophouden met bestaan (1 Kor. 15: 25 en 26).

Titus, bisschop van Bostra, schreef ook een boek rond 364 n.Chr. getiteld, Tegen Manicheïsme, waarin wordt gezegd, “De straffen van God zijn heilig, aangezien zij in hun effect op overtreders genezend en weldadig zijn, want ze worden opgelegd, niet om hen te bewaren in hun verdorvenheid, maar om hen te zuiveren van hun zonde, de kloof… is inderdaad een plaats van straf, maar het is niet eindeloos. De angst van het lijden dwingt hen om te breken met hun zonden.”

Augustinus’ theologische tegenstanders debatteerden tegen zijn opvattingen op grond van wat ze verkregen hadden van de manicheïsten. Sommige van deze punten kloppen, andere niet. Desondanks is het duidelijk dat de negen jaar die hij doorbracht als manicheïst hem oriënteerde om dieper na te denken over zaken waar de Kerk in die tijd nog niet over nagedacht had. Het hangt van een persoonlijk standpunt af om af te vragen of Augustinus gerechtvaardigd was in zijn verschillende opvattingen. Vanuit ons perspectief merken wij slechts op dat zijn Stad van God eindigt met de laatste scheiding van goed en kwaad, licht en duisternis, en dat beide eeuwig voortbestaan op hun daarvoor aangewezen plaats. Augustinus zou zeker niet uit zichzelf tot deze conclusie zijn gekomen; hij nam dit echter over van de manicheïsten.

Een andere, zeer invloedrijke theoloog was Theodorus van Mopsuestia (gestorven in 428 n.Chr.). Hij vroeg zich af ‘Wie zo ongelofelijk dwaas is’ om te geloven dat God mensen zou laten opstaan (laten verder leven) om hen voor altijd te vernietigen met martelingen? (Fragment IV)

Tijdens de Middeleeuwen, toen de leerstelling over de eeuwige straf in Europa ‘orthodox’ (de juiste leer) was, kwam zijn gerechtvaardige schaduw erbij – mensen in brand steken op brandstapels. Men nam aan dat God hen, hoe dan ook, als een oneindige kwelling in het vuur zou werpen, dus de Kerk stelde voor om dit een paar jaar eerder in werking te stellen. Het gevolg was dat deze rechtvaardiging angst in de harten van mensen werkte wat er weer voor zorgde dat ze, op welke manier dan ook, niet tegen de Kerk ingingen – om zo niet alleen de brandstapel, maar ook het branden in de hel te ontlopen.

Deze tactiek was zeer zeker effectief; daar kan niemand tegenin gaan. Maar als iemand de gelegenheid heeft om de goddelijke rechtvaardigheid van de Bijbelse Wet te bestuderen wordt het al snel duidelijk dat zo’n straf van heidense afkomst is in plaats van een Bijbelse. In elke natie heeft het populaire geloof over goddelijke rechtvaardigheid altijd als model voor de rechtvaardigheid van de mens gediend. In de Middeleeuwen dachten ze dat ze God imiteerden; in realiteit echter, imiteerden ze de heidenen die hun kinderen verbranden als offer voor Moloch in de vallei van Ben-hinnom.

In hoofdstuk vier laten we aan de hand van de Bijbel zien dat de Griekse en Hebreeuwse woorden voor ‘eeuwig’ en ‘eeuwigheid’ verkeerde vertalingen zijn. Deze vertalingen zijn ontstaan door de Vulgaat rond 400 n.Chr. Daarna gaan we een positiever onderwerp behandelen, namelijk Gods grote Herstel.

HOOFDSTUK 4

Straft God Eindeloos?

In dit hoofdstuk zullen wij proberen te bewijzen uit Heilige Schrift dat de straffen van God NIET eindeloos zijn. De Nederlandse vertalingen waarmee de termen ‘eeuwig’ en ‘voorgoed’ of ‘voor altijd’ zijn vertaald, als verwijzing naar de goddelijke straf na dit leven, zijn eigenlijk verkeerde vertalingen van het originele Hebreeuws en Grieks. Deze vertalingen doen geen recht aan het Hebreeuwse concept van het Tijdperk van het Koninkrijk, het Messiaanse Tijdperk, of zoals het eigenlijk gewoon in de Bijbel ‘Het Tijdperk’ wordt genoemd.

Er zijn op z’n minst drie goede letterlijke vertalingen van Engelse Bijbels die een erg nauwkeurige weergave geven van het Hebreeuwse woord ‘olam’ en het Griekse woord ‘aion’. Twee Engelse vertaling genaamd: ‘Rotherham’s The Emphasized Bible (Rotherham’s Benadrukingsbijbel) en ‘Young’s Literal Translation’ (Young’s Letterlijke Vertaling) gebruiken de termen ‘tijdverblijvend’, tijdverdurend’ en ‘tijdverdragend’, in plaats van eeuwig of eeuwigheid. De ‘Concordant Version’ geeft de voorkeur aan eonian, omdat het Engelse woord ‘eon’ een ‘tijdperk’ betekent. En de Engelse taal heeft eenvoudig het woord ‘eon’ geleend van de Grieken. Minstens twee van deze versies zijn

alreeds verkrijgbaar in de meeste christelijke boekwinkels, dus hier zullen we geen tijd meer aan besteden.

Sommigen houden niet van de term ‘Tijdperk van het Koninkrijk’, omdat het impliceert dat het Koninkrijk nu nog niet bestaat. Om deze reden geef ik de voorkeur aan het Loofhuttentijdperk, omdat deze term het idee van het derde ontwikkelingsstadium van het Koninkrijk benadrukt.

‘EEUWIGHEID’ IN HET OUDE TESTAMENT

Wanneer onze Nederlandse versies de termen ‘eeuwigheid’ en/of ‘voorgoed’ in het Oude Testament gebruiken komt dit oorspronkelijk van het Hebreeuwse woord ‘olam’. Dit woord betekent ‘te verbergen, geheim houden, duister’. Het woord wordt het beste uitgedrukt met obscuriteit wat zoiets betekent als ‘een staat van onbekendheid’ of ‘een staat om moeilijk te begrijpen’. In algemeen gebruik refereert het woord aan een ONBEPAALDE periode, maar NIET eeuwig. Het is eenvoudig EEN TIJDPERK. Het einde van dat tijdperk is duister en over het algemeen onbekend, maar niet eindeloos.

Als voorbeeld bidt de profeet Jona in Jona 2:7 voor bevrijding uit de buik van de grote vis. Hij zegt:

“Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen, naar het rijk dat zijn grendels voorgoed (olam) achter mij sluit. Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog, o HEER, mijn God!”

Verbleef Jona voor voorgoed in de buik van de grote vis? Blijkbaar niet, of hij zou keer op keer gerecycled vissenvoer zijn geweest. In de duisternis had hij geen notie van tijd, daarom zijn de drie dagen en nachten beschreven als zijnde olam, een onbekende hoeveelheid tijd.

Een ander voorbeeld waar olam een duidelijk gelimiteerde tijdsperiode, of tijdperk, is kunnen we vinden in Exodus 21:6. Het geeft aan dat een slaaf zijn meester ‘voorgoed’ zal dienen (olam). Dit is niet voor eeuwig, maar alleen een resterende levenstijd van de slaaf. Niemand kon weten hoe lang de slaaf zou leven, daarom was de hoeveelheid tijd onbepaald, of duister.

Een erg interessant vers is Psalm 45:7. Het laat zien dat er tijd is NA olam. Dit bewijst zonder twijfel dat olam op zichzelf niet kan refereren aan eeuwigheid, omdat op het moment dat de Psalmist eeuwigheid wilde uitdrukken, hij ‘olam va ad’ of ‘het tijdperk en verder’ moest zeggen.

“Uw troon is voor eeuwig en altijd (olam va ad, ‘het tijdperk en verder’), o god, de scepter van het recht is uw koningsscepter.”

Er zijn veel meer voorbeelden waar olam duidelijk een gelimiteerde tijdsperiode is, maar hier zullen we u niet onnodig mee vervelen. We zullen slechts een lijst Psalmen voorleggen met de bedoeling dat sommige lezers dit verder kunnen bestuderen: Psalm 78:66; 79:13; 86:12; 89:2; 110:4; 112:6; 115:18.

‘EEUWIGHEID’ IN HET NIEUWE TESTAMENT

De boeken van het Nieuwe Testament zijn geschreven in het Grieks en op sommige plaatsen in het Aramees, maar dit is meteen weer vertaald door de schrijvers in het Grieks. De auteurs van het Nieuwe Testament citeren vaak verzen uit het Oude Testament. Als ze dit doen dan citeren ze gebruikelijk uit de Septuaginta. Dit was de Griekse vertaling van het Oude Testament dat wijdverbreid was in de tijd van Christus en de Apostelen.

In Hebreeën 1:8 citeert de auteur uit Psalm 45:7. In dit vers wordt olam weergegeven door het Griekse woord aion. Vergelijk ook eens Hebreeën 5:6 en Psalm 110:4. Deze passage blijft het dichtst bij het Grieks en daarom wordt het gebruikt in de Septuaginta. En daarom kunnen we met zekerheid stellen dat aion dezelfde betekenis heeft als Hebreeuwse concept van olam.

Maar hoe zit het met het Griekse woord zelf? Betekent aion ook echt tijdperk of een gelimiteerde tijdsperiode? Ja, weldegelijk. Het draagt niet echt de betekenis van obscuriteit, maar wel van tijdperk, net zoals olam. Laat ons dit bewijzen. Een van de meest bekende passages in het Nieuwe Testament waarbij aion refereert aan een tijdperk kunnen we vinden in Matteüs 13, waar Jezus zijn

eigen gelijkenissen interpreteert. Om het contrast te tonen tussen aion en kosmos beginnen we met vers 38.

“… de akker is de wereld (kosmos), het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld (aion) en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld (aion).”

De Statenvertaling spreekt van ‘de voleinding der WERELD’, maar de meeste letterlijk vertaalde Bijbels gebruiken een marginale verwijzing om uit te leggen dat de verzen 39 en 40 vertaald moeten worden met ‘TIJD(PERK)’ in plaats van ‘wereld’. Zie bijvoorbeeld de World English Bible (WEB), waarbij aion vertaald is met ‘age’, oftewel ‘tijdperk’. Hoe weten we dit? Simpel, omdat het Griekse woord aion wordt gebruikt, in plaats van kosmos. Alle vertalers weten dat aion refereert aan een tijdperk. Het refereert aan een gelimiteerde periode van TIJD.

Tijdperken hebben zowel een begin als een einde. Hebreeën 11:3 beschrijft dat tijdperken een beginpunt hebben:

“Door geloof komen we tot het inzicht dat de wereld (aionas,’ tijdperken’) door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het nietzichtbare.”

De NBV vertaalt aionas incorrect op dit punt. Aionas is simpelweg het Griekse meervoud van aion. Het beschrijft dat God de tijdperken heeft ‘ontworpen’; daarom hebben tijdperken een begin. Dit wordt eveneens ondersteund door Hebreeën 1:2.

“maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld (aionas,’ tijdperken’) heeft geschapen.”

We weten dat Jezus Christus (de Logos uit Joh. 1:1) inderdaad de wereld heeft geschapen, maar dit is niet hetzelfde als wat de auteur van de Hebreeën ons vertelt. Hij vertelt ons dat Jezus de tijdperken heeft gecreëerd. Deze bestonden simpelweg nog niet voor de schepping. Dit is een geschapen ‘iets’, net zoals de ruimte. Paulus haalt zelfs nog een belofte van God aan, die Hij al had gemaakt VOORDAT de tijd begon. We kunnen dit vinden in Titus 1:2.

“die hoop geeft op het eeuwige (aionian) leven dat God, die niet liegt, vóór alle tijden heeft beloofd (pro chronon aionion, ‘voordat de tijdperken begonnen’).”

De NBV komt in deze passage erg dichtbij het concept van tijdperkindeling. Het verhaalt over een belofte die God heeft gemaakt vóór alle tijden, oftewel voordat de tijden (tijdperken) waren gecreëerd. Hieruit kunnen we opmaken dat God de tijd heeft geschapen en dit heeft opgedeeld in (tijd)perken.

‘HET EEUWIGE LEVEN’ OF LEVEN IN HET TIJDPERK?

Titus 1:2 (zie vorige tekst) verhaalt ook over Gods belofte aan ons, wat de hoop op aionian leven is. Velen nemen aan dat hiermee onsterfelijkheid wordt bedoeld en daarom wordt dit ook vaak aangeduid als ‘het eeuwige leven’. Maar strikt genomen is dit niet zo.

Aionian leven is een specifieke belofte van onsterfelijkheid in HET LOOFHUTTEN TIJDPERK, dat wordt geschonken aan hen die het Leven beërven bij de eerste opstanding. Zoals we zagen in Hoofdstuk Eén zullen slechts enkele gelovigen dit Leven beërven bij de eerste opstanding; maar de meeste gelovigen zullen moeten wachten op de algemene (tweede) opstanding. Paulus refereert aan de eerste opstanding in Filippenzen 3:11–14:

“Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11 in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan (exanastasis). 12 Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft. 13 Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. 14 Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.”

Als Paulus zegt ‘de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept’ doelt hij hier op het Leven dat hij wil beërven bij de eerste opstanding aan het begin van Loofhutten en NIET op de algemene opstanding aan het einde van de duizend jaar.

Hoe we dit weten? Omdat Paulus in Filippenzen 3:11 het hogere doel beschrijft, namelijk de ‘buitengewone opstanding’ (exanastasis). Dit is de enige keer in het Nieuwe Testament dat Paulus ‘ex’ toevoegt aan het begin van het gangbare woord voor opstanding (anastasis). Op deze manier uit hij het verschil van de hogere (eerste) opstanding met de algemene (tweede) opstanding.

Het Griekse woord waarmee ‘hemelse’ wordt vertaald in de NBV is ano. Dit betekent hoog, opwaarts of van boven. Als het woord voor een land gebruikt wordt betekend dit het binnenland of gelegen van de kust af. Als het woord voor tijd gebruikt wordt betekent dit EERSTGENOEMDE of vroeger. Daarom, wanneer Paulus deze term gebruikt om de HEMELSE (hoge) prijs te beschrijven, doet hij dit om ons duidelijk te maken dat er twee opstandingen zijn: de eerstgenoemde en de latere, of de eerste en de algemene opstanding. De prijs is om de eerstgenoemde of eerste opstanding te verkrijgen.

Door het hele Nieuwe Testament heen vinden we ontelbare referenties aan ‘het eeuwige leven’. Natuurlijk zullen we het eeuwige leven beërven, oftewel onsterfelijkheid. Maar de intentie van deze uitdrukking is om ons een betere (heerlijkere) opstanding te laten zien, waarin we het leven zullen beërven tijdens het Loofhuttentijdperk VOORAFGAAND AAN de tijd van de nieuwe hemel en nieuwe aarde.

We moeten de Schrift begrijpen door Hebreeuwse ogen en niet door onze moderne Nederlandse ogen. Volgens het Hebreeuwse concept geloofde men dat we zouden opstaan aan het begin van het Loofhuttentijdperk. De Messias zou komen om het Koninkrijk te regeren en Zijn volk zou met Hem regeren. In andere woorden zouden zij het aionian leven verkrijgen, oftewel de onsterfelijkheid tijdens het Loofhuttentijdperk.

Ik heb geen bewijs kunnen vinden dat de profeten in het Oude Testament heel duidelijk van meer dan één opstanding af wisten, net zoveel als ze wisten van een Pinkstertijdperk vóór het Loofhuttentijdperk. Dit werd pas onthuld in de tijd van Jezus en Zijn Apostelen.

Toen ze dit onthulden werd het duidelijk (zoals we zagen in Hoofdstuk Eén) dat degenen die delen in deze hoge (hemelse) prijs al 1000 jaar eerder het leven beërven vóór de rest van de gelovigen.

Daarom vinden we verwijzingen zoals in Luk. 12:46 waar wordt onderwezen dat de gelovigen (dienaren) die niet uitzien naar Zijn komst ‘het eeuwige leven’ niet zullen beërven. Eigenlijk wordt er gezegd dat deze mensen niet zullen delen in de eerste opstanding. Zij verkrijgen niet het voorrecht om onsterfelijk en corruptieloos met Christus te regeren in het Loofhuttentijdperk. En zo worden wij overal aangemaand om te streven om het aionian leven te beërven, wat de echte hemelse prijs is (Filippenzen 3:14).

JEZUS ZAL REGEREN GEDURENDE DE TIJDPERKEN VAN DE TIJDPERKEN

In Luk. 1:33 lezen we ‘DAT aan zijn koningschap GEEN EINDE zal komen’. Als Lukas hier de term aionian had gebruikt zou dit incorrect zijn. De dingen VAN het koninkrijk zullen werkelijk eeuwig (voor altijd) zijn, in plaats van tijdperkgebonden. Maar Jezus’ heerschappij duurt slechts totdat alle vijanden zijn onderworpen, inclusief de dood (1 Kor. 15:25–28). Vanaf dat ogenblik zal het koninkrijk worden overgedragen aan de Vader en zal het perfecte universum overgaan in een tijdloze dimensie waar we nog erg weinig van af weten.

In Hebreeën 7:16 refereert de schrijver aan Jezus’ komst ‘door de kracht van zijn onvergankelijk leven’. Het Griekse woord dat vertaald wordt met ‘onvergankelijk’ is akatalutos, wat eigenlijk ‘onverbrekelijk’ betekent, oftewel niet onderworpen aan vernietiging. De NBG-vertaling uit 1951 vertaalt het met ‘onvernietigbaar’, wat ook erg accuraat is. Hij zou het bij het verkeerde eind hebben als hij had gezegd dat Jezus alleen aionian leven zou hebben. Daarom kiest hij zijn woorden zorgvuldig.

In 1 Timoteüs 1:17 wordt ons gezegd dat Jezus de Koning der Eeuwen is, dat Hij de rechtmatige Heerser van de aarde is die zal regeren tijdens de laatste twee tijdperken van de tijd. Eerst komt het Loofhuttentijdperk, dat Gods plan in de huidige wereldorde culmineert, gevolgd door het Tijdperk van een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde. Dit zijn de Tijdperken van de Tijdperken, oftewel de Tijdperken die gaan komen.

Na een periode van zevenduizend jaar (een Sabbatsmillennium) zal God de vuurpoel ontsteken om degene die slecht doen (de slechten) te zuiveren. De gelovigen zullen slechts ‘een paar slagen’ of ‘veel slagen’ ontvangen met een maximum van veertig, volgens de bijbelse wet (Deut. 25:1–3). God verbiedt een straf van meer dan veertig slagen. Waarom?

“Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld, 2 dan moet de rechter de schuldige, als die tot stokslagen veroordeeld is, op de grond laten neerleggen en hem in zijn bijzijn het aantal slagen laten toedienen dat past bij het misdrijf. 3 Ten hoogste veertig stokslagen mogen hem gegeven worden, niet meer. Anders wordt er geen maat gehouden, en zou een volksgenoot voor uw ogen zijn eer verliezen.”

Gods oordeel is zorgvuldig vastgelegd en gemeten met het doel dat wij onze ‘eer niet verliezen’ (niet worden gedegradeerd). Het oordeel verbetert ons, in plaats van dat het ons vernietigt. Dit geldt voor zowel gelovigen als ongelovigen, omdat het een wet is die geldig is voor alle wetsovertreders. Paulus zegt in 1 Timoteüs 1:17:

“Aan de koning der eeuwen (ton aionion, ‘van de tijdperken’), de onvergankelijke, onzichtbare en enige God, zij de eer en glorie tot in alle eeuwigheid (aionias ton aionon, ‘de tijdperken van de tijdperken). Amen.”

Op de manier zoals dit vers is vertaald komt het bij veel mensen over dat Paulus ons informeert over Gods ‘eeuwige’ bestaan. God is, uiteraard, ‘eeuwig’. Niemand weerlegt dit, omdat het altijd werd aangenomen. Maar Paulus wijst op een ander aspect van Gods wezen en positie. Hij is de koning der eeuwen die zal regeren in de laatste glorieuze tijdperken van de aarde. Er staat dat Hij in ‘de tijdperken van de tijdperken’ zal heersen.

De Griekse zin hierboven is aionas ton aionos. Het woord ton betekent ‘van de’. Het betekent NOOIT ‘en’, zoals in de term voor eeuwig en altijd (eeuwigheid). Als we er over nadenken klopt deze term ook niet, omdat het impliceert dat het langer duurt dan eeuwig. Sommige vertalers doen een ‘zing en dansroutine’ om ons duidelijk te maken dat de term een idiomatische (taaleigen) uitdrukking is. Zij zeggen dat het wijst op eeuwig dat wordt overspoeld met altijd. Als dat zo is dan zou het Heilige der Heiligen ook idiomatisch zijn voor het ‘Heilige EN Heiligen’. Dan zou het Lied der Liederen ook idiomatisch zijn voor het ‘Lied EN Liederen’. Of we moeten zeggen dat het Heilige der

Heiligen een Heilige plaats is dat ontelbaar keer wordt overspoeld met andere heilige plaatsen. Het Lied der Liederen zou dan een Lied zijn met oneindig veel coupletten.

Nee, de Bijbel spreekt over de MEEST Heilige Plaats en het GROOTSTE Lied en het GROOTSTE Tijdperk.

DE VULGAAT VAN HIËRONYMUS

De vroege Kerk was voornamelijk verdeeld tussen Griekse en Latijnse cultuur en taal. We lezen in seculaire geschiedenissen dat het Romeinse Rijk de Grieks sprekende wereld had veroverd kort nadat Jezus werd geboren. De Romeinen ontleenden veel van de Grieken, maar de barrière van taal en cultuur bleven bestaan. De denkwijze was voornamelijk heel verschillend.

De Griekse filosofen waren het meeste bezig met de perfecte (ideale) man. De Romeinen waren voornamelijk bezig met een perfecte overheid. De Grieken achtervolgden de ideale man door deugd en schoonheid te bestuderen; de Romeinen achtervolgden de ideale overheid door wet en orde te bestuderen.

Deze verschillen kwamen ook bovendrijven bij de vroege Kerk. Beide culturen hadden een tendens om de Bijbel door hun gekleurde bril van cultuur te interpreteren. Hoe meer en meer de tijd voorbij vloog, hoe meer en meer ze vervreemden van het Hebreeuwse perspectief. En zo hadden zowel de Grieken als de Romeinen hun eigen unieke tekortkomingen en blinde vlek, net zoals we dat vandaag de dag hebben.

De blinde vlek van de Latijnse christenen was het geloof om wet en orde te handhaven door, zo nodig, mensen te martelen met de meest verschrikkelijke handelingen in het leven na de dood. Deze obsessie van wetshandhaving lijkt de drijvende kracht te zijn achter het Latijnse idee over Gods eeuwige vergelding ten opzichte van zondaren.

Ik weet niet wanneer de Oude Latijnse versie van de Bijbel werd vertaald ten voordele van de Romeinen. Het was geen goede vertaling volgens de norm van geleerden. Maar uiteindelijk stond er een geleerde op die wel gekwalificeerd was om de oude versie tevernieuwen. Zijn naam was Hiëronymus.

Hiëronymus werd geboren in 347 n.Chr. in Italië. Zijn ouders waren welvarende christenen die hem naar Rome stuurde voor een seculiere opleiding. Na zijn studies werd hij in de Kerk gedoopt op negentienjarige leeftijd. Toen hij het kloosterleven in wilde waren zijn ouders het er niet mee eens, waardoor ze ruzie kregen. Vanwege zijn slechte humeur heeft hij hierdoor zijn ouders nooit meer gezien, ook verwijst hij nooit naar hen in zijn geschriften.

Toen Hiëronymus in 373 n.Chr. in zijn twintiger jaren was vertrok hij naar het Oosten, naar de Griekse wereld, omdat dit het land van onderwijs was met hogere theologische studies. Hij ontmoete daar Evagrius in Antiochië en begon de Griekse taal te leren. Later leerde hij ook heel nauwkeurig de Hebreeuwse taal.

Van 379 tot 382 woonde hij in Constantinopel waar hij Gregorius van Nyssa ontmoete. Hij nam ook Gregorius van Nazianze als zijn ‘leraar’ aan. Hiëronymus ging alle geschriften van Origenes lezen en de geschriften die door Origenes werden aanbevolen.

Toen hij de Latijnse Bijbel hertaalde in 390–406 n.Chr. uitte hij in het voorwoord een waardering voor Origenes, die ook veel had vertaald (Hiëronymus heeft ook een tijdje in Alexandrië gewoond, dit was de woonplaats van Origenes). Tot slot ging hij wonen in Bethlehem, waar hij de resterende jaren van zijn leven het hoofd was van een klooster.

Het is jammer dat Hiëronymus’ persoonlijkheid zo wraakzuchtig en meedogenloos was. Hij was werkelijk één van de beste christelijke geleerden van zijn tijd en werd hier ook voor bewonderd; maar zijn giftige pen zorgde ervoor dat de mensen erg voorzichtig waren, zodat ze, op één of andere manier, niet door hem beledigd werden. Zijn zinloze aanvallen op Pelagius zorgde er uiteindelijk voor dat in 416 n.Chr. zijn klooster in Bethlehem tot de grond toe werd afgebrand. Hiëronymus stierf op 30 september 420 n.Chr.

Hiëronymus heeft uitstekend werk verricht met betrekking tot de Vulgaat. Zijn vertaling is een klassieker geworden en wordt sindsdien gebruikt. Ondanks dat moeten we toch onze vraagtekens zetten en onze opmerking plaatsen over het onderwerp ‘eeuwig’ en ‘voor altijd’, omdat we door de Vulgaat deze woorden hebben overgenomen in de Nederlandse Bijbel.

Toen Hiëronymus bij het Griekse woord aionian (‘tijdperk-gedurend’) aankwam, kon hij twee woorden in het Latijn kiezen als vertaling: seculum en aeternum. Beide woorden werden al gebruikt in de Oude Latijnse versie die hij hertaalde. In feite kwamen deze woorden behoorlijk dicht bij de betekenis van het woord aionian. En daarom verwisselde Hiëronymus beide woorden.

Er was alleen één probleem, de Latijnse woorden hadden een DUBBELE BETEKENIS. Volgens een voetnoot in Augustinus’ ‘De Stad van God’ (De civitate Dei) XXII lezen we, “De woorden ‘eeuwig’ en ‘eeuwigheid’ (voor altijd) uit het Latijn aeternus, aeternitas, zijn verwant met aevum, wat ZOWEL ‘oneindige tijd’ ALS ‘een tijdsperiode’ betekent, voor de tweede betekenis wordt doorgaans het woord aetas gebruikt.”

Deze voetnoot werd geplaatst door moderne Latijnse geleerden om de Latijnse terminologie te verduidelijken, omdat Augustinus in zijn Latijnse Bijbel probeerde te bewijzen dat aeternus en aeternitas oneindige tijd betekent. Denk aan het laatste vers dat we eerder aanhaalden, Psalm 45:6,

“Uw troon is voor eeuwig en altijd (olam va ad, ‘het tijdperk en verder’), o god, de scepter van het recht is uw koningsscepter”

Hiëronymus’ vertaling van dit vers is in het Latijn: in aeternum et ultra (‘in eeuwigheid en verder’). Het is helder dat Hiëronymus wist dat aeternum refereert aan een gelimiteerde tijdsperiode, of een tijdperk, in plaats van ‘eeuwigheid’ zoals we het vandaag de dag vertalen, omdat er na eeuwigheid niets meer is.

In ieder geval gebruikte Hiëronymus zowel seculum en aeternum in de Vulgaat. Twaalfhonderd jaar later volgde de Statenvertalers het voorbeeld van de Vulgaat in het vertalen van deze woorden. Waar de Vulgaat aeternus zegt, zegt de Statenvertaling ‘eeuwig’. Waar het seculum zegt, zegt de Statenvertaling ‘wereld’. Vandaar dat de Statenvertaling in Matteüs 13:39 en 40 zegt: “voleinding dezer WERELD” in plaats van “voleinding van dit Tijdperk”. Ons moderne woord ‘seculair’ betekent: ‘aan deze wereld gelijkvormig, of gelijkvormig aan deze tijd (dit tijdperk)’.

Hieronymus’ vertaling is niet incorrect, want zijn woorden zijn technisch goed vertaalt. Het probleem zit in de dubbele betekenis, en dat Augustinus de verkeerde betekenis koos om de eeuwige marteling te verdedigen. De Latijnse geleerden werden gedwongen om ons op zijn vooringenomenheid te wijzen.

HET ARGUMENT VAN AUGUSTINUS IN ZIJN BOEK, DE STAD VAN GOD

Het boek, De Stad van God, was eigenlijk een serie boeken die geschreven zijn van 412 tot zijn dood in 430. Toen Alarik de Gotische in 410 n.Chr. Rome innam werd de christelijke Kerk in verlegenheid gebracht en eiste een verklaring. Want ze hadden ervoor gestreden dat zoiets niet kon gebeuren nu christelijke leiders Rome regeerden. Het werd aangenomen dat God Rome zou verdedigen tegen heidense invallen. Anderzijds hadden de heidenen in Rome de val van Rome voorspeld omdat de heidense goden niet langer werden ondersteund door de staat. Vandaar dat de Latijnse christenen zich op Augustinus richtte voor een verklaring van het voorval. Vanwege dit voorval begon hij

twee jaar later in 412 n.Chr. met het schrijven van zijn boek.

In essentie schreef Augustinus dat de mensheid was verdeeld in twee verschillende geestelijke steden: Babylon (Babel) en Jeruzalem. Rome zelf was niet zo’n punt omdat sommige Romeinen van Babylon waren en sommige van Jeruzalem, de Stad van God. Hij beargumenteerde dat aan het einde van de geschiedenis alle inwoners van beide steden door God gescheiden zouden worden. De meeste zouden voor eeuwig naar de hel gaan; een paar zouden voor eeuwig naar de hemel gaan.

In latere delen van het boek, in het bijzonder Boek 21, probeert hij te bewijzen dat de straf voor de slechten ‘eeuwig’, oftewel eindeloos, is. Dit deed hij door filosofisch te beredeneren en door Cicero, de Romeinse staatsman, te quoten. Daarnaast haalt hij zijn enige echte ‘bewijs’ uit zijn interpretatie uit Matteüs 25:46 die hij als volgt uitlegt in ‘De Stad van God’, XXI, xxiii.

“Omdat Jezus het volgende zegt op dezelfde plaats en beide in één en dezelfde zin: “En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.” Als beide eeuwig zijn, moeten beide zeker worden gezien als ‘lang’, maar wel met een einde, of anders als ‘voor altijd’ zonder een einde, omdat beide aan elkaar gewaagd zijn. In één clausule eeuwige straf, in de andere eeuwig leven. (Om te zeggen dat) “Het eeuwige leven zonder einde zal zijn (maar) eeuwige straf zal wel een einde hebben” is volkomen absurd. Vandaar dat we uitgaan dat het eeuwige leven van de heiligen zonder einde zal zijn, zal eeuwige straf ook zeker zonder einde zijn voor degenen wiens lot dit is.”

Augustinus schijnt totaal onwetend te zijn van twee zaken: (1) dat het Griekse woord aionian GEEN dubbele betekenis had, zoals het Latijn wel heeft; en (2) het Hebreeuwse concept van ‘Het Tijdperk’.

Matteüs 25:46 leert ons eigenlijk dat de slechten een goddelijke kastijding zullen krijgen in aionian (gedurende het TIJDPERK). De rechtvaardigen aan de andere kant, zullen opstaan tot het leven in aionian (gedurende Het Tijdperk).

In de Evangeliën onderwijst Jezus ons specifiek over twee verschillende opstandingen. Lukas 14:14 vertelt ons over de ‘opstanding van de rechtvaardigen’, waar zij zullen worden beloond. In Johannes 5:28 en 29 vertelt Jezus ons over de opstanding van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen (de slechten).

De tijd tussen deze twee opstandingen (de tussentijd) definieert ‘Het Tijdperk’. Degenen die opstaan tijdens de opstanding van de rechtvaardigen zullen het leven (ver)krijgen in Het Tijdperk; dat wil zeggen, aionian leven. Het is een speciale beloning voor bepaalde christenen die worden geroepen om te regeren met Jezus. Zij zullen het leven 1000 jaar eerder beërven voordat hun medechristenen het beërven. Het betekent niet dat hun beloning moet eindigen met dat tijdperk. God heeft geen intentie om hun onsterfelijkheid weer af te pakken.

Eveneens, wanneer Jezus spreekt van de slechten of onrechtvaardigen die het aionian oordeel verkrijgen, laat Hij ons wederom zien dat hun oordeel is gelimiteerd aan een specifiek tijdperk. Het heeft zowel een begin als eind. Oordeel is niet eeuwig zonder hoop op herstel. Het boek Openbaringen laat zien dat dit tijdperk van oordeel wordt gevolgd door het Oordeel van de Grote Witte Troon aan het einde van het duizendjarige Loofhuttentijdperk.

Daarom begint het aionian leven, geschonken aan hen die 1000 jaar met Christus regeren, bij de eerste opstanding en zal het eindigen bij de tweede opstanding. Het aionian oordeel van de onrechtvaardigen zal aanvangen bij de tweede opstanding en eindigen bij het grote Jubeljaar aan het einde van de tijd, als alle dingen onder de voeten van Jezus zijn gelegd.

Daarom is het argument van Augustinus dat aionian leven en aionian oordeel beide gelijk moeten zijn helemaal correct. Het probleem doet zich voor als hij ons probeert te laten zien dat beide eindeloos zijn, als in feite, ze allebei bij een tijdperk horen. Hij speelt in op de gemiddelde christelijke onwetendheid van de Griekse taal. Ten tweede exploiteert hij de onwetendheid over ‘Het Tijdperk’ (aion) en de zaken die erbij horen (aionian).

Het punt is dat het argument van Augustinus in zijn boek De Stad van God geen steek houdt. Zelfs de Latijnse geleerden die zijn boeken hebben vertaald weten dit en ze informeren ons ook in hun voetnoot over de misleidende retoriek van Augustinus. Dr. F.W. Farrar zegt namelijk het volgende over Augustinus in zijn boek De Eeuwige Hoop, pag. 198:

“Omdat aion ‘tijdperk’ betekent, betekent aionian ‘behorend bij een tijdperk’, of ‘gedurende een tijdperk’, en iemand die beweert dat het ‘eindeloos’ betekent verdedigt een positie die Augustinus twaalf eeuwen geleden praktisch liet varen.”

En zo zien we dat in de originele Hebreeuwse en Griekse taal de woorden olam en aionian refereren aan een gelimiteerde periode van tijd. Dit is de reden dat de meeste geleerden van de vroege christelijke Kerk begrepen dat de vuurpoel slechts ‘tijdperk gedurend’ was. Augustinus was de eerste die hier tegen inging en dit deed hij met een zeer broze basis, omdat hij de Leer van de Tijdperken niet begreep.

Augustinus was dusdanig gehandicapt omdat hij vrijwel niets begreep van de Griekse taal. Peter Brown vertelt ons dit in zijn boek Augustinus van Hippo, pag. 36:

“Het falen van Augustinus om Grieks te leren had gewichtige consequenties voor het Recente Roomse onderwijssysteem; hij zal de enige Latijnse filosoof zijn die volkomen ontwetend was van de Griekse taal.”

Nog erger was het dat de Latijnse Kerk het niet langer nodig vond om Grieks te leren, deze insteek veroorzaakte een fout die weinig kans had op herstel. Peter Brown vertelt het volgende hierover:

“Geleidelijk aan zou de ‘geleerde broederschap’ niet meer de behoefte hebben om Griekse boeken te lezen. Met als reden dat ze Augustinus hadden.” (Ibid., pag. 272)

Het is niet ons doel om aan de echte bijdragen van Augustinus tot de Kerk en de christelijke gedachte afbreuk te doen. Hij had sterke punten, wat hem in zijn tijd ook de meest invloedrijkste Latijnse theoloog maakte. Wij zullen later op sommige van zijn belangrijke bijdragen tot de christelijke gedachte commentaar geven, maar voor nu hebben we noodzakelijk ons commentaar beperkt tot de zaak waar het hier om gaat, de geschiedenis van het woord ‘eeuwig’ te laten zien en hoe bepaalde gebeurtenissen hebben bijgedragen aan zijn moderne interpretatie.

HOOFDSTUK 5

Het Herstel van Alle Dingen

We zagen eerder in Openbaringen 20:4–6 dat de eerste opstanding slechts een gedeelte van de gelovigen omvat. Sommigen noemen dit de overwinnaars, wij noemen het de eerste vruchten. We zagen ook in Johannes 5:28, 29 en Handelingen 14:15 dat er een tweede opstanding gaat komen, waarbij zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen zullen opstaan. Deze tweede opstanding wordt genoemd in Openbaringen 20:11–15.

Na de tweede opstanding zullen alle ongelovigen ‘in de vuurpoel gegooid worden’. We hebben reeds aangetoond dat zij NIET aan een letterlijke marteling onderworpen zullen worden. Maar we moeten onze aandacht focussen op de positievere vraag over wat er met hen zal gebeuren.

DE STAAT VAN HET OPGESTANE VLEES

In 1 Korintiërs 15:35 drukt Paulus zich uit op een manier dat gezien wordt als een typisch Epicurische plagerij:

“Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?”

De Bijbel wijst slechts Jezus aan als Voorbeeld van hoe de doden worden opgewekt. Wij lazen in het Romeinen 8:11 dat de Geest van God Hem uit de doden opwekte. Echter, de Bijbel openbaart niet hoe dit wordt verwezenlijkt.

In verband met het type lichaam dat doden bij de opstanding zullen aannemen, wordt dit opnieuw getoond in het opgestane lichaam van Jezus. In Lukas 24:36-39 verscheen Jezus aan zijn discipelen na Zijn opstanding. Wij lezen hier:

“Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ 37 Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. 38 Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? 39 Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.”

Hieruit kunnen we opmaken dat Jezus geen geest is, tenminste niet in de gangbare betekenis. Wij lazen op andere plaatsen dat Jezus na Zijn verrijzenis ook met Zijn discipelen at (Lukas 24:30). Geesten kunnen geen voedsel eten, ook hebben zij geen tekens op hun lichaam zoals Jezus had.

Aan de andere kant had Jezus ook geen gewoon vlees, want hij kon door muren lopen (Johannes 20:26) en verdwijnen in het niets (Lukas 24:31). In het hierboven geciteerde Lukas 24:39 zegt Jezus dat Hij ‘vlees en beenderen had’, maar er wordt geen vermelding gemaakt over het hebben van bloed. Waarom niet? Omdat de ziel in het bloed is (Lev. 17:11 ‘behoorlijk letterlijk vertaald’). Mensen worden begraven in een zielsstaat, maar staan op in een geestelijke staat, zoals wij in 1 Korintiërs 15:44 lezen:

“Er wordt een aards (psuchikos, ‘ziels’) lichaam gezaaid, maar een geestelijk (pneumatikos, ‘geestelijk / spiritueel’) lichaam opgewekt. Wanneer er een aards (ziels) lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.”

Een zielslichaam heeft vlees en bloed; een geestelijk lichaam heeft vlees en botten. Er zijn enkelen die geloven dat we in het huidige leven een fysiek lichaam hebben, maar dat we in het volgende leven geesten zullen zijn, zonder lichaam. Jezus’ voorbeeld toont aan dat deze opvatting niet klopt. Terwijl het opgestane lichaam niet beperkt wordt door het vlees, zoals vandaag de dag, is het op één of andere manier nog wel fysiek en tastbaar.

Misschien wordt de beste verklaring van het opgestane lichaam gevonden in Ezechiël 44. De zonen van Sadok, zo wordt ons verteld, zullen een beloning krijgen die verschilt met het gewone Levitische priesterschap. In de termen van het Nieuwe Testament, vertegenwoordigen de zonen van Sadok de Melchisedische Orde, die de eerste opstanding erven. Deze worden onderscheiden van de Levieten, die de rest van de Kerk vertegenwoordigd. God vertelt Ezechiël dat de ‘Levieten’ op die dag de mensen in het ‘buitenhof’ (het vlees) zullen besturen, maar alleen de ‘zonen van Sadok’ zullen, naast

over mensen, ook samen met God besturen.

Ons wordt verteld dat de ‘zonen van Sadok’ hun linnenkledingstukken dragen als zij samen met God besturen; maar anderzijds moeten zij in wollen kledingstukken veranderen wanneer zij de mensen besturen (Ez. 44:19). Het linnen vertegenwoordigt hier de geestelijke staat; terwijl de wol, die van dieren komt, de fysieke staat vertegenwoordigt. Met andere woorden zullen de zonen van Sadok, zij die de eerste opstanding erven, zich op elk moment kunnen bewegen van de geestelijke dimensie naar de fysieke dimensie, net zoals Jezus deed. De rest van de Kerk zal dit voorrecht niet hebben, totdat zij bij de tweede opstanding, duizend later jaar, veranderd worden.

Jezus was het product van een hemelse Vader en een aardse moeder. Vóór Zijn incarnatie, had hij gezag in hemel. Hij is geboren uit een vrouw als Zoon des mensen om ook gezag in het aardse, fysieke koninkrijk te ontvangen. Toen Zijn werk was voltooid, kon hij in Matteüs 28:18 zeggen: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.”

Het doel van de opstanding is net zoals Jezus te worden en te veranderen in Zijn Beeld. Wij hebben ook een hemelse Vader en een aardse moeder. Jezus is onze Patroon (Bestuurder) Zoon en wij volgen in Zijn voetstappen. Wanneer mensen uit de dood opstaan in drie opstandingen zullen zij gezag krijgen in de hemelse (geestelijke) dimensie en de aardse (fysieke) dimensie. Beide zijn belangrijk in het plan van God, op z’n minst tot wanneer het Herstel van Alle Dingen voltooid wordt.

DE VOLKEN IN HET LAATSTE TIJDPERK

In zowel het komende tijperk als het Laatste Tijdperk daarna zullen er veel ongelovigen zijn die rechtvaardigheid zullen leren (Jesaja 26:9). Het is het doel van Gods oordeel om de mensheid de goddelijke wet te leren en hun praktijken af te dwingen. Deze handhaving van compensatie aan alle slachtoffers van onrechtvaardigheid zal ook resulteren in het herstel van alle dingen. Wanneer de wettige orde volledig is hersteld zullen alle oordelen ophouden en zal Gods vergeving de hele aarde en al haar inwoners bedekken.

Gods methode van onderwijs geeft Hij door de principes in praktijk te brengen gedurende dat Tijdperk en door alle schade van vroegere tijden te herstellen waar de mensheid toen ‘mee weg kwam’. Op deze manier zullen alle volken van mensen die buiten het nieuwe Jeruzalem staan Zijn wetten leren, zoals geprofeteerd is in Jesaja 2:2–4.

“Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, 3 machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. 4 Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.”

Deze profetie wordt herhaald in Micha 4:1–5. Dit is de aard van Jezus’ OORDEEL ‘de vuurpoel’ genaamd. Dit is wanneer de volken zijn gezuiverd. Dit is als de volken van vroegere tijden, waarvan er velen nog nooit van Jezus gehoord hebben, de kans krijgen Hem te leren kennen. Met als resultaat dat ze Hem, vroeg of laat, zullen aannemen als Koning en als hun Redder. En als ze dit doen zullen ze ‘de stad door de poorten binnengaan’ en dus beschikking hebben over de levensboom, Openbaringen 20:14.

En zo zullen de ongelovigen die opstaan tijdens het laatste oordeel geen ‘geestelijk vlees’ hebben, zoals de gelovigen dit wel zullen hebben. Zij zullen opstaan om geoordeeld te worden en niet om het (onsterfelijke) leven te ontvangen (Johannes 5:29). Zij zullen niet onsterfelijk of onafbreekbaar zijn, zoals de gelovigen wel zijn (1 Kor. 15:53). Zij zullen nog steeds ‘vlees en bloed’ zijn dat het ‘Koninkrijk van God niet kan beërven’ (1 Kor. 15:50). Wanneer ze zich keren tot Jezus met berouw voor hun zonden zullen ze net zoals christenen vandaag de dag worden, hoewel de wereld, vanuit politiek oogpunt, enorm verschillend zal zijn.

Sommige zullen maar al te graag Jezus erkennen als Koning der koningen, waar ze zich voorleggen aan het vuur van de zuiveraar; anderen zullen dit doen door de beperking van de wet. Sommige zullen snel gezuiverd worden; anderen zullen er erg lang over doen om hun compensatie voor alle overtredingen tegen God en mensen te betalen.

Misschien worden hun levensspanwijdten op goddelijke wijze bepaald om deze verschillen aan te passen, om zo iedereen zijn nodige tijd te geven om de wettige orde te herstellen. Dit wordt ons niet verteld in Heilige Schrift. Maar aan het einde van alles, wanneer alle vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd, dan zal de dood zelf worden vernietigd, en God zal zijn ‘alles in allen’. Dit betekent dat de volheid van de Heilige Geest in alle mensen zal wonen, NIET een beetje in allemaal of alles in sommigen, maar ‘alles in allen’ (1 Kor. 15:28).

Jezus vertelde dat de slechten naar de ‘buitenste duisternis’ worden verbannen (Mat. 8:12). Dit is het deel van de aarde dat buiten het nieuwe Jeruzalem, het koninkrijk van Licht, is. Het is GEEN letterlijke duisternis, want de zon en de maan zal op hen blijven schijnen, zoals vandaag de dag. In Openbaringen 21:23 en 22:5 wordt ons verteld dat ‘de stad’ de zon en maan niet nodig heeft, omdat Jezus daar het Licht is. Maar het zegt NIET dat de zon en de maan zullen ophouden met schijnen over de aarde. Daarom is deze ‘buitenste duisternis’ vergelijkbaar met de geestelijke duisternis van vandaag (Mat. 4:16).

Er zijn veel ‘naties’ die buiten het nieuwe Jeruzalem leven (Op. 21:24–27) die beginnen te wandelen in het licht (dit is; de wetten volgen als gehoorzaamheid tot zijn Koning). Deze ‘naties’ zijn de ‘niet geredde’ volken van de aarde van alle afgelopen eeuwen. Zij worden niet toegestaan om in de stad TE LEVEN, want dit is slechts gereserveerd voor de burgers van het Koninkrijk, die lichamen van ‘geestelijk vlees’ hebben gekregen. Toch zullen er mensen van deze andere naties zijn die toegang ZULLEN hebben tot de stad. Dit lezen we in Openbaringen 21:26:

“De volken zullen in haar (het Nieuwe Jeruzalem) hun lof en eer komen betuigen.”

Johannes zegt ook in hoofdstuk 22:

“14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan.”

De burgers zijn reeds IN de stad. Er wordt hier geïmpliceerd dat de rest van de mensen – die verblijven in de ‘buitenste duisternis’ of de ‘vuurpoel’ – de stad van buiten mogen ‘binnengaan’ als zij zich kwalificeren.

In het Bijbelboek Zacharia vertelt de profeet ons ook dat deze andere volken van mensen in de stad kunnen komen. In feite zullen zij door goddelijk besluit worden VEREIST om te komen om het Loofhuttenfeest te houden. Sommigen zullen gehoorzamen en anderen niet. Komen ze niet, dan zal God de ‘regen’ niet laten vallen op die volken. Dit lezen wij in Zacharia 14:16 – 19. We beginnen met vers 9:

“En de HEER zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en zijn naam de enige naam… 16 De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, zullen dan jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren. 17 En is er op aarde een volk dat niet naar Jeruzalem komt om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren, dan zal er in dat land geen regen vallen. 18 Ook Egypte zal, wanneer zijn volk niet naar Jeruzalem komt, stellig worden getroffen door deze plaag, waarmee de HEER de volken straft die het Loofhuttenfeest niet komen vieren. 19 Dat zal de straf zijn voor Egypte en de andere volken die niet deelnemen aan het Loofhuttenfeest.”

In het volgende hoofdstuk zullen we het Loofhuttenfeest grondiger onderzoeken. Nu willen we alleen aantonen dat er volken zullen zijn buiten het Koninkrijk, zoals ‘Egypte’ dat wordt geacht om mee te doen aan het Loofhuttenfeest. Als ze weigeren zal de ‘regen’ van de Heilige Geest niet worden uitgeschonken over hen.

Wanneer de mensen van deze volken die buiten het nieuwe Jeruzalem zijn de zegen van God zien die op anderen wordt uitgegoten, zullen zij de goddelijke wet leren en willen uitvoeren. Zij zullen oprechtheid leren. En aan het einde van dat laatste Tijdperk, zal elke creatie hersteld worden voor God. Alle gezag en bevoegdheden en koninkrijken zullen gehoorzaam zijn aan Hem, want Hij zal alle vijanden onder Zijn voeten leggen. Slechts dan zal de laatste vijand (de dood) vernietigd worden. Jezus zal het volledige Koninkrijk, elke creatie, aan Zijn Vader geven, en God zal zijn; alles in allen.

ALLEN ZULLEN LEVEND GEMAAKT WORDEN

Deze boodschap over het herstel van alle dingen werd onderwezen door Paulus in 1 Korintiërs 15:22–28:

“Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door (de) Christus allen levend worden gemaakt. 23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd (tagma, ‘eenheid’): Christus (of de gezalfde eerstelingen) als eerste en daarna, wanneer hij komt (parousia, ‘verschijnt’), zij die hem toebehoren. 24 En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25 Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. 26 De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, 27 want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.”

Nogmaals 1 Korintiërs 15:22–28, maar nu vertaalt in de Statenvertaling:

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in (de) Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar een iegelijk in zijn orde tijd (tagma, ‘eenheid’): de eersteling Christus (of de gezalfde eerstelingen), daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst (parousia, ‘verschijning’). 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 25 Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. 26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.”

Het grootste deel van deze passage is duidelijk. Maar toch zou ik de aandacht van de lezer op een paar kritieke details vestigen.

Vers 22: Het is duidelijk dat de gehele mensheid (allen) in Adam sterft – zonder uitzonderingen. Op dezelfde manier zal ook iedereen (allen) levend gemaakt worden in Christus – zonder uitzonderingen. ‘Allen’ is in beide gevallen te vergelijken met elkaar. Toch zullen zij NIET allemaal tegelijkertijd opstaan en gered worden.

Vers 23: Elke klasse zal in zijn eigen orde (tagma, ‘eenheid’) opstaan, want er is meer dan één opstanding die gaat komen. Onthoud dat Paulus hier diverse opstandingen van de mensheid behandelt. Hij heeft al de opstanding van Jezus behandeld in de verzen 1-21. Dat is het fundament van de opstandingen die volgen.

De eerste ‘eenheid’ dat volgens de meeste vertalingen opstaat is ‘Christus de eerstelingen’. Dit beredenerend houdt nauwelijks steek, aangezien Christus geen ‘eenheid’, maar één enkel Persoon is. Dit kan ‘gezalfde eerstelingen’ betekenen (zie tekstgedeelte). Het woord ‘Christus’ in het Grieks is het woord voor ‘gezalfd’. Wanneer we spreken van Jezus, wordt dit voorafgegaan door het lidwoord ‘de’, zodat het DE gezalfde of DE Christus wordt.

Bijvoorbeeld, in vers 22 (zie tekstgedeelte) heeft de originele Grieks het lidwoord vóór ‘Christus’, omdat Paulus verwijst naar Jezus, ‘de Christus’ in wie allen levend gemaakt zullen worden. Aan het eind van vers 23 staat hetzelfde waar Paulus zegt: ‘daarna die van de Christus zijn’. Tussen deze twee voorbeelden vinden wij echter een geval waar het lidwoord NIET wordt gebruikt: ‘Christus als eerste’. Het is daarom waarschijnlijk dat ‘Christus’ NIET naar ‘de Christus’ (Jezus) verwijst, maar eerder naar een meer algemene eenheid van gezalfden.

Daarom wordt vers 22 beter begrepen als; gezalfde eerstelingen. Dit is de eerste eenheid van gelovigen; zij die de eerste opstanding moeten erven. Paulus koos zorgvuldig deze uitdrukking om eerstelingen van de gerstoogst te beschrijven, die met olie moest worden gezalfd (ingesmeerd), zoals wij kunnen lezen in Leviticus 23:13.

“met het bijbehorende graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, als een geurige gave die de HEER behaagt, en het bijbehorende wijnoffer van een kwart hin wijn.”

Dit was in direct contrast met de eerstelingen van de tarweoogst, het symbool van de tweede verrijzenis van de algemene Kerk. Die eerstelingen moesten met zuurdesem gebakken worden, in plaats van ingesmeerd worden met olie, zoals wij in Leviticus 23:17 lezen.

“Jullie moeten dan uit je woonplaats brood meenemen om het voor de HEER omhoog te heffen: twee broden van twee tiende efa tarwebloem, met zuurdesem gebakken, als gave voor de HEER uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst.”

Wij zullen de eerstelingen gedetailleerder bespreken in ons volgende hoofdstuk over de drie oogstfeesten. De tweede eenheid van degenen die opstaan zijn degenen ‘die van Christus zijn, in Zijn toekomst’ of Zijn komst (verschijning). De ‘verschijning’ van Christus hier is Zijn verschijning als Rechter bij de Grote Witte Troon. Dit wordt duidelijk afgebeeld in Daniël 7 waar de profeet de ‘oude wijze’ zag komen om op de troon van oordeel zijn zetel te nemen (Daniël 7:9 en 22).

Wij hebben reeds aangetoond dat dit de tweede opstanding die zowel gelovigen als ongelovigen omvat.

Vers 24: ‘En dan komt het einde’ verwijst naar het eind van alle dingen, dat wil zeggen, voorbij de Tijdperken van Tijdperken. Dit is de derde en definitieve tijd waar een eenheid van mensen de rust van de God zal binnengaan. Het is niet helemaal nauwkeurig om deze gelegenheid een opstanding te noemen, omdat het lijkt dat de zondaars die tijdens die definitieve tijd worden geoordeeld levend zullen blijven om hun schuld uit te dienen. Wij lazen hierover dit in Openbaringen 20 waar de dood en het dodenrijk (Hades) in de vuurpoel werden gegooid. Als de dood zelf, samen met Hades, in de vuurpoel wordt gegooid, lijkt het erop dat de eerste dood bij het Oordeel van de Grote Witte Troon wordt vernietigd om een weg vrij te maken voor de tweede dood, de vuurpoel.

De tweede dood is een tweede TYPE van dood. Het wordt eenvoudig weergegeven als de vuurpoel, dat, zoals wij hebben gezien, het oordeel van de wet is. Deze tweede dood is de definitieve vijand die bij het Jubeljaar van de Schepping van de aarde aan het eind van het definitieve Tijdperk moet worden afgeschaft. Paulus zegt in 1 Korintiërs 15:26 duidelijk dat ‘de laatste vijand die vernietigd moet worden de dood is’.

Slechts dan, zegt Paulus, zullen alle aardse autoriteiten afhankelijk zijn van Zijn gezag. Alleen dan zullen alle vijanden zijn onderworpen. Zodra alle vijanden volledig onder Zijn voeten zijn, zal de afschaffing van de dood komen. Dit kan slechts worden verwezenlijkt door het leven in het Jubeljaar van de Schepping te geven.

Aangezien de eerste eenheid de gerstoogst, en de tweede de tarweoogst vertegenwoordigt, zo vertegenwoordigt deze derde eenheid de druivenoogst. Om wijn te krijgen, moet God de druiven betreden, dat wil zeggen, Hij moet ‘alle vijanden onder Zijn voeten leggen’. Paulus heeft opnieuw Zijn woorden zorgvuldig gekozen met het oogstthema in gedachte.

Het is Jezus’ verantwoordelijkheid – Zijn roeping – om Zijn Koninkrijk op aarde tijdens het definitieve Tijdperk van Tijdperken te regeren, totdat het doel van Zijn regering is vervuld. Jezus zal NIET voor altijd als de Zoon regeren. Hij zal alleen regeren naar gelang het duurt om de gehele aarde onder Zijn voeten te onderwerpen. Het zal BEIDE van de komende Tijdperken vergen om dit te doen. Zijn doel is de gehele aarde door de macht van Zijn Liefde te veroveren, want in Johannes 12:32 zei Hij:

“Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ 33 Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven.”

Met andere woorden, Jezus zei, ‘als ik gekruisigd word, zal ik ALLE MENSEN naar mij trekken’. Werd Jezus ‘omhoog geheven’ aan het kruis? Natuurlijk werd Hij dat. Dan zal Hij inderdaad ALLE MENSEN naar zichzelf trekken. Hij stierf voor de redding van de gehele wereld, niet alleen voor enkelingen, en Zijn bloed heeft nooit zijn macht verloren.

Wanneer alle mensen Christus als Verlosser en Koning hebben aangenomen, zoals de gelovigen dit in vroegere tijden hebben gedaan, zal Hij een volmaakt en voltooid Koninkrijk aan Zijn Vader voorstellen.

Vers 27 en 28: Paulus citeert hier Psalm 8:6, zoals hij wel vaker doet om zijn punt te bewijzen. Alle dingen (Ta panta, ‘het Al’) zullen afhankelijk zijn van Christus, met als enige uitzondering de Vader zelf, die natuurlijk niet onder het leiderschap van de Zoon zal worden gezet. En wanneer het al inderdaad aan de Zoon wordt onderworpen, dan zal Christus de volledig volmaakte schepping aan de Vader geven als gift en zal Hij ook onderworpen zijn aan de Vader. Dit is werkelijk een geweldig lot voor de aarde. Dit is het Jubeljaar van de Schepping.

HET GETUIGENIS VAN DE HEBREEËN

Hebreeën 2:6–9 zet deze leer voort:

“Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand (David) afgelegd (Psalm 8): ‘Wat is de mens dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet? 7 U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; u hebt hem met eer en luister gekroond, 8 alles hebt u aan hem onderworpen.’ Doordat hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu (tegenwoordig) nog niet; 9 wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is.”

Hier definieert de auteur ‘het al’ (allen) als ‘iedereen’. Niet allen zijn op dit ogenblik afhankelijk aan Christus, maar de dag komt wanneer alle mensen van alle plaatsen aan hem onderworpen ZULLEN zijn. Ondertussen, zegt de Heilige Schrift, zien we dat Jezus’ dood IEDEREEN ten goede zou komen. De Statenvertaling vertaalt het met dat Jezus voor allen de dood gesmaakt heeft. Hij verlaat niets dat NIET onderworpen aan hem is. Paulus verwijst opnieuw naar Psalm 8 in Filippenzen 3:20 en 21.

“Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21 Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.”

Vele christenen hebben zich vandaag de dag nooit afgevraagd of Jezus werkelijk deze macht wel of niet heeft. Zij veronderstellen dat Hij hoofdzakelijk machteloos is om iedereen te redden, behalve dan de eerstelingen, wat maar een klein gedeelte van de oogst is, omdat Jezus niet tegen de wil van de mens in zal gaan. Maar Jezus zelf zei in Johannes 12:32 dat als hij op het kruis zou sterven, hij alle mensen naar zich zou ‘trekken’. Het woord ‘trekken’ is het Griekse woord, helkuo, wat betekent ‘(te) slepen’. Zoals het gebruikt wordt in het Nieuwe Testament, wijst het er altijd op dat degene die sleept zijn wil oplegt aan degenen die worden gesleept.

Johannes 6:44 zegt dat geen mens tot de Vader kan komen behalve wanneer de Vader hem tot zich brengt (de Statenvertaling gebruikt het woord ‘TREKKE’). Johannes 12:32 zegt dat Jezus alle mensen naar zich toe zal halen (de Statenvertaling gebruikt het woord TREKKEN). Johannes 21:6 spreekt van het trekken van het net om de vissen aan kust te brengen. Jakobus 2:6 spreekt van de burgerlijke magistraten, die, in de vervolging van de christenen, hen voor de rechter zouden SLEPEN (de Statenvertaling gebruikt het woord TREKKEN).

Het is dus duidelijk dat de dag zal komen dat de wil van de God aan alle mensen wordt opgelegd. Hij zal alle mensen tot zich trekken door middel van het oordeel, dat wil zeggen, door de vuurpoel. Hij heeft zowel de macht als de wil om dit te doen. In Filippenzen 2:10,11 zegt Paulus:

“opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.”

Johannes zag de vervulling hiervan in een visioen opgetekend in Openbaringen 5:13.

“Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’”

Johannes wist heel goed dat Jezus’ leiderschap in Zijn Koninkrijk als doel had om alle mensen naar Zichzelf toe te trekken. Hij schreef in 1 Johannes 2:2,

“Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.”

Clement van Alexandrië geeft zijn commentaar over de betekenis en het bereik van dit vers in zijn Commentaar op 1 Johannes:

“En niet alleen voor onze zonden, dat wil zeggen, die van de gelovige, is God de Vergever, maar ook voor de gehele wereld. Hij redt inderdaad iedereen; maar sommigen redt Hij door oplegging van straffen; anderen, echter, die Hem vrijwillig volgen redt Hij met waardigheid van eer; zodat elke knie voor Hem zal buigen, zowel de van dingen in hemel, als de dingen op de wereld en dingen onder de aarde – dit zijn de engelen en mensen”

Wat een prachtige gebeurtenis dat Jezus niet alleen stierf voor onze zonden (die van de christenen), maar ook voor de zonde van de gehele wereld! Het bloed heeft nog niets van zijn kracht verloren sinds toen. Paulus vertelde Timoteüs (1 Tim. 4:10, 11) om dit ook te verkondigen.

“Hiervoor zwoegen en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de redder is van alle mensen, bovenal van de gelovigen. 11 Draag dit alles over in je onderricht.”

Gelovigen worden speciaal aangehaald omdat hun redding als eerste komt. Zij verkrijgen een grotere eer, omdat zij het Leven in het Koninkrijk zullen beërven. Toch is God een redder van ALLE MENSEN. Zonder twijfel kunnen wij zeggen dat Timoteüs, en anderen zoals hij, dit inderdaad verkondigde in Klein Azië, want de vroege Kerkleiders in de daarop volgende eeuwen waren trouw aan het geloof om deze zaken te onderwijzen, zoals hun geschriften aantonen.

En vandaag de dag worden wij eveneens vermaand om deze dingen te onderwijzen. Waarom? Omdat het belangrijk is om te begrijpen dat God in Zijn oordelen echt rechtvaardig is. Het gebruikelijke onderwijs over eindeloze kwelling maakt God onrechtvaardig. Volgens welke standaard? Volgens de standaard van God, zoals die in Zijn wet wordt geopenbaard. Dat is de enige rechtvaardige norm op aarde. En om deze reden moeten wij weet hebben van het herstel van alle dingen.

WAT PAULUS DE KOLOSSENZEN VERTELDE

De leer van Paulus wordt helder beschreven in Kolossenzen 1:16 – 20.

“in hem is alles (ta panta, ‘het al’) geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles (ta panta, ‘het al’) is door hem en voor hem geschapen. 17 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem. 18 Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Oorsprong is hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: 19 in hem heeft heel de volheid willen wonen 20 en door hem en voor hem alles (ta panta, ‘het al’) met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.”

In deze passage definieert Paulus ‘het al’ als het geschapen universum, zowel in hemel als op aarde, dat niet alleen zichtbare dingen zoals mensen, maar zelfs de onzichtbare dingen zoals het gezag omvat. Dan zegt Paulus dat het DES VADERS WELBEHAGEN was (Kol. 1:19, Statenvertaling) om al deze dingen door het bloed van Jezus te verzoenen met Zichzelf. Kan het nog duidelijker worden uitgelegd? Dit is geen verborgen leer.

Niemand hoeft de woorden van Paulus te verdraaien om dit duidelijke onderwijs te begrijpen. God verborg het in een helder beeld.

DE THEOLOGIE VAN PAULUS IN ROMEINEN 5

Het boek Romeinen is Paulus’ manier van theologie. In zijn vijfde hoofdstuk toont hij de vergelijking tussen Adam en Christus tijdens het rechtvaardigen van alle mensen.

“12 Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want (eph ho, waardoor) ieder mens heeft gezondigd.”

Dit vertelt ons dat door Adam de zonde in de wereld kwam, samen met de straf hierop, de dood. De zonde van Adam werd vanaf toen toegeschreven aan ons allemaal, niet alleen aan zijn nakomelingen, maar inderdaad aan elke creatie, dat hierdoor in barensweeën zucht en steunt (Rom. 8:22).

De zonde van Adam werd toegeschreven aan ons. Dat betekent eenvoudig dat wij worden beschuldigd van zijn zonde, hoewel het een handeling was die buiten ons plaats vond. En zo moeten wij allemaal voor de boete van de zonde van Adam betalen, dit is de dood. Daarom zijn wij allemaal sterfelijk. Wij zijn niet sterfelijk omdat WIJ gezondigd hebben; wij zijn sterfelijk omdat Adam gezondigd heeft en zijn zonde werd toegeschreven aan ons.

Door hetzelfde proces is de rechtvaardiging van Jezus een handeling die buiten ons plaats vindt, maar die wel aan ons wordt toegeschreven. Zo profiteren wij dus van het nieuwe leven, dit is de onsterfelijkheid. Wij kunnen dit principe als volgt illustreren:

1. Jantje steelt een koekje

2. De hele klas krijgt de schuld

3. De klas moet terugbetalen door 2 koekjes terug te geven

Het probleem is dat de klas geen koekjes heeft, ook weten ze niet hoe ze deze moeten maken. Maar opeens komt er een slimme jongen, Pietje, in de klas. Wat een geluk, hij weet hoe je koekjes moet maken, dus…

1. Pietje maakt koekjes en betaald de schuld

2. De klas wordt gevrijwaard

3. De klas mag naar buiten en is vrij om te spelen

Jantje en Pietje hebben iets gemeen. Door één slechte daad van Jantje kreeg de hele klas de schuld, daarom moesten ze allemaal boete betalen. Aan de andere kant, door de goede daad van Pietje werd de hele klas gerechtvaardigd, waarvan ze allemaal profiteerde.

Dit is wat de zonde van Adam ons heeft AAN gedaan; en dit is wat Jezus’ rechtvaardige daad VOOR ons heeft gedaan. Maar hoe moeten we dit zien? Sprak Paulus van slechts een paar mensen of praatte hij over een beïnvloeding van een gelijk aantal mensen? Romeinen 5:18 en 19 geeft ons een samengevat antwoord.

“Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven. 19 Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden.”

Het spreekt voor zich dat alle mensen (GEEN UITZONDERINGEN) door de zonde van Adam beïnvloed zijn. Alle mensen zijn sterfelijk geboren. Op dezelfde manier resulteert de rechtvaardige daad van Jezus in rechtvaardiging van allen die in Adam stierven. Paulus spreekt van dezelfde groep mensen.

Als de zonde van Adam alle mensen beïnvloedde en de rechtvaardige daad van Jezus slechts enkele mensen, dan kan Jezus nauwelijks met Adam worden vergeleken. Natuurlijk is de macht van Adam niet groter dan die van Jezus. De vroegere Kerk beaamde dit al en het wordt tijd dat deze leer wordt hersteld aan het lichaam van Jezus.

Het wordt tijd dat we deze leer herstellen. Het wordt tijd om een duidelijke beschrijving te geven van de macht en wil van God om de Verlosser van alle mensen te zijn. Een God dat niets verliest, maar alle stukken van de mensheid door de geschiedenis heen verzamelt, zodat niets verloren gaat (Johannes 6:12). Dit is het grote Geheim van het Evangelie wat Paulus ‘het Geheim van Zijn wil’ noemt in Efeze 1:9.

“Hij heeft ons in al zijn wijsheid en inzicht dit mysterie onthuld: zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus… 22 Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk,”

Dit is het geheim; dit is de ‘intentie die Hij toebedeeld heeft aan Hem’. Dit is het plan voor het geschapen universum, ‘het Al’. Hij zal zijn Koning over koningen en zal alle dingen aan Zijn leiderschap onderwerpen. Clement van Alexandrië vatte het al 1800 jaar geleden samen met de woorden (Stromata VII 2:5–12):

“Alle dingen worden in het bijzonder samengebracht met het oog op de redding van het universum door de God van het universum, zowel in het algemeen als specifiek. Maar dit geschied door noodzakelijke correcties, door de Goedheid van de grote allesziende Rechter… of door het grote en laatste oordeel, dat ongehoorde zondaars dwingt om berouw te hebben.”

DE BEDIENING VAN HERSTEL

Het vierde hoofdstuk van Maleachi vertelt ons dat Elia zal komen om de weg voor de Messias voor te bereiden. Jezus zei dat Johannes de Doper deze taak had, wat inhield om ‘alle dingen te herstellen’. We lezen in Matteüs 17:11–13,

“Hij antwoordde: ‘Elia zou inderdaad komen en alles herstellen. 12 Maar ik zeg jullie dat Elia al gekomen is, ze hebben hem alleen niet herkend, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.’ 13 Toen begrepen de leerlingen dat hij op Johannes de Doper doelde.”

Wat Johannes deed was slechts een kleine vervulling van het werk dat moest gebeuren bij Jezus’ tweede komst. Hoe weten we dit? Omdat Maleachi profeteerde dat dit zou gebeuren voordat ‘de grote en ontzagwekkende dag van God’ aanbreekt. Die dag ligt nog voor ons, want 2 Petrus 3:10 zegt dat ‘de dag van de Heer zal komen als een dief’.

Het is duidelijk dat deze bediening van het herstel van alle dingen voorafgaat aan de tweede komst van Christus, wanneer Hij komt om te regeren over Zijn Koninkrijk. Dus de groep mensen die worden geroepen om Elia’s bediening te vervullen moeten weet hebben van dit herstel. Zijzelf worden opgeroepen tot ‘herstel’, in de zin van het oproepen tot berouw onder de mensen. Maar zij worden ook opgeroepen om getuige te zijn van de grote Hersteller die na afloop komt en om mensenharten klaar te maken voor het goddelijke plan van Herstel. Petrus vat deze boodschap samen in Handeling 3:19–21.

“Wend u af van uw huidige leven en keer terug tot God om vergeving te krijgen voor uw zonden. 20 Dan zal de Heer een tijd van rust doen aanbreken en zal hij de messias zenden die hij voor u bestemd heeft. Dat is Jezus, 21 die in dehemel moest worden opgenomen tot de tijd aanbreekt waarover God van oudsher bij monde van zijn heilige profeten heeft gesproken en waarin alles zal worden hersteld.”

Het doel van dit boek is het geheim van Zijn wil openbaren. Het geheim is dat God ‘het Al’ van zijn schepping zal verzoenen, zoals Paulus de Kolossenzen vertelde. Het is dat Hij de Verlosser van ‘alle mensen’ zal zijn, zoals Paulus Timoteüs vertelde. Het is dat ‘alle mensen’ rechtvaardig worden, zoals Paulus de Romeinen vertelde. Het is dat ‘alle mensen’ levend gemaakt worden en dat Hij ‘het Al’ onderwerpt aan Zichzelf, zoals Paulus de Korintiërs vertelde. Het is het dat ‘elke knie’ zal buigen en ‘elke tong’ zal belijden, zoals Paulus de Filippenzen vertelde. Dit is het mysterie, het geheim, dat Jezus aan Paulus openbaarde in de drie jaar tijd die hij in de woestijn doorbracht. Het is nu tijd voor de wereld om het te herontdekken.

HOOFDSTUK 6

De Drie Oogstfeesten van God

Toen Israël uit Egypte vertrok vertelde God hen dat zij hun (hoofd)ervaringen in bepaalde ceremonies moesten herdenken tijdens vakantiedagen. De drie grote vieringen waren Pasen, Pinksteren en Loofhutten. Zij staan ook bekend als het feest van het Ongedesemde brood, het Oogstfeest (of Wekenfeest) en het Inzamelingsfeest. De basisinstructies van God staan geschreven in Exodus 23:14–17.

“ Driemaal per jaar moeten jullie ter ere van mij feestvieren. 15 In de maand abib, de maand waarin jullie uit Egypte weggetrokken zijn, moet je op de daarvoor vastgestelde dagen het feest van het Ongedesemde brood vieren. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen. Niemand mag dan met lege handen voor mij verschijnen. 16 Verder moeten jullie het Oogstfeest vieren, het feest van de eerste opbrengst van wat je op de akker gezaaid hebt, en tot slot, wanneer aan het eind van het jaar de hele oogst is binnengehaald, het Inzamelingsfeest. 17 Driemaal per jaar dus moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, verschijnen.”

Als eerste wordt Pasen en de zeven dagen van Ongezuurde Broden gevierd. Hierbij wordt de dag herdacht waarbij het volk Israël onder leiding van Mozes Egypte verliet en op weg ging naar het Beloofde Land. Het tweede feest is Pinksteren, of Oogstfeest, waarbij teruggedacht wordt aan de Wet van God die gegeven werd op de berg Sinai, de dag waar het vuur van God neerkwam op de berg en God heel het volk toesprak. Bij het derde feest, Loofhutten, of Inzamelfeest, worden twee dingen herdacht: (1) de bouw van de tabernakel (loofhut) in de woestijn; en (2) de keer dat Israël de Jordaan zou moeten doorkruisen, het Beloofde Land in.

Deze ervaringen zijn opgesteld om bepaalde sleutelervaringen over het leven van het volk te herinneren. Maar ze hebben ook andere niveaus van betekenis. Persoonlijk gezien betekent Pasen de Rechtvaardiging van het leven in zonde (‘Egypte’). Pinksteren betekent onze Wijding door vervuld te worden met de Heilige Geest. Loofhutten betekent onze Verheerlijking met de ‘afkoop van ons lichaam’ (Romeinen 8:23), als we het Beloofde Land zullen beërven.

DE DRIE OOGSTEN: GERST, TARWE EN DRUIVEN

Een bepaalde oogst wordt geassocieerd met elk van deze drie feesten. Pasen wordt geassocieerd met de oogst van gerst; Pinksteren wordt geassocieerd met de oogst van tarwe; en Loofhutten wordt geassocieerd met de druivenoogst. Omdat dit bij weinigen bekend is begrijpen velen de uitleg van Paulus over de drie oogsten niet.

In Palestina rijpte gerst het eerste in de lente van een jaar. Als de mensen naar Jeruzalem kwamen om Pasen te vieren, bracht ieder een handvol gerijpte gerst mee om dit aan God op te dragen als eersteling van de oogst. Op de zondag na Pasen nam de priester een gedeelte van de gerst en zwaaide dit op en neer voor God (Leviticus 23:10–14). De New American Standard Bible (NASV) heeft de volgende voetnoot bij deze passage:

“‘Het feest van de eerstelingen bevatte het presenteren van een schoof aan God (letterlijk, een Omer)… de eerstelingen symboliseerden de wijding van de gehele oogst aan God en was een voorschot, of belofte, van de gehele oogst die nog binnen gehaald moest worden.’”

Alleen gerst kon hiervoor gebruikt worden omdat de tarwe nog niet gerijpt was in dat werelddeel.

Er is een verhaal in het Oude Testament dat dit laat zien. Denk aan de tijd van Mozes waarbij God tien plagen over Egypte liet komen voordat Farao het volk liet gaan. Israël vertrok uiteindelijk de dag na de laatste plaag en dit werd gevierd als het Paasfeest. De zevende plaag die Egypte kort voor Pasen zou treffen was hagel. De Bijbel vertelt dat de hagel de gerst vernietigde omdat dit al in de aar stond (gerijpt was), maar de tarwe werd niet vernield omdat dit nog niet gerijpt was. Exodus 9: 31 en 32 zegt,

“Het vlas en de gerst waren kapotgeslagen, want de gerst stond al in de aar en het vlas in de knop. 32 Maar de tarwe en de spelt werden niet vernield, want die rijpen later.”

Een voetnoot in de NASV geeft als commentaar hierop:

‘De tarwe en spelt (een mindere tarwesoort) werden niet gehavend op dat moment omdat ze ongeveer een maand later rijpen.’

We zien dus dat de tarwe een maand later rijpt, ongeveer rond Pinksteren. Net zoals gerst op de eerste dag van de week aan God werd geofferd, werd tarwe zeven weken later geofferd met Pinksteren. Dit wordt duidelijk gemaakt in Exodus 34:22 waar staat,

“Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt.”

De druiven rijpte aan het eind van het seizoen, aan het einde van de zomer. De druiven werden geoogst en gegooid in de wijnpers om vertreden te worden, zodoende werd er sap verkregen. Op elk van de zeven dagen van Loofhutten werd er een kruik met druivensap van de oogst voor God uitgeschonken als drankoffer in de tempel (Leviticus 23:27).

Hierdoor zien we dus dat er drie hoofdfeesten waren in Israël: Pasen, Pinksteren en Loofhutten. Bij elk feest hoorde een tempelceremonie, waarbij een verschillend oogstproduct nodig was: gerst, tarwe en druiven. De eerste twee zijn graansoorten; de laatste is een fruitsoort. Dit zijn de oogstfeesten op drie tijden in het jaar waarbij alle mannen stonden voor de aanwezigheid (het gezicht) van God. Deze feesten zijn profetisch voor de ‘oogst van zielen’, waar het goddelijke bevel uitgaat naar de mensheid om voor God te verschijnen.

DE BETEKENIS VAN GERST IN DE BIJBEL

Als we in de Bijbel de passages bestuderen waar gerst wordt aangehaald vinden we veel waardevolle informatie over de eerste opstanding en het karakter van degenen die hiervoor geroepen worden. Het feit dat gerst vroeg rijpt vertelt ons dat de ‘gerst eerstelingen’ de eerste mensen zijn die geestelijk rijpen om zo de vruchten voort te brengen die nodig zijn voor het koninkrijk van God. Gerst overleeft ook droogte, hitte en kou veel beter dan tarwe.

Neem als voorbeeld het verhaal van Elisa, toen een man hem tijdens een droogte de eerstelingen van de gerst bracht (2 Koningen 4:42). Dit vond rond dezelfde tijd plaats waarbij Elisa de dood in de pot overwon, dat opstanding uitbeeldde. De profeet vermenigvuldigde de gerst toen en voedde hiermee honderd man.

Een voorbeeld in het Nieuwe Testament kunnen we vinden in Johannes 6 waar Jezus vijfduizend man te eten gaf. Dit vond plaats rond Pasen (6:4) en de jongen bracht vijf gerstebroden en twee vissen mee (6:7). Na het breken en vermenigvuldigen van het brood gaf Jezus de discipelen de opdracht om alle overgebleven stukken brood te verzamelen, zodat er niets verloren zou gaan. Verder in hetzelfde hoofdstuk geeft Jezus hier drie keer een verklaring voor, namelijk “maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag” (6:39, 44, 54). In andere woorden, net zoals de twaalf manden met gerst werden verzameld zodat niets verloren zou gaan, zo zal ook de gerstgemeenschap, die gebroken was om mensen te eten te geven, op de laatste dag van het huidige tijdperk opstaan. Twaalf is het Bijbelse getal van goddelijke besturing. De gerstopstandelingen zullen geroepen worden om samen met Jezus regeren.

Hoe de gerstgemeenschap zal worden geroepen kunnen we vinden bij Gideon en zijn leger. Zij werden een gerstebrood genoemd (Rechters 7:13). God is een leger van overwinnaars aan het verzamelen om samen met Hem te regeren om zodoende alle volken onder Zijn voeten te brengen. Hun wapens bestaan uit een ramshoorn (trompet) en een lege waterkruik met een fakkel erin. Gideon gaf het leger de opdracht om stil te zijn totdat de ramshoorn klonk. Daarna moesten zij de waterkruiken kapot slaan om zo de fakkel te laten (ver)schijnen.

De ramshoorn (trompet) staat voor opstanding, zoals Paulus ons vertelt dat de doden zullen opstaan bij het klinken van ‘de laatste trompet’ (1 Kor. 15:52), dit is de zevende trompet. De waterkruik en de fakkel kunnen we verklaren met Paulus’ woorden wanneer hij zegt dat de glorie van God voor een tijd in ons verborgen is en dat wij slechts een aarden pot zijn voor deze schat (2 Kor. 4:7). De tijd zal aanbreken wanneer de laatste trompet klinkt en onze sterfelijke lichamen, de aarden potten, zullen breken om zo het licht van de glorie van God te onthullen en te laten schijnen. Dit zal gebeuren bij de eerste opstanding.

DE BETEKENIS VAN TARWE IN DE BIJBEL

Als we in de Bijbel de passages bestuderen waar tarwe wordt aangehaald gaat dit over de algemene Kerk en de manier waarop de Kerk zal opstaan en kort (snel) geoordeeld wordt bij de tweede opstanding. De eerstelingen van Pinksteren duiden op de tweede opstanding waar de Kerk zal verschijnen voor Gods aangezicht. Tarwe rijpt bij Pinksteren, zoals we al vertelden. Op die dag moest de hogepriester aan God twee in zuurdesem gebakken tarwebroden offeren. Pas wanneer God zijn gedeelte had gekregen mochten de mensen de tarwe oogsten en eten. Het Pinksterfeest richt zich op mensen die gedesemd zijn. Israël kreeg met Pinksteren de wet bij de berg Sinai. Op deze dag werden zij als koninkrijk gevormd toen God het Woord tot hen sprak. De mensen werden

bang van het vuur en renden weg voor de stem van God (zie Exodus 20:18–20). De mensen waren gedesemd en wilden niet in het vuur van God stappen om de zuurdesem te stoppen. Hierdoor werd Pinksteren niet vervuld in de tijd van Mozes.

In het tweede hoofdstuk van Handelingen werd Pinksteren uiteindelijk wel vervuld omdat de discipelen niet wegrenden voor God, maar zij het vuur omarmden. Vervolgens bleef er een basisprobleem bestaan – het Pinkstertijdperk was nog steeds gedesemd en de Kerk in algemene zin volgden Israëls voorbeeld in de tijd van Mozes door te weigeren Gods stem te horen en door weg te rennen van Zijn vuur.

Pinksteren was niet ontworpen om volmaaktheid, dat wil zeggen een ongedesemde staat, te bewerkstelligen. Pinksteren geeft ons alleen een ‘voorschot’ van de Geest, een onderpand in plaats van de volheid. Efeziërs 1: 13 en 14 zegt,

“In hem hebt ook u de boodschap van de waarheid gehoord, het evangelie van uw redding, in hem bent u, door uw geloof, gemerkt met het stempel van de heilige Geest die ons beloofd is 14 als voorschot op onze erfenis, opdat allen die hij zich heeft verworven verlost zullen worden, tot eer van Gods grootheid.”

Dit wordt bevestigd in 2 Korintiërs 1:22 en 5:5. De consequentie is dat we nu leven in een tijdperk van zuurdesem, een tijdperk met een onvolmaakt koninkrijk van priesters die de volheid niet hebben om het koninkrijk tot volmaaktheid te brengen. Als er iets is dat we geleerd hebben in het Pinkstertijdperk is het wel het feit dat we het volmaakte koninkrijk niet kunnen beërven door een voorschot van de Geest. Alleen degenen met de volheid van Zijn Geest kunnen volledig zijn belofte erven. Dit is frustrerend voor de gerstgemeenschap die natuurlijk ook in een Pinkstertijdperk leeft, maar naar de volheid van de Geest verlangt. Maar allen moeten ze wachten op de voorbestemde tijd. Het is een collectieve zegen dat God het aan de gehele gerst gemeenschap wil schenken. Zij

moeten alleen de tijd afwachten tot iedereen van de gerstgemeenschap is geboren en tot volledige wasdom is gekomen.

Deze situatie wordt getypeerd door Kaleb en Jozua in de dagen van Israël in de woestijn. Deze twee mannen leken op de gerstgemeenschap in het midden van de tarwegemeenschap, ‘de kerk in de wildernis’ (Hand. 7:38). Zij wilden de Jordaan oversteken om zo al vroeg te delen in hun erfenis, maar omdat de meerderheid van de Israëlieten weigerden om het land binnen te gaan werden Kaleb en Jozua ook weer terug in de woestijn (wildernis) gestuurd. Dit lijkt oneerlijk, maar God werkt op zowel een individueel als een gemeenschappelijk niveau. Individuen mogen in hun hart hun

gersteigenschappen al vertonen, maar ze kunnen niet het Beloofde Land binnengaan tot de voorbestemde tijd aanbreekt.

In het Nieuwe Testament zien we dat hetzelfde patroon wordt herhaald. De mensen van het koninkrijk van het Nieuwe Testament dwaalden ook in hun eigen wildernis van 40 Jubeljaren (40 x 49 = 1960 jaar). Hoewel de Kalebs en de Jozua’s van deze tijd het Beloofde Land al hebben gezien en ze nu verlangen om de Jordaan over te steken naar hun erfenis, moeten ze toch wachten tot de voorbestemde tijd. De meeste van deze overwinnaars zijn gestorven zonder de belofte te beërven. Toch zal God ze opwekken uit de dood bij de zevende trompet van een jaar, zodat ze hun erfenis levend kunnen binnengaan met degenen van de gerstgemeenschap die vandaag de dag leven.

Waarschijnlijk de meest significante passage uit het Oude Testament waar de tarweoogst wordt aangehaald is in het verhaal van Sauls kroning tot eerste koning van Israël (1 Sam. 9–12). Het volk eiste een koning voordat David geboren was, daarom gaf God hen Saul om over hen te heersen. Het koninkrijk werd dus hernieuwd (1 Sam. 11:14), maar het was een koninkrijk gemixt met zuurdesem. Saul werd gekroond op de dag van Pinksteren, want in de toespraak van Samuel bij de kroning zegt hij in 1 Samuel 12:17: “Het is toch de tijd van de tarweoogst?” Dit was de dag dat de twee tarwebroden werden geofferd aan God, wijzend op het begin van de tarweoogst.

Saul was voor Israël wat de Kerk is in het tijdperk van het Nieuwe Testament. Saul begon zijn taak met het doen van goede zaken, maar in het tweede jaar van zijn regering was hij ongehoorzaam aan God, met als gevolg dat hij niet meer in staat was om Israël te regeren (zie 1 Sam. 13:1, 13 en 14). Ondanks dat liet God hem nog 38½ jaar regeren.

Dit was precies hetzelfde patroon als dat van Israël onder Mozes. Denk eraan dat onder Mozes het volk ook weigerde de Jordaan over te steken in hun tweede jaar met als gevolg dat God van hen een volk maakte die doolde in de woestijn voor nog eens 38½ jaar.

In het Nieuwe Testament komt dit patroon ook weer voor. Tijdens Pinksteren had de Kerk een goede start, maar de mensen (vertegenwoordigt door hun leiders van het Sanhedrin) weigerden om God te gehoorzamen. Het keerpunt vond plaats tijdens het stenigen van Stefanus (Handelingen 7) die de rol van Kaleb en Jozua vervulde om de mensen aan te sporen om de Jordaan over te steken naar het Beloofde Land. Net zoals het volk Kaleb en Jozua bijna stenigden, zo stenigden ze Stefanus wel. Dit was de weigering in het Nieuwe Testament om de Jordaan over te steken. Dit resulteerde

opnieuw in een veertig Jubeljaren omzwerving in de wildernis.

Deze vergelijking wordt gesteund door de betekenis van de naam van ‘Stefanus’. In het Grieks betekent stephanos ‘kroon’. Daarom was de steniging van Stefanus symbolisch voor het verwerpen van de kroon des levens. Het weigeren om de Jordaan over te steken en om zo het Beloofde Land te beërven is het verwerpen van de erfenis die ons beloofd is, waar wij op hopen, namelijk de verlossing van ons lichaam (Rom. 8:23).

Daarom is het afgelopen tijdperk de era van Sauls regering geweest. Het koninkrijk werd inderdaad gevestigd tijdens Pinksteren in het tweede hoofdstuk van Handelingen. Maar het was geen volmaakt koninkrijk, wat getypeerd word door Davids regering. Het was een onvolmaakt koninkrijk vol met zuurdesem, zoals de geschiedenis ons leert, wat getypeerd wordt met Sauls regering in het Oude Testament. Net zoals in de tijd van Saul en David moet het volk wachten op het einde van Sauls regering voordat Davids regering kan beginnen.

Het is het tijdperk van de Kerk, de tarweoogst. Degenen van de gerstoogst, zoals Kaleb en Jozua moeten wachten tot de voltooiing van het Kerktijdperk om te kunnen delen in de erfenis van de eerste opstanding. De boodschap van Stefanus over het koninkrijk in Handelingen 7 werd verworpen toen hij de hogepriester aanspoorde om Jozua–Jezus te volgen door de Jordaan over te steken. Hierdoor werden we veroordeeld om weer in de wildernis te gaan zwerven.

Zoals we kunnen zien zit er altijd een element van oordeel in het Pinksterfeest. Het vuur dat op de berg Sinai neerdaalde was bedoeld om de mensen te zegenen met Zijn goddelijke aanwezigheid. Desondanks trokken de mensen zich terug uit angst. Ze waren bang om Zijn stem te horen, met als gevolg dat ze de goddelijke aanwezigheid niet verkregen. Het vuur van God verplaatste zich toen naar een alternatieve locatie, een uiterlijke loofhut (tabernakel) dat met handen gemaakt was. Zonder de goddelijke aanwezigheid in het volk en zonder de kwaliteit om Zijn stem in hun harten te horen verkregen ze niet het geloof dat later nodig was om de Jordaan over te steken. Hierdoor werd Pinksteren een oordeel voor hen.

Toen Saul gekroond werd op Pinksteren profeteerde Samuel onweer en regen voor die dag (1 Sam. 12:17). Regen tijdens Pinksteren was net zo onwaarschijnlijk als sneeuw in de zomer en als eer bij een dwaas (Spr. 26:1). Dus het onweer en regen tijdens Pinksteren werd door het volk beschouwd als een oordeel, wat duidelijk Samuels intentie was. We lezen in 1 Sam. 12:17:

“Het is toch de tijd van de tarweoogst? Ik zal de HEER aanroepen en hij zal het laten onweren en regenen. Dan zult u eindelijk inzien dat de HEER het volstrekt ontoelaatbaar vindt dat u om een koning hebt gevraagd.’”

Aan de andere kant betekent ‘onweer en regen’ ook het uitschenken van de Heilige Geest en het woord van God. Dus waar het duidt op een oordeel zit er ook een element van zegen in. Het is in feite een mix van goed en kwaad, wat duidelijk de betekenis is van de twee tarwebroden die geofferd werden aan God op Pinksteren.

Er zijn veel meer Bijbelse voorbeelden die we kunnen aantonen, maar de tijd laat dit niet toe. In plaats daarvan gaan we door met het uitleggen van de betekenis van de tarweoogst met het oog op de tweede opstanding van de Kerk. De tweede opstanding zal, uiteraard, een enorme zegen zijn voor alle gelovigen die niet op zijn gestaan bij de eerste opstanding. Niettemin zal er ook er ook een element van oordeel mee verbonden zijn, omdat alle gelovigen dan nog steeds gemixt zijn met zuurdesem. Paulus spreekt over dit oordeel in 1 Korintiërs 3:15.

“Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.”

Dit gaat over mensen waarin het fundament van Jezus Christus al is gelegd. Het gaat over gelovigen. Maar omdat deze mensen een vleselijke kruising zijn tussen tarwe en zuurdesem zullen hun werken worden beproefd door vuur. De goede werken (bewerkstelligd door geloof en gehoorzaamheid aan het woord van God) zullen overblijven; de rest zal worden verbrand. Het brood moet gebakken worden om het zuurdesem te stoppen. Dit is het oordeel, maar het doel van dit vuur is niet om de

gelovige te vernietigen, maar om hem te zuiveren, zoals we al eerder hebben aangetoond in voorgaande hoofdstukken.

De gemeenschappelijke Kerk zal opstaan tijdens de tweede opstanding. Jezus noemt hen ‘de rechtvaardigen’ die het Leven verkrijgen op hetzelfde moment dat ‘de onrechtvaardigen’ geoordeeld worden aan het begin van het laatste tijdperk door de ‘vuurpoel’. In beide gevallen is het vuur dat oordeelt hetzelfde vuur dat uitgeschonken wordt tijdens Pinksteren. Gods oordeel is ontworpen om ‘Zijn dorsvloer te reinigen en Zijn tarwe (graan) in de schuur bijeenbrengen’ (Mat. 3:12).

De doop van vuur op de tarwe (de Kerk) is zowel goed als slecht. Het stelt een proces van zuivering voor, wat het oordeel op de zonde is om zo elk individu te zegenen. Wanneer God iemand wil herscheppen of wil zuiveren is dit geen plezierige ervaring. Dat is geen enkel oordeel. Maar degenen die de gedachte en het doel van God erachter begrijpen zullen zich gewillig aan Zijn vuur voorleggen met de wetenschap dat Gods werk zich richt op hun welzijn.

DE BETEKENIS VAN DRUIVEN IN DE BIJBEL

Tot slot een Bijbelse studie over de druivenoogst, waarbij de druiven vertrapt worden in de wijnpers. Dit refereert aan het lot van de ongelovigen. De wijnpers schildert Gods wraak, oordeel en vuurpoel af.

Het doel van de graanoogst in de lente (gerst en tarwe) is om te voorzien in het brood voor Gods grote kerkgemeenschaptafel. Het doel van het Loofhuttenfeest met de viering in de wijnpers is om te voorzien in wijn voor Gods tafel. Zonder de wijn zou de tafel alleen brood hebben en zou dus incompleet zijn. God zal zijn wijn bereiden, maar dit zal geschieden door de wijnpers, wat een oordeel van God inhoudt.

God oogst Zijn gerst, tarwe en druiven op verschillende manieren, net zoals de natuur ons dit leert. Het kaf van de gerst valt er zeer gemakkelijk af, hierdoor wordt de gerst gezift. Een actie van de wind (met behulp van ventilators) is genoeg om van het kaf af te komen. Dit vertegenwoordigt de gerstgemeenschap die erg snel aan de wind van de Geest beantwoord.

Door te dorsen wordt het kaf van de tarwe verwijderd. Deze manier is hardhandiger, maar het werkt wel. Het is een afschildering van de Kerk die door middel van oordeel of beproeving geoogst zal worden. Het Engelse woord voor beproeving is ‘tribulation’, wat weer afgeleid is van het Latijnse woord tribulum wat weer een instrument is om mee te dorsen.

Tot slot, om druivensap te verkrijgen moeten de druiven onder voeten worden betreden. Druiven hebben geen kaf, maar ze hebben wel ‘vlees’ dat stevig moet worden platgedrukt om wijn te verkrijgen. Dit vertegenwoordigt de hardhandigste vorm van oordeel voor ongelovigen. Toch verkrijgt God hierdoor de wijn voor Zijn kerkgemeenschaptafel.

DE DRIE NIVEAUS VAN VERVULLING

De feestdagen van Israël zijn op drie niveaus profetisch. Niveau Een is het individuele en persoonlijke niveau. Bij dit niveau wordt het Paasfeest in ons vervuld door de rechtvaardiging in het bloed van het Lam. Bij Pasen slachtte het volk een lam en smeerde het bloed ervan op de deurpost en de drempel. Als christenen weten we dat Jezus het ware Lam van God is die de symboliek en het ritueel van Pasen vervulde door Zijn kruisiging tijdens Pasen. Als we geloven in Zijn vergoten bloed worden we

gerechtvaardigd door het geloof.

Het Pinksterfeest is de volgende stap in ons leven met God. Bij dit feest begint God Zijn wetten te schrijven in ons hart, want op die dag gaf God voor het eerst de Tien Geboden aan Israël in Exodus 20. Handelingen 2 beschrijft de manier hoe dit vervuld is toen de Geest op de discipelen neerdaalde in de bovenkamer, waardoor de gehele menigte Gods stem hoorde spreken in hun eigen taal. Pinksteren behandelt niet onze rechtvaardiging, maar onze heiliging (wijding). Het is het feest waarbij wij gehoorzaamheid leren en hoe we leren ons te laten leiden door de Geest tijdens onze omzwervingen in de wildernis.

Het Loofhuttenfeest is de laatste stap in ons leven met God. Bij dit feest ontvangen wij de volheid van de Geest wat ons volledig in de belofte en de ultieme omgang met Hem brengt. Dit zijn de drie basisstappen in onze geestelijke groei tot volwassenheid (rijpheid) aangezien wij in de volheid van de gestalte van Christus groeien.

Niveau Twee is een gemeenschappelijke vervulling in de Kerk, het Koninkrijk van God. Op dit niveau zien we hoe God omgaat met drie Kerken, ook wel de drie stadia van het Koninkrijk op aarde. De Kerk, of het Koninkrijk, begon op Paasniveau met Mozes tijdens het allereerste Paasfeest toen Israël Egypte verliet. Deze eerste Kerk wordt in Handelingen 7:38, ‘de kerk in de woestijn (wildernis)’ genoemd. Deze Kerk van het Paastijdperk eindigde met Jezus’ dood aan het kruis op Pasen zo’n 1500 jaar later. Het was een era waar de Heilige Geest wel BIJ de mensen was, maar niet IN de mensen woonde.

De tweede Kerk is de Kerk van het Pinkstertijdperk die begon zeven weken nadat Jezus was opgestaan, toen de Heilige Geest van God werd uitgestort met Pinksteren. Op deze dag vernieuwde God het Koninkrijk door het een prominentere plaats te geven met meer macht en door de Heilige Geest in mensen te laten wonen. Vanaf toen was de tempel geen uiterlijk gebouw van hout en steen meer. Nu waren de mensen zelf een tempel van God (1 Kor. 3:16).

Het Pinkstertijdperk was bedoeld voor de Kerk om Gods wet te leren en om door de stem van de Geest geleid te worden. Te vaak, echter, negeerde verschillende Kerkleiders de wet en verspeelden het recht van christenen om zelf Gods stem te horen. Door dit te doen volgden ze Koning Sauls voorbeeld op, die klaar stond om zijn eigen zoon Jonatan te vermoorden omdat deze de zoete honing van het woord had geproefd in het heetst van de strijd. Dit verhaal kunnen we vinden in 1 Sam. 14.

“29 ‘Mijn vader stort het land in het ongeluk,’ zei Jonatan. ‘Kijk toch hoe helder mijn ogen weer staan nu ik wat van die honing heb geproefd.”

Dit hoofdstuk is historische allegorie van de Kerk en illustreert heel goed het probleem wat vele eeuwen speelden tijdens het Pinkstertijdperk, toen de Kerk de mensen verbood de Bijbel te lezen of te luisteren naar de Gods stem die in strijd was met de gevestigde orthodoxe Kerk.

Het Koninkrijk van God in het Pinkstertijdperk bracht geen oprechtheid op aarde, dit kon ook niet, want de Kerk was slechts een voorschot van de Geest gegeven. Op zichzelf was Pinksteren het feest waar God het verplicht stelde dat de eerstelingen van de tarwe zouden worden gebakken met zuurdesem. Dit is een duidelijke les: Pinksteren kan geen volmaaktheid brengen bij een individu en ook kan de Kerk geen oprechtheid bewerkstelligen op aarde. Die belofte komt het derde en laatste feest en Kerk of Koninkrijk toe.

Niveau Drie: De derde Kerk is de Kerk van het Loofhuttentijdperk. Aan het begin van dit tijdperk zal God Zijn Geest in al Zijn volheid uitschenken over de overwinnaars. Zij zullen met macht op aarde heersen en alle dingen onder de voeten van Jezus Christus brengen. Hun regering zal oprechtheid brengen en de volheid van waarheid op aarde. Het zal de grootste opwekking op aarde zijn die ooit zal plaatsvinden, zoals de profeten zo vaak geprofeteerd hebben. Dit tijdperk zal, mijns inziens, duizend jaar duren, naar gelang het nodig is voor het Koninkrijk van God om de gehele aarde te vullen. Habakuk 2:14 vertelt ons,

“Maar zoals de zee vol water is, zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn.”

Het water bedekt voor 100% de zee. Zo zal ook de kennis van Gods grootheid de aarde bedekken. Dit is het herstel van alle dingen. Dit is het ultieme plan van God. Toch is dit slechts het tweede niveau van de vervulling van de feestdagen. Het hoogste niveau is het scheppingsniveau. Op dit niveau letten we op de feesten als oogstfestivals, waarbij God, op drie manieren van oogsten, zielen in Zijn ‘schuur’ samenbrengt. De eerste oogst is die van de gerstgemeenschap, de overwinnaars. Dit zal geschieden tijdens de eerste opstanding, wat volgens Johannes aanvangt rond het begin van de

zevenduizend jaar durende periode.

De tarweoogst, wat de gemeenschappelijke Kerk voorstelt, zal geoogst worden op het tweede voorbestemde tijdstip bij het Oordeel van de Grote Witte Troon. Dit zal plaatsvinden aan het einde van de duizend jaar, of aan het begin van de achtduizend jaar durende periode.

Op dat moment zullen de ongelovigen (de druivenoogst) vertreden worden in de wijnpers om ze zodoende te reinigen en te zuiveren, zodat ook zij geschikt zullen zijn om door de Meester gebruikt te worden. De druivenoogst zal dan geoogst worden aan het einde van de tijd bij het Jubeljaar van de Schepping. Hierover zullen we meer vertellen in het volgende hoofdstuk.

HET ONDERWIJS VAN PAULUS OVER DE DRIE OOGSTEN

Paulus is de enige die de drie oogsten behandeld in een brief aan de Korintiërs. Dit kunnen we vinden in het gedeelte waarbij het voornamelijk draait om de opstanding, namelijk 1 Kor. 15. In de eerste 21 verzen wijst Paulus op het belang van het geloof met betrekking tot de opstanding van Jezus Christus. Hij merkt op dat als Jezus niet is opgestaan uit de dood ons geloof inhoudsloos is, want Zijn opstanding bewijst dat de Geest van God inderdaad doden kan laten opstaan. Aan dit historische feit hangt ons geloof.

Daarna, in de verzen 22 tot 28, behandelt Paulus onze opstanding en vertelt over drie klassen van de mensheid, drie eenheden, die op verschillende manieren zullen opstaan uit de dood en op verschillende tijden. Deze drie categorieën corresponderen heel specifiek met de drie hoofdfeesten van Israël. Paulus legt dit heel duidelijk uit, zoals we zullen laten zien.

1. DE OOGSTEN VAN GERST EN TARWE

Paulus begint zijn discussie over de opstandingen met een algemene verklaring om ons te laten zien waar hij op doelt. Hij zegt in 1 Korintiërs 15:22, “Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.” Dit vertelt ons duidelijk dat de hele mensheid zal opstaan in Christus, net zoals de hele mensheid sterft in Adam. Daarna vertelt hij HOE dit zal geschieden, waardoor wij zullen zien dat niet iedereen tegelijkertijd opstaat.

“23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd (tagma, of eenheid): Christus als eerste (of, ‘gezalfde eerstelingen’) en daarna, wanneer hij komt (parousia, ‘verschijning’), zij die hem toebehoren.”

Hetzelfde gedeelte, maar nu uit de Statenvertaling,

“23 Maar een iegelijk in zijn orde (tagma, of eenheid): de eersteling Christus (of, ‘gezalfde eerstelingen’), daarna die van (de) Christus zijn, in Zijn toekomst (parousia, ‘verschijning’).”

De meeste mensen zijn het er over eens dat Paulus hier twee verschillende opstanding behandeld. Alleen nemen de meeste mensen aan dat de eerste opstanding aan Jezus refereert, die de Christus is, de ‘Gezalfde’. Daarom wordt dit ook vaak vertaald met, “Christus al eerste” (NBV) of “de eersteling Christus” (SV). De tweede opstanding wordt dan vaak verklaard als de opstanding van alle gelovigen, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de overwinnaars en de algemene Kerk. Wij, aan de andere kant, hebben een goede reden om te verschillen met deze zienswijze.

Merk op dat Paulus de opstanding van Jezus al had behandeld. In vers 22 richt hij zijn aandacht op ONZE opstandingen, waarbij hij zegt dat wij allemaal levend gemaakt worden, maar iedereen naar zijn orde, of eenheid. Het Griekse woord waarmee ‘orde’ vertaald wordt in de Statenvertaling is tagma, wat eigenlijk een militaire term is, waarbij het refereert aan het lichaam van soldaten. Paulus maakt hier mee duidelijk dat we zullen opstaan in drie eenheden.

De eerste eenheid is NIET ‘Christus als eerste’ (NBV) of ‘de eersteling Christus’ (SV) wat veel vertalers verkeerd interpreteren. Er zijn drie eenheden en Jezus is geen eenheid, maar een individu. Het zou vertaald moeten worden met ‘de gezalfde eerstelingen’. Het Griekse woord christos betekent ‘gezalfde’. Jezus is, uiteraard, DE Christus – dit is, ‘DE Gezalfde’. Maar het woordje christos refereert niet altijd aan Jezus. In feite kan het woord toegeschreven worden aan iedereen of alles wat gezalfd is.

Wanneer het woord christos achter het lidwoord ‘de’ staat refereert dit doorgaans aan DE Christus – oftewel, aan Jezus, die ‘de Gezalfde’ is. Echter, als het woord christos word gebruikt ZONDER het lidwoord ervoor is het onbepaald voornaamwoord en kan het wijzen op mensen of voorwerpen die gezalfd en apart zijn gezet door God. Profeten, priesters en koningen worden door heel de Bijbel heen gezalfd of ‘gewijd’. De kruiken in de tempel en Jakobs kussen werden gezalfd (Gen. 28:18).

In 1 Kor. 15:22 wordt het onbepaalde voornaamwoord gebruikt in de originele Griekse tekst. Paulus schrijft daar over Jezus als ‘de Christus’ waardoor iedereen levend gemaakt wordt. Vervolgens wordt in vers 23 het lidwoord ‘de’ gebruikt in het laatste gedeelte van het vers, maar dus niet in het eerste gedeelte. Dit impliceert dat het vers er als volgt uit zou moeten zien: “Maar elk mens volgens zijn eigen eenheid: (1) de gezalfde eerstelingen; (2) daarna zij die de Christus toebehoren wanneer Hij komt.”

Als we eenmaal realiseren dat Paulus het thema over Israëls drie oogstfeesten gebruikte is zijn uitleg helder. Paulus refereert hier aan Pasen en Pinksteren, de oogst van gerst en tarwe. De eerste ‘eenheid’ die opstaat uit de dood zijn de ‘gerstoverwinnaars’; de tweede de algemene Kerk, dit is de tarweoogst.

Het is belangrijk om te weten dat de eerstelingen van de gerstoogst werden gezalfd (vermengd) met olie. Paulus refereert hieraan als hij ‘gezalfde eerstelingen’ zegt. Hier lezen we over in Leviticus 23:13. Verhalend over de eerstelingen van de gerst in tegenstelling tot de eerstelingen van de tarwe zegt Mozes:

“met het bijbehorende graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, als een geurige gave die de HEER behaagt, en het bijbehorende wijnoffer van een kwart hin wijn.”

Daarom, als Paulus een lijst geeft van de eerste eenheid van mensen die zullen opstaan uit de dood, noemt hij hen de ‘gezalfde eerstelingen’. Hij dacht hierbij aan de eerstelingen van de gerstoogst. Zij zullen samen met Jezus heersen en regeren op aarde (Op. 5:10; 20:6).

Degenen die Christus toebehoren, de algemene Kerk, zullen de tweede opstanding beërven. Deze worden afgeschilderd in de tempeldienst waar de twee tarwebroden, die aan God werden geofferd, eerst werden gebakken met zuurdesem (Lev. 23:17). Waar olie duidt op de Heilige Geest, duidt zuurdesem op zonde (Exodus 12:15; Markus 8:15). Dit is het voornaamste verschil tussen gerst en tarwe, het is duidelijk dat Paulus dit verschil aanhaalt in zijn discussie over de eerste twee opstandingen. Als eerste de gezalfde eerstelingen; als tweede de gedesemde gemeenschap, de algemene Kerk.

2. DE DRUIVENOOGST

Paulus stopt niet bij de tweede eenheid van mensen die levend gemaakt worden. Hij gaat door met de derde eenheid, in feite schrijft hij hier meer over dan over de andere twee eenheden. Het is deze eenheid die de druivenoogst voorstelt aan het einde van het groeiseizoen, waarop Loofhutten is gebaseerd. Merk op hoe Paulus dit thema mengt in zijn beschrijving van de derde opstanding in 1 Korintiërs 15:24–28.

“En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25 Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeftgelegd’. 26 De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, 27 want er staat (in Psalm 8:7): ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene (de Vader) die alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.”

Merk op hoe vaak Paulus zegt dat die mensen ‘onder Zijn voeten’ moeten worden gelegd of moeten worden ‘onderworpen’. Ongetwijfeld had Paulus de druivenoogst in gedachte, waarbij de betreden druiven duiden op veroordeling. Dit is absoluut verenigbaar met de rest van Paulus’ geschriften waarin hij onthuld hoe alle dingen (ta panta, ‘het al’) zullen worden verzoend met God. Omdat verzoening wijst op vrede tussen VIJANDEN, refereert Paulus vrij duidelijk aan de rebellerende volken op aarde die de vijanden van God zijn in dit huidige tijdperk. Paulus zegt dat deze volken moeten worden onderworpen aan Christus als doel van de schepping.

En dan, als Hij al Zijn vijanden heeft geëlimineerd (door ze te veranderen in vrienden), zal Hij ten slotte de laatste vijand, de dood, vernietigen. Iemand kan alleen de dood vernietigen door het Leven te schenken. Daarom wijzen we dit aan als een opstanding. Pas als de dood zelf verbannen wordt uit het geschapen universum zal God alles in allen zijn.

HOOFDSTUK 7

De Wet van het Jubeljaar

Zelfs met Jezus Christus als centrale Persoon in de gehele geschiedenis is de wet van het Jubeljaar de meest fundamentele wet van de gehele schepping. De wet van het Jubeljaar is de basis voor vergeving en genade. Het is de instelling en het doel van de wet zelf. Het bezit een climax van de aardse geschiedenis en een compleet einde van de heerschappij van duisternis en zonde.

De basis van de wet van het Jubeljaar staat opgetekend in Leviticus 25:8–13.

Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, 9 moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote Verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. 10 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. 11 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. 12 Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt. 13 In het jubeljaar zal ieder naar zijn eigen grond terugkeren.

Toen Israël het land van Kanaän veroverde onder Jozua, verdeelde Hij het land onder de stammen van Israël. Dit was hun erfenis van het land en niemand (buiten God) kon hen rechtmatig beroven van het land. Echter, als er droogte heerste of enig andere ramp, konden de stammen hun land verliezen. Zij verkochten dan het land aan anderen tot het Jubeljaar.

De waarde van het land werd bepaald door de mogelijkheid om gerst te produceren, en een ‘omer’ gerst (dit zijn ongeveer acht ezelslasten) had een vaste prijs van vijftig sjekel (ongeveer dertien ons) zilver (Lev. 27:16). Bij de verkoop van het land moest de koper een eerlijke prijs betalen volgens het aantal gerst dat het land normaal zou kunnen produceren vanaf de koopdatum tot het Jubeljaar. Natuurlijk telden ze het Sabbatsjaar niet mee, dan moest het land namelijk rusten en kon het geen gewas produceren.

Als de eerlijke prijs was berekend werd de koop besloten en konden de nieuwe eigenaren hun bezit bewerken. De vorige eigenaren vonden over het algemeen werkgelegenheid op een ander landgoed, tenzij zij werden gehuurd door de nieuwe eigenaren om hun eigen land te bewerken. Het was het recht van elke eigenlijke (oorspronkelijke) landeigenaar om zijn land op elk moment terug te kopen als hij hiertoe in staat was. Met elke jaarwisseling werd de afkoopsom proportioneel verminderd omdat, zoals we net vertelden, het land niet als het land zelf werd getaxeerd, maar in termen van oogsten. Hierdoor werd het speculeren in land teniet gedaan.

De wet van God verbood de openlijke verkoop van landovererving, omdat het land ten eerste van God is. Elke verkoop was tijdelijk. Tegenwoordig zouden wij de term ‘leasen’ toepassen op dit soort handel. Leviticus 25:23 zegt,

Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. 24 In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden. 25 Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen. 26 Gebeurt dat niet, maar beschikt hij na verloop van tijd zelf over voldoende middelen om het pand in te lossen, 27 dan moet hij nagaan hoeveel jaar het verpand is geweest en het resterende deel van het oorspronkelijke bedrag terugbetalen aan degene aan wie hij het verpand had. Dan kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 28 Vindt hij niet voldoende middelen om het pand in te lossen, dan blijft het tot aan het jubeljaar in handen van de pandnemer. Maar in het jubeljaar valt het aan hem terug en kan hij naar zijn eigen grond terugkeren.

Niemand kon permanent zijn geërfde land verliezen door schulden. In het Jubeljaar werd het land hem terug geschonken en werden zijn lopende schulden kwijtgescholden.

Het wettige recht van afkoop

Vers 25 in het vorige tekstgedeelte zegt dat het ook Gods wil was dat de naaste verwant zich zou aanmelden als losser als hij hiervoor de mogelijkheden had. In feite staat het specifiek in de NBV dat ‘zijn naaste verwant, ZICH AANMELDT om het pand voor hem IN TE LOSSEN’. We weten dat de wet naast een moreel, ook een profetisch document is, omdat dit de wet is die Jezus volledig heeft vervuld. Het was op die manier profetisch dat Jezus Christus, onze Bloedverwant–Verlosser, zou komen om alles terug te kopen wat verkocht was toen Adam zondigde. De Schrift kan niet worden verbroken. Als de losser bij machte was om te (ver)lossen moet hij dit doen omdat dit de wil van de hemelse

Vader is, namelijk te lossen wat zijn broeder heeft verloren.

Wij zijn Zijn broeders. Om deze reden eist de wet dat Jezus Christus alles (ver)lost dat verloren was in Adam. De enige relevante vraag is of Jezus Christus dit ook werkelijk heeft gedaan. Ik geloof van wel, omdat het bloed nooit zijn kracht verliest, ook faalde Jezus niet om elke wet te vervullen die de Vader Hem gevraagd had te vervullen. De wet is volledig vervuld.

De wet van afkoop (verlossing) was erg verweven met het Jubeljaar. Hoofdzakelijk was de afkoop van de overerving altijd mogelijk voorafgaand aan het Jubeljaar. Als de schuldenaar op de één of andere manier het geld kon opbrengen om zelf het land terug te kopen en zichzelf te verlossen, had hij het recht om dit te doen. Een naaste verwant had eveneens het recht om op elk moment het land terug te kopen. We lezen in Leviticus

25:47–55.

Wanneer mensen die als vreemdeling bij jullie wonen, rijkdom vergaren en een van jullie tot armoede vervalt en zich aan zo’n vreemdeling of een afstammeling van een vreemdeling verpandt, 48 behoudt hij het recht op lossing. Hij kan worden vrijgekocht door een broer, 49 een oom of een neef of een andere bloedverwant, of hij kan, wanneer hij weer over voldoende middelen beschikt, zich zelf vrijkopen. 50 Samen met degene aan wie hij zich verpand heeft, moet hij nagaan hoeveel jaren er liggen tussen het jaar van de pandstelling en het eerstvolgende jubeljaar; de pandsom wordt berekend naar het aantal dienstjaren, volgens het tarief van een loonarbeider. 51 Als er nog veel jaren resten, moet een evenredig deel van het bedrag als losgeld worden betaald; 52 als er volgens de berekening nog weinig jaren resten tot aan het jubeljaar, moet een evenredig deel worden afgelost. 53 Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld. 54 Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij. 55 Want de Israëlieten behoren mij toe; ik heb hen uit Egypte weggeleid. Ik ben de HEER, jullie God.

Het is van groot belang om de wet van afkoop (verlossing) te begrijpen, want het heeft alles te maken met Gods plan om zowel Israël als de wereld af te kopen (te verlossen). Een vriend heeft geen recht om als losser op te treden; alleen een naaste bloedverwant. Dit houdt in dat als een man zichzelf en zijn familie verkoopt om bij een ander te gaan werken, een vriend hem mag afkopen – maar alleen als de meester dit toelaat. Een vriend heeft niet het RECHT om dit te doen. Daarentegen heeft de meester het recht om zijn nieuw verworven personeel in dienst te houden. Maar als een naaste bloedverwant besluit om de schuldenaar af te kopen moet de meester hiermee akkoord gaan, hij heeft dan geen keuze, omdat deze naaste bloedverwant wel het recht heeft om dit te doen.

Jezus kwam naar de aarde om Zijn mensen te verlossen, af te kopen (Luk. 1:68). Hij kwam niet als engel, maar als een mens, specifiek uit het geslacht van Abraham. Hij deed dit om volgens de wet het recht te hebben om verlossing teweeg te brengen. Als Hij als engel zou zijn gekomen, zou Hij volgens de wet alleen een VRIEND zijn van zondaren, die door de zonde een te grote schuld hadden gekregen die ze zelf niet konden aflossen, zij die hun erfenis hadden verloren (dus onterft waren) door de zonde van Adam.

Jezus was weldegelijk een vriend van zondaren, maar dit was niet genoeg. Om het RECHT op verlossing van Israël te hebben moest Hij meer dan een vriend zijn. Hij moest geboren worden uit het geslacht van Abraham, om zodoende het RECHT op verlossing te verkrijgen voor de gehele mensheid. Hij moest meer zijn dan een engelachtige vriend, Hij moest van vlees en bloed geboren worden. Hij kwalificeerde zich voor beide zaken, zoals we kunnen lezen in Hebreeën 2:11–17.

Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong, en daarom schaamt hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen 12 wanneer hij zegt (in Psalm 22:22): ‘Ik zal uw naam bekendmaken aan mijn broeders en zusters, u loven in de kring van mijn volk.’ 13 Zo zegt hij ook (in 1Samuel 22:3): ‘Ik zal steeds op hem vertrouwen,’ en verder (in Jesaja 8:18): ‘Hier sta ik met de kinderen die God mij gegeven heeft.’ 14 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, 15 en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood.

16 Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. 17 Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. 18 Juist omdat hij zelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan hij ieder die beproefd wordt bijstaan.

Hieruit kunnen we concluderen dat Jezus geboren is van vlees en bloed om de gehele wereld rechtmatig te kunnen verlossen. Hij is eveneens specifiek geboren uit het geslacht van Abraham om rechtmatig verlossing te verkrijgen voor het Huis van Israël. Dit zijn verschillende beloften, maar ze zijn beide gebaseerd op dezelfde wet van afkoop. Israël moest verlost worden uit de hand van hun vijanden (Assyrië) en zou uiteindelijk terugkeren naar God. De wereld van vlees en bloed zal, door dezelfde wet, verlost worden van de laatste en definitieve vijand – de dood – want de dood heeft niet het recht van afkoop en moet daarom alle gevangenen teruggeven aan Jezus Christus wanneer Hij dit eist.

Degene die verlost zijn, dienen een nieuwe meester

In de wet van afkoop heeft de verloste schuldenaar niet het recht om eigen baas te worden of zijn eigen toekomst te bepalen, zoals eerder aangehaald in Leviticus 25:53,

Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld.

Een losser is iemand die de losprijs betaald voor een schuldenaar. In principe koopt hij de schuldenaar van de meester, die een ‘vreemde’, een buiten-lander is. Zo’n persoon zal vaak zijn schuldenaar misbruiken om hem te onderdrukken. De naaste bloedverwant heeft de plicht om zijn broeder te (ver)lossen op de volgende grond; dat hij de schuldenaar op een wettige manier zal behandelen met vriendelijkheid. Dit houdt in dat de schuldenaar slechts van meester wisselt. Verlossing betekent NIET dat de schuldenaar vrij was om te doen wat hij wilde. De apostel Paulus bespreekt dit punt van de wet in Romeinen 6, waarin hij uitleg geeft over het vermeende recht van de verloste christen om te blijven zondigen om genade te laten toenemen.

1 Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen? 2 Dat in geen geval. Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven?... 17 Maar God zij gedankt: u was slaven van de zonde, maar nu gehoorzaamt u van ganser harte de leer waaraan u zich hebt toevertrouwd, 18 en bevrijd van de zonde hebt u zich in dienst gesteld van de gerechtigheid. 19 Ik druk me zo gewoon mogelijk uit, omdat het anders uw begrip te boven gaat. Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven. 20 Toen u nog slaven van de zonde was, was u niet gebonden aan de gerechtigheid. 21 Wat hebt u daarmee geoogst? Dingen waarvoor u zich nu schaamt, want ze leiden tot de dood. 22 Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u toewijding aan hem en zelfs het eeuwige leven.

De uitleg van Paulus is hier gebaseerd op de wet van afkoop. De verloste schuldenaar wordt gebonden door de goddelijke wet om de (ver)losser te dienen. Jezus is de Verlosser, die met Zijn bloed ons heeft vrijgekocht en om deze reden, zegt Paulus, zijn we ‘bevrijd van de zonde en in dienst van God’ (vers 22). Dit houdt in dat niet langer de zonde onze meester is, maar we nu God als Meester hebben. Dit betekent dat we nu verantwoording moeten afleggen aan Zijn wet en dat van ons verwacht wordt dat we gehoorzaam zijn aan Hem. Johannes zegt dat ‘ieder die zondigt Gods wet overtreedt, want zondigen is Gods wet overtreden’ (1 Johannes 3:4). Johannes zegt ook in 1 Johannes 2:3 en 4,

Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem.

Johannes zegt niet dat de wet de basis van ons geloof is. Hij zegt dat onze gehoorzaamheid een uiterlijk BEWIJS is dat we gered zijn. Als we claimen dat we verlost zijn, maar weigeren een dienaar van Jezus Christus te zijn, dan kennen wij Hem eigenlijk niet. ‘We weten doordat’ (vers 3). De wetteloze christenen overtreden de wet van afkoop. Vanwege deze reden zegt Jezus over deze mensen in Mat. 7:23b: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”

Wetteloze christenen zullen uiteindelijk hun verlossing niet verliezen. Ze zullen ’gered worden, maar door het vuur heen’, zoals Paulus zegt in 1 Kor. 3:15. En, natuurlijk, als iemand beweert een gelovige te zijn, maar niet werkelijk een christen is, want God oordeelt het hart, dan zal die persoon in de vuurpoel geworpen worden voor een langdurigere en intensievere zuivering. Echter, deze gelovigen zullen uiteindelijk worden verlost in het grote Jubeljaar aan het einde der tijden, dat we lezen in Leviticus 25:54,

Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij.

Wat een geweldige belofte! Het Jubeljaar is de wet van genade. Het maakt niet uit hoeveel schuld iemand heeft, het Jubeljaar maakt hem vrij. Zelfs al is er geen naaste bloedverwant die hem afkoopt of verlost breekt er een dag aan waarin hij in de glorieuze vrijheid van de zonen van God wordt vrijgepleit. Om deze reden ziet heel de schepping reikhalzend uit naar deze dag. Romeinen 8:19–25 zegt,

De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23 En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.

De wet van het Jubeljaar maakt het verplicht om heel de schepping vrij te maken op een moment in de geschiedenis. Persoonlijk geloof ik dat dit na 49.000 jaar geschiedenis zal gebeuren. Het laagste niveau van Jubeljaarviering ving aan na 49 jaar (Lev. 25:8). De trompet (ramshoorn) voor het Jubeljaar klonk dan op de Grote Verzoendag, dat de tiende dag was in het vijftigste jaar (Lev. 25:9). In profetisch historisch opzicht zien we hogere niveaus van Jubeljaarvieringen. Kijk bijvoorbeeld naar de zeventig weken (of jaren) van Daniel, wat eigenlijk 10 Jubeljaren zijn, oftewel 490 jaar. Jezus verloste ons aan het einde van de zeventig weken van Daniel in het jaar 33 n.Chr (zie ons boek ‘Geheimen van Tijd’, hoofdstuk 9).

De cyclus van veertig Jubeljaren, oftewel 1.960 jaar, is ook belangrijk, net zoals de cyclus van vijftig Jubeljaren, oftewel 2.450 jaar. Deze onderwerpen worden uitgebreid behandeld in het boek ‘Geheimen van Tijd’, maar zijn niet van toepassing op het onderwerp van dit boek. Toch vangt, volgens mij, het laatste Jubeljaar van de Schepping aan na 49.000 jaar. Dit kan ik natuurlijk niet bewijzen en heeft dat ook geen nut om dit te proberen. Het volstaat om te weten dat de wet van God grenzen stelt met betrekking tot de tijdsduur dat een schuldenaar in slavernij leeft, of hoe lang een zondaar gebonden kan zijn aan de zonde.

Heel de schepping wacht op dit Jubeljaar. Het is het doel van de geschiedenis en het uiteindelijke doel van God. Op elk niveau verkrijgt het Jubeljaar zijn kracht door het bloed van Jezus Christus aan het kruis, zoals we lezen in 1 Johannes 2:1 en 2,

Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2 Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.

Al het land behoort God toe

De wet van het Jubeljaar is afhankelijk van een diepere wet. Deze wet kan gevonden worden in Leviticus 25:23, waar God zegt: “het land behoort mij toe.” Hierdoor kon het land niet voorgoed verkocht worden, maar moest het altijd teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaren in het Jubeljaar. Adam is gevormd uit stof, uit aarde (Genesis 2:7). De mens is een onderdeel van Gods schepping en landerfenis. Het was God bedoeling om een huis te bouwen voor Hemzelf op aarde, en dit huis is de mens.

Omdat de mens een schepsel is bezit hij zichzelf niet. God bezit alles wat Hij geschapen heeft. Natuurlijk heeft de mens wel een zekere mate van autoriteit gekregen, maar de mens heeft geen ultieme soevereiniteit over zijn ‘land’, oftewel over zichzelf. Daarom heeft de mens het recht gekregen om zichzelf tijdelijk te verkopen. Hij kan zichzelf voor een tijd aan de zonde verkopen, zelfs een leven lang. Maar hem is nooit het recht gegeven om zijn land voorgoed te verkopen. Zijn land zal altijd terugkeren naar God tijdens het Jubeljaar.

Met andere woorden, niemand kan zo een grote zondaar zijn dat hij niet vrijgemaakt kan worden in het Jubeljaar. Niemand kan zoveel schulden op zich laden waardoor hij niet vrij gemaakt kan worden in het Jubeljaar. Niemand heeft zowel de autoriteit als de mogelijkheid om een schuld te veroorzaken die groter is dan het Jubeljaar kan herstellen. Dit is de wet van God, niet de wet van de mens.

Toen de mens zondigde werd het ‘land’ verkocht. Dit betekent dat Adam en zijn kinderen en zijn hele nageslacht aan de zonde verkocht werden. In essentie verloor God Zijn erfenis aan de aarde. Om deze reden moest Jezus Christus naar de wereld komen om Zijn verloren erfenis te verlossen. Hij kwam als een Naaste Bloedverwant om het RECHT op verlossing te verkrijgen. Door Zijn eigen bloed betaalde Hij de volledige prijs op voor zonde van de hele wereld vanaf Adam tot het einde der tijden. De vraag die nog rest is of Jezus Christus de wereld wel genoeg lief heeft gehad om daadwerkelijk gebruik te maken van Zijn legale recht.

Het antwoord kunnen we vinden in Johannes 3:16: “Want God had de wereld zo lief…” Dit is de echte vraag: Als Jezus Christus werkelijk de macht heeft om alle mensen te redden, zou Hij dit dan ook doen? Natuurlijk doet Hij dit, want Hij houdt van alles wat Hij geschapen heeft. Dus Jezus heeft de macht en de wijsheid om heel de mensheid te redden. Zijn bloed – de prijs voor de zonde van de wereld – is veel meer waard dan de prijs voor zonde van de hele mensheid bij elkaar. En daarnaast staat de wet ook aan Zijn kant, want Hij heeft het recht op verlossing. Dit houdt in dat Hij alles kan verlossen als Hij dit zou willen.

Stel u voor dat u als lezer een familie had die bestond uit geliefden die in slavernij verkocht waren. Als u zou komen met het recht op verlossing nadat u de volledige prijs van hun verlossing had betaald, zou u dan tevreden zijn als de slavendrijver uw geld accepteerde, maar u dan slechts één of twee van uw familieleden zou teruggeven? Natuurlijk niet. Als u echt van ze zou houden zou u alles eisen waarvoor u betaald hebt. Maar zelfs als uw geliefde familieleden weigerden om verlost te worden, zou dit het proces alleen maar vertragen tot het Jubeljaar. Denk maar terug aan Leviticus 25:54,

Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij.

Hoewel de heersers over mensen en volken keer op keer weigerden om het Jubeljaar uit te roepen over hun onderdanen is God geen mens die liegt. Hij zal Zich altijd aan Zijn eigen wet houden, ongeacht de weigering van ongehoorzame mensen.

Het oordeel van God in het laatste tijdperk

De wet van God eist het herstel van alle dingen (Handelingen 3:21). De goddelijke oordelen van God zijn niet eeuwig, zoals de mens eeuwig definieert. Zij zijn aionian, zoals de Griekse tekst ons vertelt. Zij behoren alleen maar tot een eon (aion), oftewel een tijdperk. De ‘vuurpoel’ die aangehaald wordt in Openbaringen 20:11-15 is dezelfde ‘rivier van vuur’ die aangehaald wordt in Daniël 7:9-11. Daniël vertelt ons dat een rivier van vuur opwelt en stroomt vanuit Gods troon. Een troon is een oeroud symbool van rechtstaat. Als een koning zetelt op een troon beheert hij officieel de wet een haar oordelen. God is de Koning van de Schepping en Hij oordeelt volgens Zijn wet. Daarom is het vuur de goddelijke wet, zoals Mozes ons vertelt in Deuteronomium 33:2,

Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.

Het ‘vuur’ van de goddelijke wet veroordeelt niemand vanwege welke misdaad dan ook tot een verbranding met een letterlijk vuur. Alle zonde wordt berekent als schuld dat verschuldigd is aan de slachtoffers van onrecht. Als de zondaar het verschuldigde bedrag niet kan betalen wordt hij als slaaf verkocht totdat de schuld betaald is. De gelovigen zullen dan over hem heersen. Oftewel de gelovigen worden dan de autoriteit gegeven over de zondaren (de schuldigen), en zij zijn verantwoordelijk om hen rechtvaardigheid en het karakter van God te onderwijzen. Vanwege deze reden vertelt de profeet ons in Jesaja 26:9,

…Wanneer u een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren.

Het ‘vuur’ is de goddelijke wet. Het is geen marteling of straf; het is gerechtigheid. Gods oordelen hebben een corrigerende aard. Bij God is er geen eindeloze straf zonder genade. Oordeel eindigt altijd in genade, want dit is de wet van het Jubeljaar.

Ongeacht de precieze aard van Gods oordeel over zondaren in dat tijdperk, weten we vanuit de wet van het Jubeljaar dat Gods oordelen tijdperk–gebonden zijn, en niet eindeloos, zoals sommigen het Griekse woord aionian vertaald hebben. Correcte vertalingen van deze term kunt u vinden in Young’s Literal Translation en Rotherham's The Emphasized Bible. Zij erkennen aionian op dezelfde manier zoals de vroege Kerkvaders dit ook deden, want hun geschriften spraken vaak over de komende oordelen als zijnde tijdelijk en tijdperk–gebonden.

De wet van het Jubeljaar eist een einde van alle aansprakelijkheid voor zonde (schuld) op een bepaald punt in de toekomst. De wet van het Jubeljaar eist dat alle schulden opgeheven worden aan het einde van het laatste tijdperk. Dan zal heel de schepping delen in de vrijheid en luister van Gods kinderen.

Het herstel van alle dingen

De woorden van Jezus in Johannes 12:32 en 33 zullen worden vervuld als God alles herstelt,

Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ 33 Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven.

Zo zullen ook de woorden van de apostel Paulus, die hij in 1 Korintiërs 15:22–28 optekende, vervuld worden,

Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. 23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd (in zijn eigen rangorde, NBG ’51)… 27 want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.

Net zoals in Adam de hele mensheid stierf zo zal in Christus, de Tweede Adam, de hele mensheid levend gemaakt worden –– maar niet allemaal tegelijk. Sommigen zullen levend gemaakt worden bij de eerste opstanding, anderen bij de algemene opstanding, maar alle anderen bij de grote Jubeljaar van de Schepping. Paulus spreekt ook van deze dag in Kolossenzen 1:16–20,

16 want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen… 19 Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, 20 en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.

Door de Logos, het Woord, Jezus Christus, is alles ontstaan (Johannes 1:3), en door Hem zullen alle dingen worden verzoend met Hem. Er zal aan het einde niets buiten zijn heerschappij vallen, zoals we kunnen lezen in Hebreeën 2:8 en 9,

Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.

Op deze manier is Hij “de redder van alle mensen, bovenal van de gelovigen,” zoals de apostel Paulus ons vertelt aan Timoteüs in 1 Timoteüs 4:10. Degenen die gered zijn voor het Jubeljaar van de Schepping zijn werkelijk gezegend en zullen regeren in Zijn Koninkrijk. Toch is Hij aan het einde ook de Redder van ALLE mensen, en niet alleen de Redder van de gelovigen. Vanwege deze reden ziet heel de schepping reikhalzend uit naar de openbaring van Gods kinderen (Romeinen 8:19–21), wetende dat deze kinderen de eerstelingen van de schepping zijn (Jakobus 1:18). Paulus zegt dat de eerstelingen de hele oogst heiligen. Nadat de eerstelingen aan God waren gegeven kon er begonnen worden met het oogsten van de hele veld akker. En de akker is de wereld (Matteüs 13:38).

En ook Johannes ziet heel de schepping zich verheugen aan het einde. Openbaringen 5:13 zegt,

Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’

Dit alles zal nooit plaatsvinden zonder de wet van het Jubeljaar, want het grootste gedeelte van de schepping verkeert nog in vijandschap met God. Zij zijn het die afhankelijk zijn van het Jubeljaar, omdat zij, in tegenstelling tot gelovigen, geen gebruik maken van de wet van (ver)lossing. De tijd van verlossing eindigt met het Jubeljaar. En daarom dringen we een ieder erop aan om het Woord van God te horen en om in Jezus Christus te geloven en te leren welke redding Hij heeft geschonken aan de mens. Onze boodschap is dezelfde boodschap van de apostel Paulus, die hij schreef in 2 Korintiërs 5:17,

Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. 18 Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. 19 Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons (christenen) heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. 20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen. 21 God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden.

Ons is de bediening van verzoening gegeven met de boodschap van het goede nieuws voor de wereld. Het is NIET het slechte nieuws van eindeloze kwelling en verdoemenis, maar het goede nieuws dat God de wereld met Zich heeft verzoend door Christus, die de prijs heeft betaald voor hun vrijlating en redding. Dit is het ware Evangelie van Jezus Christus, die omhooggeheven werd aan het kruis en daarom IEDEREEN naar Zich toehaalt. Dit geen denkwijze waarbij de wens de vader van de gedachte is, dit is een profetie. Het is een intentieverklaring. Het is een belofte aan ons en aan de wereld. Laten wij ons verheugen in dit goede nieuws van Gods genade.

HOOFDSTUK 8

De Twee Verbonden

Tijdens de eerste 2000 jaar van de mensheid werkte God met individuen. Adam en degenen na hem die het geboorterecht verkregen, regeerden als koningen over de aarde. Er waren toen nog geen slechte koningen die de aarde verdeelde in meer dan één natie. Hierdoor kon God alleen persoonlijk te werk gaan, in plaats van nationaal. De Heilige Geest werkte op een persoonlijk vlak tot aan de tijd van Noach. Want in die tijd was de aarde vol van onrecht en waren de mensen door en door slecht.

Adam en Noach

Tijdens de vloed verdween de Heilige Geest van de aarde in algemene zin en deze staat van afwezigheid duurde tot aan het Pinksterfeest dat beschreven staat in het tweede hoofdstuk van Handelingen. Bij deze gebeurtenis kreeg de Kerk een voorschot (een gedeelte) van de Geest. De geschiedenis van de Heilige Geest begint in Genesis 6:3.

Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd (olam) in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven.

Op het eerste gezicht gaat dit vers over de adem (Geest) van God die werd verwijderd van de mensheid, letterlijk door hen te verdrinken. Lees ook Genesis 6:17 en 7:22. Hier staat dat alles wat levensadem had stierf.

Er zit een diepere betekenis in deze verklaring. Het woord voor adem is in het Hebreeuws ruach. Dit woord heeft een dubbele betekenis. Het betekent zowel ‘adem’ als ‘geest’. Vandaar, als we de tekst naar een hoger niveau tillen, werd de Geest van God ook verwijderd van de mens(heid) gedurende ‘eon’, oftewel een tijdperk. Terugkijkend naar die gebeurtenis weten we dat hierdoor de Heilige Geest weer naar de aarde gestuurd werd om in ons te gaan wonen op de Pinksterdag. Op die dag ademde God opnieuw leven in de Kerk, wat de Kerk in de tijd van Noach ontnomen was.

Op het hoogste niveau van vervulling betekent dit dat deze inademing van de Heilige Geest niet compleet zal zijn zoals dit moet zijn tijdens het Loofhuttenfeest, waarbij de grootheid van de Heer de hele aarde zal vullen zoals het water de zee bedekt (Hab. 2:14). Door oordeel (de Vloed) verdween de Heilige Geest van de aarde; en door oordeel (de Vuurpoel) zal de Heilige Geest opnieuw worden uitgeschonken over alle vlees (de mensheid).

De vloed was de doop van de aarde met water; de vuurpoel zal de doop van de aarde zijn met vuur. Beiden hebben het doel om te reinigen en te zuiveren.

Gods herstel verbond met Noach

Gods plan wordt geopenbaard op een progressieve manier in de Bijbel. Het plan wordt juridisch gevestigd op een formele manier door middel van Gods verbonden. Het is algemeen bekend dat het eerste verbond werd opgemaakt in Genesis 3:15, waar God zegt dat Hij de kop van de slang zal verbrijzelen. Dit is het eerste verbond, hoewel het meer overkomt als een belofte, dan als een formeel legaal verbond. Er zijn echter veel beloften, maar slechts een handje vol verbonden zoals deze.

De eerste keer dat God specifiek zegt dat Hij een formeel verbond opmaakt is bij Noach in Genesis 9. We lezen in de verzen 8–17,

Ook zei God tegen Noach en zijn zonen: 9 ‘Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, 10 en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. 11 Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. 12 En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: 13 ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. 14 Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, 15 zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. 16 Als ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. 17 Dit,’ zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’

Dit verbond duurt ver voorbij Noach en zijn nakomelingen. Het was een verbond dat God maakte met elk levend wezen dat op aarde leeft. De aard van dit verbond wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd. Velen leren dat God alleen beloofde om de aarde nooit meer te vernietigen MET WATER. Ze zeggen dat dit een uitvlucht is voor God, zodat Hij simpelweg de volgende keer de aarde kan vernietigen MET VUUR. Dit ontkracht de aard van het verbond.

De intentie van God was de belofte van herstel voor iedereen (allen). Het was geen manier om een bepaalde vernietigingswijze uit te sluiten. De vloed vernietigde ‘al het vlees’ in de tijd van Noach; het komende vuur zal opnieuw al het vlees vernietigen – maar deze keer zal ‘het vlees’ vernietigd worden om de mens te redden. Het fysieke vlees werd de eerste keer vernietigd door water; maar de werken van het vlees zullen de tweede keer worden vernietigd door het vuur. Net zoals de doop met water ons vlees wast, zorgt de doop met vuur ervoor dat ons hart en geest gereinigd wordt. Beide vormen van doop zuiveren en reinigen, alleen gebeurt dit op verschillende niveaus.

Het verbond in Genesis 9:10 is opgesteld met de volgende vier specifiek gecategoriseerde levende wezens:

1. Noach en zijn zonen

2. Het gevogelte

3. Het vee

4. De dieren op de aarde

De vier categorieën van levende wezens vertegenwoordigen symbolisch ‘al het vlees’. De koning van het gevogelte is de adelaar; de koning van het vee is de os (stier), de koning van de dieren is de leeuw; en de mens is de overkoepelende koning op aarde. Hij heeft heerschappij gekregen in Genesis 1:26–28. Dit zijn de vier levende wezens rond de troon van God in Openbaringen 4:6 en 7. Dit zijn eveneens de vier beesten die afgebeeld staan op de vlaggen van de vier heersende stammen van Israël.

Tijdens de woestijnreis, in het kamp van Israël, bevonden de vier leidinggevende stammen zich rond de tabernakel (loofhut) van God, elk aan één zijde van de tabernakel. Aan de ZUIDKANT de stam Ruben met de vlag van de mens. Aan de NOORDKANT de stam Dan met de vlag van de adelaar (die een slang droeg). Aan de OOSTKANT de stam Juda met de vlag van een leeuw. En aan de WESTKANT de stam Efraïm met de vlag van een stier.

De betekenis van deze vlaggen is een langdurige en intensieve studie op zich en valt buiten het bereik van dit boek. Het volstaat voor onze doeleinden om aan te tonen dat de vier dieren rond de troon van God in Openbaringen 4 de hemelse realiteit weerspiegelt van het volk Israël onder Mozes.

De profeet Ezechiël had een hemels visioen toen hij naar het noorden keek (Ez. 1:4), waarbij de ‘stormwind’ zich naar het zuiden verplaatste richting de profeet. Hij zag eerst het gezicht van de mens (1:5) aan de zuidkant. Aan de rechtzijde, de oostkant, zag hij het gezicht van een leeuw. Aan de linkerzijde, de westkant, zag hij het gezicht van stier. Tenslotte, toen het visioen dichterbij kwam, kon de profeet de verre noordkant zien en zag hij de adelaar. Dit alles staat opgetekend in Ezechiël 1:10.

Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar.

De positie van elk wezen matcht met de positie van elke vlag van de stammen van Israël in hun kampement rond de tabernakel in de woestijn. Ezechiël zag een visioen van de troon van God, dat hijzelf ook zegt in 1:26. Johannes zag in essentie hetzelfde visioen in Openbaringen 4.

Maar wat houdt dit nu eigenlijk allemaal in? Genesis 9 laat ons zien dat deze wezens al het vlees, oftewel elk levend wezen, uitbeelden en vertegenwoordigden. In Openbaringen 4:9 hebben zij de taak om “lof, eer en dank te brengen aan Degene die op de troon zit.” Het uiteindelijke doel is om AMEN te zeggen tegen God en Zijn plan om alle creatie te herstellen tot Zichzelf. Vandaar dat we het volgende lezen in Openbaringen 5:11–14,

Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden. 12 Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ 13 Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’ 14 De vier wezens antwoordden: ‘Amen’, en de oudsten wierpen zich in aanbidding neer.

God schiep de aarde om zijn heerlijkheid te manifesteren in fysiek vlees. Hij gaf de mens heerschappij over de aarde – autoriteit onder God – met de bedoeling dat de mens de mogelijkheid heeft om AMEN te zeggen tegen alles wat God doet. Op dit moment in de tijd zien we nog niet dat alles aan Hem onderworpen is, wat Hebreeën 2:8 ons duidelijk maakt. En om deze reden zeggen de vier categorieën van levende wezens nog geen AMEN tegen het plan van God. De vijandschap bestaat nog. De mens is nog steeds niet in overeenstemming met God. We denken dat we een betere manier hebben om het universum te besturen. Maar de dag zal komen waarbij de vier dieren AMEN zullen zeggen en de hele wereld vervuld zal zijn met Zijn heerlijkheid.

Het plan van God, opgesteld als verbond in de tijd van Noach, zal niet vervuld worden totdat ieder levend wezen in de hemel, op de aarde, onder de aarde en in de zee heerlijkheid aan de Vader kan geven en de woorden kan spreken die Johannes gehoord heeft in Openbaringen 5:13 (zie de vorige Bijbeltekst). Als iedereen dit kan doen zullen de vier levende wezens vreugdevol en met luide stem ‘Amen’ zeggen. Dit is de ware trompet voor het Jubeljaar waar God al zo lang op wacht om te horen.

Abraham en het doel van verkiezing

Het verbond met Abraham laat zien WIE het Koninkrijk van God zou gaan verspreiden op de aarde. Met Abraham wende God een nieuwe methode aan om de aarde te besturen. Hij ‘(ver)koos’ Abraham en begon met het vormen van Zijn eigen natie, waardoor ‘alle volken op aarde’ gezegend zullen worden (Gen. 12:3). De Statenvertaling vertaald het als volgt:

En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Gods idee van verkiezing heeft nooit de intentie gehad om een exclusieve redding te zijn in het voordeel van slechts een paar mensen. Verkiezing, zoals dit duidelijk wordt aangetoond in Zijn handelen met Abraham, laat zien dat het meer de lijn volgt van een politieke verkiezing. In andere woorden; het is een onderdeel van Gods regering, een hiërarchie van verschillende gezagniveaus op aarde. God (ver)kiest mensen om deze posities van gezag in te vullen om zodoende de mensheid te dienen. De verkiezing en de roeping bepalen iemands capaciteit om de mensheid te dienen, want God rust zijn bedienden uit voor de taak die Hij hen oplegt. Vandaar dat de hoogste roeping toe wordt bedeeld aan hen die dienaren zijn van anderen.

Autoriteit gaat samen met een bepaalde verantwoordelijkheid. Want autoriteit is geen voorrecht waarmee je jezelf mag verheerlijken. Het heeft een doel. Het wordt gegeven om over anderen te regeren, zodat die anderen gezegend en gered kunnen worden (in de brede zin van het woord). Daarom moeten we Gods verkiezing anders zien dan vaak is opgevat in het verleden. God verkiest NIET slechts enkelingen om ze te redden, waardoor de rest van de mensheid eeuwig zal worden gemarteld. In plaats daarvan verkiest Hij slechts enkelingen, zodat zij de zegeningen en de boodschap van verzoening kunnen doorgeven aan de rest van de mensheid.

Hierom verkoos God slechts één man, Abraham. En ook zijn nakomelingen na hem als beginpunt. Het was Gods plan om hen eerst in dienst te nemen om zo de rest van de wereld Zijn Woord en Geest te schenken, aan ‘alle volken op aarde’, aan ‘alle geslachten des aardsrijks’. Helaas, na een aantal jaar zagen zijn nakomelingen zichzelf als slavendrijvers in plaats van als dienaren van God, die in dienst waren gesteld voor de mensheid. Dit ongelukkige voorval zorgt ervoor dat zij, of geen deel, of geen taken zullen krijgen in het Loofhuttentijdperk. God zoekt niet naar regeerders; Hij zoekt naar dienaren.

Vierhonderd jaar na Abrahams roeping maakte God een nieuw verbond onder Mozes om zodoende verantwoordelijkheid te bewerkstelligen in het herstelproces. Met andere woorden, het was niet Gods plan om iedereen te redden door de wet teniet te doen en hun overtredingen niet aan te rekenen. God maakte een wetverbond zodat wij Zijn wil zouden weten en waardoor de mensheid verantwoordelijk gehouden werd. Hij zal zeker heel de mensheid herstellen, maar niet zonder de oordelen van de wet. Het doel van de wet is om de mens discipline bij te brengen, waardoor zij kunnen opgroeien tot volwassenheid naar het beeld van Christus.

Dit is werkelijk een immens wijs en prachtig plan, tenzij de mens voor opstand en ongehoorzaamheid wordt beloond.

Abraham en Mozes: De twee verbonden

De Bijbel spreekt van een aantal verbonden, maar er zijn er twee die direct in verband staan met de redding van de mensheid. Ze worden over het algemeen het Oude en Nieuwe Verbond genoemd. Het Oude Verbond werd ingesteld onder Mozes, die als ‘middelaar’ optrad. In het Nieuwe Verbond is Jezus de ‘Middelaar’.

Het Oude Verbond zorgde ervoor dat de mens geheel verantwoordelijk was voor de zonden. Het Nieuwe Verbond maakte Jezus geheel verantwoordelijk. Maar om het verband tussen de twee verbonden te zien moeten we eerst kijken naar Paulus’ commentaar op de verbonden in het derde hoofdstuk van Galaten. Het is van groot belang dat we het verband zien tussen de twee verbonden om zo het proces van redding te kunnen begrijpen. In Galaten 3:15 staat:

Broeders en zusters, ik geef u het voorbeeld van een rechtsgeldig testament, een testament dat door een mens bekrachtigd is. Niemand kan zo’n testament ongeldig verklaren of er iets aan toevoegen. 16 Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling.

Met andere woorden, als je een contract met iemand opstelt en het is getekend en gezien door beide partijen, dan kan het niet veranderd of genegeerd worden. Het is geheel bindend voor iedereen die er zijn of haar handtekening onder gezet heeft. God maakte een contract (verbond) met Abraham en zijn zaad. Dit gebeurde door ‘belofte’. In onze moderne tijd kunnen we zeggen dat God een onvoorwaardelijk verbond met Abraham opstelde. Het was een ‘belofte van afbetaling’, een cheque die slechts één handtekening nodig had – die van God.

Terugkijkend naar Genesis 15 zien we dat God Abraham de opdracht gaf om vijf dieren te nemen en ze door midden te snijden. Dit was een ‘bloedverbond’. Hoewel de mensen toen slechts één dier gebruikte, gebruikte God er vijf om Zichzelf zo vijfmaal te verbinden aan de vervulling van de belofte. Vijf is ook het getal van genade.

Zonder twijfel dacht Abraham dat hij samen met God tussen de halve dieren door zou gaan lopen, om zo het verbond bindend te maken voor hen samen. In die dagen maakte de mensen op die manier bloedverbonden met elkaar; zij liepen dan hand in hand tussen de halve dieren door, met als symbolische betekenis: “God mag mij door midden snijden als ik het verbond verbreek.”

Toch had God een beter plan. Hij wist dat de onvolmaakte mens zich niet kon houden aan volledige gehoorzaamheid. Hij wist dat de mens elk verbond met God zou verbreken. Oftewel de mens zou altijd een risicofactor zijn en God zou hen dan door midden moeten snijden. Daarom bracht God Abraham in een diepe slaap (Gen. 15:12). En terwijl hij sliep liep God alleen tussen de dierhelften door (Gen. 15:17).

Dus eigenlijk is het verbond met Abraham in wezen onvoorwaardelijk. Alleen God bond Zichzelf aan het uitvoeren van bepaalde zaken. Hier doelt Paulus op als hij zegt dat dit verbond ‘door belofte’ is gemaakt en niet ‘door overeenkomst’, wat tweezijdig is. Het is ‘door belofte’, wat eenzijdig is. Het was een cheque voor Abraham, enkel en alleen opgemaakt en getekend door de hand van God.

Maar wie kon de cheque bekrachtigen als Abraham niet had getekend? Kijk terug naar Gal. 3:15, waar staat dat niemand het kan annuleren als het eenmaal is bekrachtigd. We kunnen nu zien dat de belofte die aan Abraham was gegeven pas 2000 jaar later bekrachtigd werd door Jezus. Vers 17 zegt dat het ‘eerder door God bekrachtigd is’ (dit wil zeggen, voor de tijd van Mozes). We moeten wel in gedachte houden dat er geestelijk gezien geen verleden of heden is. Daarom was Jezus, vanuit Gods oogpunt, al gestorven vanaf het begin van de wereld (Op. 13:8) om zo het verbond te bekrachtigen dat, in menselijk denken, nog moest geschieden. Daarom wordt de wet, op deze wijze, tevredengesteld.

Paulus zet het eenzijdige belofteverbond in contrast met het tweezijdige obligatieverbond, dat God later met Mozes maakte:

17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar na de belofte werd gegeven, maakt het testament dat door God bekrachtigd is niet ongeldig. De wet kan de belofte nooit ontkrachten.

Paulus behandelt een duidelijke tegenspraak van deze verbonden. De eerste zegt: “Ik beloof dat ik al je zaad zal redden en hen het Koninkrijk zal schenken.” De tweede zegt: “Ik zal je redden INDIEN je gehoorzaam bent.” Luister naar de voorwaarden van het verbond onder Mozes die we kunnen vinden in Exodus 19:5 en 6:

Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. 6 Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’

Als iemand nog twijfelt over de aard van de voorwaarden van dit verbond met Mozes dan moet diegene Leviticus 26 er op naslaan. Hier verkondigt God de zegeningen voor gehoorzaamheid en de vloeken (straffen) voor ongehoorzaamheid. Dit was een verbond (contract) dat zowel God als Israël BEIDE moesten tekenen. Het leek absoluut niet op het verbond met Abraham, waar God zowel de Beloftemaker als de Bekrachtiger was, door Jezus.

Daarom haalt Paulus het volgende probleem aan in Galaten 3:17: Aan welk verbond moeten we ons houden om in de erfenis en de belofte te delen? En verder, wat is de relatie tussen de twee verbonden? Als God al onvoorwaardelijk de erfenis aan Israël beloofde in de tijd van Abraham, waarom heeft Hij dan een tweede verbond opgericht onder Mozes; een verbond met voorwaarden dat het verbond met Abraham teniet leek te doen?

Het antwoord is dat God, in Zijn wijsheid, niet de wens had om ongehoorzame en rebellerende kinderen op te voeden. Als Hij had beloofd om de hele mensheid te redden, ongeacht hun daden, dan zou God berouwloze kinderen redden die niet de lessen hadden geleerd om gehoorzaam te zijn. En dat is wat Hij verlangt. Daarom bewerkstelligt het verbond onder Mozes de oordelen van God voor de ongehoorzame mensen en zet het de standaard voor rechtvaardigheid op aarde, dat de mensheid uiteindelijk zal verkrijgen. Het wetverbond, gesproken door God uit het midden van het vuur, bewerkstelligde niet alleen de discipline die gelovigen tot volwassenheid brengt, maar het bewerkstelligde en definieert ook een toekomende ‘vuurpoel’ voor de ongehoorzame ongelovigen.

Gods laatste wilsbeschikking en testament

Stel je voor dat u naar uw procureur gaat en een laatste wilsbeschikking laat optekenen. U besluit dat uw huis en eigendom overgaat naar uw zoon. Dit doet u uit vrije wil, omdat u van uw zoon houdt. Vervolgens gaat u naar huis en vertelt u het tegen uw zoon met de belofte dat u de wilsbeschikking nooit zal herroepen.

Een jaar later gaat u weer bij de procureur langs, dit keer samen met uw zoon. Dit keer laat u een contract opmaken waarbij u uw zoon de erfenis schenkt, onder de voorwaarde dat hij eerst een schuur bouwt op het erf. Samen zetten jullie een handtekening onder dit tweede contract omdat hij het eens moet zijn met deze overeenkomst.

Het volgende jaar sterft u. De procureur belt uw zoon en leest uw wilsbeschikking voor. Hij krijgt de erfenis over uw huis en bezit. Dit staat vast en kan niet teniet worden gemaakt. Desondanks kan hij geen claim leggen op de erfenis omdat hij nog geen schuur heeft gebouwd, zoals het tweede contract eist.

Valt het kwartje? Het eerste verbond was onvoorwaardelijk. Het tweede verbond heeft voorwaarden. Verklaart de tweede de eerste teniet? Nooit! Uw zoon ZAL de erfenis krijgen. De vraag is alleen WANNEER? Het tweede verbond heeft alleen de macht om de erfenis te vertragen totdat hij geduld en gehoorzaamheid leert.

Toen God een verbond opmaakte met Abraham gaf Hij de erfenis van het Koninkrijk aan hem en zijn zaad na hem. Vervolgens maakt hij nog een verbond met Mozes om de erfenis te vertragen totdat de mensen gehoorzaamheid hebben geleerd.

Maar er is zit nog een betekenis in dit verhaal, op een universeel niveau. God verkoos Abraham en zijn zaad om tot zegen te zijn voor alle volken op aarde. Abraham was Gods procureur om alle volken op aarde samen te roepen (na de dood van Jezus Christus) om Zijn wilsbeschikking voor te lezen. Zij zijn geroepen om de wereld te informeren over hun erfenis, omdat de Testateur gestorven is. Dit verbond kan niet teniet gemaakt worden. Toch is er onder Mozes een ander verbond opgericht, God stelde voorwaarden waardoor de erfenis verkregen kan worden. De voorwaarde is gehoorzaamheid. Daarom vragen we mensen om Jezus te volgen. Wat is de zin hiervan? In essentie betekent het dat wij het verbond met Mozes bekrachtigen door onze namen er onder te zetten, met de belofte dat we Jezus de Heer van ons leven zullen maken en gehoorzaam zullen zijn aan Zijn wet (oftewel ons afkeren van de zonde).

Dit is de betekenis van het geloof in Hem. We hebben geloof als we werkelijk geloven dat God door Jezus Christus Zijn belofte zal vervullen. Toen het volk Israël, in de tijd van Mozes, onderaan de berg stond, geloofden ze dat Jahweh de ware God was en dat Hij in staat was om hen naar het Beloofde Land te brengen. Ze geloofden dat Zijn wetten rechtvaardig waren. En door het geloof besloten ze Hem te volgen.

Maar volgden ze Hem echt? Volgens de Bijbel faalden ze bij elke stap die het volk zette, net zoals wij falen om perfect gehoorzaam te zijn. Betekent dit dat het verbond met Abraham ook faalde? Was God niet bij machte om Zijn volk in het Beloofde Land te brengen? Was de wil van de mens sterker om Gods belofte te laten falen waardoor de volken op aarde niet gezegend konden worden? Absoluut niet! Redding is niet afhankelijk van de wil van mensen, maar van de wil van God. De wil van de mens is nooit machtiger dan de soevereiniteit van God. De ongehoorzaamheid van de mens vertraagt slechts de uitschenking van genade op de mensheid – en zelfs dit gebeurt omdat het vanaf het begin bij Gods plan hoort.

Daarom is onze keuze om Christus te volgen – wat zondermeer de meest belangrijke beslissing is die we kunnen maken – echter NIET de echte basis van onze redding. En het was ook niet de basis van Israëls redding. We worden niet gered door onze wil, want onze wil heeft zijn wortels in Mozes, en niet in Abraham. De beslissing om Christus te volgen kan ons alleen redden als wij de mogelijkheid hadden om die beslissing (belofte) te vervullen door nooit meer te zondigen. Toch is het maken van de keuze om Christus te volgen belangrijk genoeg, vanuit Gods oogpunt, waardoor God Mozes naar Israël stuurt om te bemiddelen in dit beslissend-makende verbond.

Onze erfenis in God is gebaseerd op een beter verbond, namelijk het nieuwe en onvoorwaardelijke verbond dat door Jezus is ondertekend met Zijn eigen bloed. Jezus’ dood was de enige voorwaarde waardoor het verbond met Abraham kon worden verkregen. Een ‘laatste wilsbeschikking en testament’ gaat pas van kracht als de erflater sterft, zoals we kunnen lezen in Hebreeën 9:16 en 17.

Bij een testament is het noodzakelijk dat de dood van de erflater wordt vastgesteld. 17 Een testament is immers pas geldig na overlijden, het heeft geen rechtskracht wanneer de erflater nog leeft.

De zegeningen van onze erfenis worden zowel in het verbond met Abraham als met Mozes verkondigd. Alleen kan de erfenis pas worden verkregen, bij het verbond met Mozes, als het vlees perfect gehoorzaam is en door het bloed van stieren en geiten, om verzoening te bewerkstelligen door ongehoorzaamheid. Aan de andere kant is het verbond met Abraham ‘van kracht gedaan’ door Jezus’ dood. De erfenis wordt verkregen door Gods wil alleen, en door het bloed van het ware Offer voor de zonde – Jezus Christus.

Degenen die geloven dat ze zelf ‘kiezen’ voor hun redding geloven dat de redding wordt verkregen door de wil van de mens en hebben hierdoor dezelfde denkwijze als de meerderheid in het Oude Testament. Deze opinie leidt erg gemakkelijk tot het idee dat het houden van de wet redding brengt. Daarom zien we door de geschiedenis van het oude Israël en de Kerk heen, dat de mens volmaaktheid (in het vlees) zoekt door zelfdiscipline. En samen met dit kwam ook het idee dat de leerstellingen over volmaaktheid (‘orthodoxie’) nodig waren om gered te worden, want de mens moest volmaakt zijn in lichaam en ziel (verstand).

Deze misvatting heeft een grote last op de Kerk gelegd. Christenen wereldwijd worden verteld dat ze naar persoonlijke volmaaktheid moeten streven om gered te worden. Velen zitten vol schuld(gevoel) omdat ze hun belofte tot volmaaktheid niet kunnen inlossen. Hun christelijk geloof is een religie geworden dat op prestaties is gebaseerd. En zo lang zij zichzelf als onvolmaakt zien dragen ze de last van schuld en angst, in plaats van vergeving en geloof. De oplossing zit in het zien dat onze redding en rechtvaardiging is gebaseerd op Gods eigen beslissing. Onze capaciteit om gehoorzaam te zijn is een zegenend proces waardoor wij – als christenen – leren om Gods stem te horen als Hij ons leidt naar het Beloofde Land, naar de volmaaktheid van het Loofhuttenfeest.

Jezus heeft nooit gepleit voor het breken van de wet, en ook Paulus deed dit niet. Wel legt Paulus ons heel zorgvuldig uit dat het onmogelijk voor ons is om onze erfenis (redding) te verkrijgen op basis van het wetverbond. In plaats daarvan verkrijgen wij het door Jezus’ dood, die het verbond met Abraham van kracht liet gaan. Dit is de onvoorwaardelijke belofte dat wij onze erfenis zullen ontvangen. En Hij zal zorg dragen dat wat Hij heeft beloofd ook zal gebeuren, want dit is Zijn wil.

Hoe moeten wij de schuur bouwen?

In onze eerdergenoemde illustratie vertelden we dat het tweede verbond een voorwaarde had, namelijk dat de zoon een schuur moest bouwen voordat hij zijn erfenis mocht ontvangen. Dit is een voorwaardelijke voorziening dat het eerste verbond niet teniet kan maken, maar het wel voor een tijdje kan VERTRAGEN. Dus de vraag is niet OF, maar WANNEER de zoon de erfenis kan ontvangen.

We hebben de ‘WANNEER-vraag’ al beantwoord in onze vorige hoofdstukken, waar we de drie oogsten hebben behandeld. Verschillende mensen verkrijgen de erfenis op verschillende tijden. Anders gezegd, sommige mensen ‘besluiten’ om hun schuur eerder te bouwen dan anderen. Christenen zijn mensen die Egypte hebben verlaten op weg naar het Beloofde Land (dit is de echte ‘schuur’ die God ons opdraagt te bouwen).

Laten we zeggen, om verder te gaan met onze illustratie, dat de zoon besluit om meteen de schuur te bouwen. Dit stelt u tevreden. Alleen heeft hij geen idee hoe hij een schuur moet bouwen. Hij heeft niet de vaardigheden en de kennis om dit te doen. En dit is juist de reden dat u met hem het verbond hebt opgesteld, zodat hij het kan leren. Het doel van dit verbond is dat hij iets leert wat hij nog niet wist.

Daarom wijst u een schuur aan die al gebouwd is. “Zie je die schuur zoon? Dat is jouw voorbeeld. Maak er maar één zoals die daar. En als je vragen hebt moet je die schuur maar goed bestuderen.”

Hij gaat aan de slag, maar bij het maken van de fundering gebruikt hij teveel grind voor de hoeveelheid cement waardoor het beton enigszins zwak is. Hij gaat naar u toe en vraagt u wat hij fout heeft gedaan, en u geeft hem uitleg. Vervolgens vernieuwt hij de fundering, wat hem behoorlijk wat vertraging oplevert. Maar het is nou eenmaal zo dat je het beste leert met vallen en opstaan.

Vervolgens probeert hij de muren op te bouwen maar die zijn nog niet echt dik genoeg. En wederom wijs je hem op de goede weg, waarna hij het verbetert – alleen nog steeds niet ideaal (perfect). Toch bent u blij dat hij constant leert. Tenslotte is de schuur af en komt uw zoon naar je toe met de opmerking: “De schuur is af; mag ik nu mijn erfenis?”

U gaat naar zijn schuur en inspecteert het gebouw. U merkt op dat de vloer een beetje scheef loopt en dat er in sommige muren wat kieren zitten. Het dak lekt een beetje, maar al met al is het stevig genoeg om onderdak aan koeien te bieden. “Goed gedaan,” zegt u tegen uw zoon. “Het ziet er perfect uit, je mag de erfenis hebben.”

Maar als een goede timmerman weet u dat de schuur verre van perfect is. Maar als een goede vader weet u ook dat u uw zoon veel hebt bijgebracht en dat hij veel heeft geleerd. En zo overziet u wat er nu gebouwd is en doet u net of de mankementen niet bestaan (Rom. 4:17).U keurt het gebouw alsof het perfect was, ook al lekt het dak.

Hierna roept u uw zoon bij u en vertelt hem het volgende: “Ik heb je deze schuur laten maken om je te laten ervaren hoe moeilijk het is om het perfect te bouwen. Ook wilde ik je kundig maken in het bouwen van schuren. Maar eigenlijk is de schuur die ik je als voorbeeld heb laten zien de enige schuur die ik bestempel als afgebouwd. Deze volmaakte schuur geef ik nou aan jou om jouw schuur te vervangen. Nu is alles wat je ziet voor jou. Je bent eigenaar van mijn erfenis.”

Rechtvaardigheid wordt ons toegerekend

Ik heb ooit gehoord dat we gerechtvaardigd zijn door geloof, maar dat we geheiligd (gezegend) zijn door de wet. Degene die deze verklaring maakte probeerde de mensen gehoorzaam te laten zijn aan Gods wet. Omdat dit Gods standaard is voor het bepalen van zonde en rechtvaardigheid. Toch maakt hij dezelfde fout die de mensheid al duizenden jaren maakt. Paulus maakt een diepgaande verklaring in Galaten 3:3. Er staat,

Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest?

De ‘voorbeeldschuur’ uit onze illustratie is Jezus Christus. Wij moeten in ons leven gelijkvormig worden aan Hem. Toch moeten we onderkennen dat onvolmaakte mensen geen volmaakte schuren kunnen bouwen. Hoewel we een voorschot van de Geest hebben gekregen, is dit gedeelte van geestelijke kennis niet bij machte om ons gelijkvormig te maken met Christus. Het maakt niet uit hoe oprecht wij zijn in ons ‘besluit’ om Jezus te volgen, het maakt ook niet uit hoe streng wij een onthoudingsleer (ascetisme) aanhouden of vaak aan zelfkastijding doen, want al onze inzet schiet tekort. Ons sterfelijke lichaam is simpelweg niet in staat om volmaaktheid te bewerkstelligen. Het heeft de volheid van de Geest nodig om ons niet-corrupt en volmaakt te maken. De volheid moet nog geschonken worden aan de mensheid, met uitzondering van Jezus.

Paulus legt in Romeinen 4 uit dat rechtvaardigheid ons toegerekend wordt. De definitie van deze verklaring kunnen we vinden in vers 17: God roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren (Statenvertaling). Paulus illustreert hiermee Abraham. Ondanks dat Abraham kinderloos was zei God tegen hem: “Ik heb je een vader van vele volken gemaakt” (Rom. 4:17). In andere woorden, God rekende miljoenen nakomelingen van Abraham rechtvaardigheid aan, door zaken aan te rekenen die er niet zijn. Abraham vertrouwde op God en dit werd hem als daad van rechtvaardigheid toegerekend (Romeinen 4:3 en 22).

Deze lijn kunnen wij doortrekken. Door op onze Vader in de hemel te vertrouwen en te geloven dat onze rechtvaardigmaking door Jezus geschied rekent God ons Jezus’ rechtvaardigheid aan. We zijn niet meer van onszelf. Onze eigen rechtvaardigheid heeft een lekkend dak, een zwakke fundering en wankelende muren – zelfs onder optimale omstandigheden. Onze eigen rechtvaardigheid is belangrijk tot op bepaalde hoogte waarvoor gehoorzaamheid wordt vereist; maar alleen Jezus’ rechtvaardigheid zorgt ervoor dat we kunnen delen in de beloofde erfenis. God begon met het opstellen van deze belofte met Abraham; en Hij heeft ook de perfecte schuur gemaakt voor die tijd zonder onze hulp om zo te kunnen garanderen dat wij werkelijk alle dingen zullen beërven.

En terwijl het verbond met Mozes de beloofde erfenis vertraagt, is dit geen eeuwig uitstel. God is niet alleen de Auteur, maar ook de Vervuller van ons geloof. Hij is de Alfa en de Omega. Hij is zowel Rechtvaardigmaker als Heiligmaker. We hebben een rechtvaardigmaking die buiten ons ligt, omdat het simpelweg niet in ons zit, maar in Christus. Nu we nog op aarde zijn wil God van ons dat we onze uiterste best doen om onze rechtvaardigheid, die buiten ons ligt, op ons te nemen. Laat dit ons dagelijks brood zijn, waardoor het onze natuur mag worden en waardoor we vervolgens kinderen van Abraham genoemd mogen worden en kinderen van onze Vader in de hemel.

Abraham beperkt onze aansprakelijkheid onder Mozes

Aansprakelijkheid voor de zonde wordt aangewezen door de wet, want het is de wet die onze overtreding veroordeelt. Paulus zegt ons dat de wet tekort schiet met betrekking tot redding, omdat het ons tot de dood veroordeelt. Want de wet kan geen zondaren door de vingers zien, en wij zijn allen zondaren.

Gelukkig heeft de wet nog een zwakte. Het is namelijk opgesteld NA het verbond met Abraham. De wet over contracten zegt dat als een contract een ander contract tegenspreekt het hoogst geachte contract het belangrijkst is. Dus het verbond met Mozes wordt beperkt in zijn aansprakelijkheid om zondaren schuldig te verklaren. Het kan alleen schuld opbouwen zolang het niet het andere belangrijkere contract overtreedt. De belofte moet ons gegeven worden, en niet alleen aan Abrahams zaad, maar aan ‘alle volken op aarde’ (Gen 12:3). De vraag is alleen WANNEER. Daarom wordt het verbond met Abraham alleen door de tijd beperkt.

Hoe delen we in de eerste opstanding

De toerekening van rechtvaardigheid in ons voordeel is iets wat God instelde in Zijn verbond met Abraham. Dus rechtvaardigheid zal aan iedereen onvoorwaardelijk toegerekend worden op een bepaald moment in de tijd. Petrus vertelt ons in Handelingen 3:21 over het herstel van alle dingen en koppelt dit aan Abrahams opdracht om alle volken op aarde tot zegen te zijn. Het belangrijkst is dat Petrus het woord ‘zegen’ definieert voor ons, zodat er geen twijfel ontstaat over deze betekenis:

25 U bent de erfgenamen van de profeten; met uw voorouders heeft God zijn verbond gesloten toen hij tegen Abraham zei: “In jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden.” 26 God heeft zijn dienaar allereerst voor u laten opstaan en hem naar u gezonden om ieder van u die zich afkeert van zijn slechte daden te zegenen.’

Petrus vertelt ons dat alle volken op aarde GEZEGEND zullen worden, maar dat deze zegen als eerste ‘u’ toekomt. Dit is de huidige gemeenschap van christelijke Israëlieten. De zegen zorgt ervoor dat ‘een iegelijk van u afkere van uw boosheden’ (SV). Als dit dan de zegen is die als eerste Israël toekomt, moet dit in wezen ook dezelfde zegen zijn die alle volken op aarde toekomt. We kunnen alleen maar concluderen dat God ALLE volken op aarde zal zegenen door hen ALLEN af te keren van hun boosheden (slechte daden).

Toch zal niet iedereen zich tot God keren in dit huidige tijdperk. Een paar hebben zich tot God gekeerd tijdens het Paastijdperk. Meerdere hebben zich tot God gekeerd tijdens het Pinkstertijdperk. Er zal berouw en bekering komen in het komende Loofhuttentijdperk. Maar zelfs als iedereen op aarde zich bekeert zijn er nog steeds velen uit het verleden die zijn gestorven zonder zich te bekeren. En er zijn nog ontelbaar veel mensen die nog nooit van Jezus Christus gehoord hebben. Zij zullen uit de dood moeten opstaan tijdens het Oordeel van de Grote Witte Troon, zodat ook zij de zegen van Abraham kunnen ontvangen.

Zoals we al eerder hebben vermeld wordt hier een onderscheid gemaakt tussen de Kerk en de overwinnaars. De algemene gelovigen zullen hun beloning ontvangen op het moment als de ongelovigen zullen opstaan (Lukas 12:46; Johannes 5:29; Handelingen 24:21). Degenen die gerechtvaardigd zijn door het bloed van het Lam (Paaschristenen) ontvangen hun beloning tijdens de algemene opstanding. Hun gehoorzaamheid en werken zullen geen betekenis hebben in hun rechtvaardiging. Toch is er een speciale beloning voor de overwinnaars voor hun gehoorzaamheid tot God in het heiligingproces van Pinksteren. Zulke gehoorzaamheid wordt ten eerste gedefinieerd door Mozes in de wet en daarnaast wordt deze wet nog breder geïnterpreteerd door de schrijvers van het Nieuwe Testament.

Simpelweg betekent dit dat degenen die gehoorzaam zijn een speciale beloning (redding) zullen ontvangen. Johannes noemt deze speciale beloning de eerste opstanding. Diegenen die werkelijk Gods stem verstaan en door de Geest worden geleidt in hun ‘woestijnreis’ op aarde zullen automatisch het grote geheim als overwinnaar te weten komen. Het geheim is NIET dat we zonder zonden of volmaakt moeten zijn. Het is ook NIET dat we Gods stem altijd goed kunnen verstaan. Het is ook NIET een Kerklidmaatschap. Het geheim is vergevingsgezind zijn.

De wet van het Jubeljaar moet geproefd, opgenomen en geschreven worden in ons hart. Te leven volgens de wet van het Jubeljaar is de laatste kwalificatie om in te gaan in het Loofhuttenfeest waar de volheid van de Geest wordt geschonken en ontvangen. Bij de feestdagen van Israël ving het Jubeljaar aan op de Grote Verzoendag, dat weer op de tiende dag van de zevende maand aanving, op de Hebreeuwse kalender. Het was een voorbereiding voor het Loofhuttenfeest, dat vijf dagen later begon. Dit toont aan dat iemand het Jubeljaar moet vervullen voordat hij of zij waarlijk Loofhutten kan vervullen.

In het Hogepriesterlijk gebed (het gebed van Jezus) opgetekend in Matteüs 6:12 lezen we: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.” In Lukas 11:4 staat het iets ander opgetekend: “Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is.”

Merk op dat zonde en schuld worden genoemd alsof ze hetzelfde zijn. Volgens de wet wordt alle zonde gerekend als schuld die terugbetaald moet worden aan de slachtoffers. De wet van God veroordeelt niemand naar de gevangenis, maar de straf bestaat uit het terugbetalen van de schuld. Daarom zette Jezus dit principe uiteen in Matteüs 6:14 en 15.

14 Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. 15 Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven.

Jezus had het hier niet over onze rechtvaardiging, want die wordt toegeschreven aan Paasniveau christenen. Hij sprak over het Jubeljaarprincipe, dat duidt op het laatste niveau van heiliging die wordt verkregen door het Loofhuttenfeest. Hij wijst ons op het verschil tussen een christen en een overwinnaar. Degenen die niet volgens het principe van het Jubeljaar leven – degenen die niet leren vergeven – zullen verantwoordelijk worden gehouden voor hun eigen zonden op een vergelijkbaar oordeel als bij de Grote Witte Troon. Ze zullen gered worden, maar door het vuur heen, want God zal hen verantwoordelijk stellen zoals zij anderen verantwoordelijk stelden. God oordeelt hen op hun eigen manier.

Een andere heldere illustratie van het Jubeljaarprincipe kunnen we vinden in Matteüs 18. Hier vinden we een man die voor tienduizend talenten in het rood stond. Hij vroeg aan zijn schuldeiser voor meer tijd om zijn schuld af te betalen. De schuldeiser, die God vertegenwoordigd in de gelijkenis, schonk de man een volledige dosis genade door de hele schuld door te vingers te zien. Dit gaat over christenen die tot God roepen om genade om hun zonden te bedekken.

Desondanks weigert de man (de ex-schuldenaar) daarna om de schuld te vergeven van een ander die bij hem, voor een veel kleiner bedrag, in het rood stond. De uitleg van deze gelijkenis kunnen we vinden in Matteüs 18:31–35.

Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. 32 Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. 33 Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” 34 En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen (basanistes, ‘gevangenbewaarders’) gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. 35 Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’

Velen hebben gedacht dat deze gelijkenis duidt op het gegeven dat christenen hun redding kunnen verliezen als ze hun broeder of zuster niet vergeven. Maar in feite betekent het dat ze hun Jubeljaar kunnen verliezen en zodoende gediskwalificeerd worden voor een Loofhuttenredding. Zij kunnen hun deel in de eerste opstanding verliezen, maar niet hun rechtvaardiging of hun redding op Paasniveau.

De verkeerde interpretatie van deze gelijkenis heeft de afgelopen eeuwen voor veel misverstanden en veel hartpijnen gezorgd onder christenen. De vroege christelijke Kerk constateerde dit probleem al snel – met enorme gevolgen. De Grieken waren gericht op het ideaal, de perfecte mens. Zij wezen Jezus aan als hun Voorbeeld van volmaaktheid. En desondanks verkondigde zij de leer over een zondeloos bestaan op een manier waardoor de mens verantwoordelijk is voor zijn eigen keuze, en zijn werken, om tot dit bestaan te komen.

Al snel werd het idee van redding door geloof vervangen door redding door werken. Maar toen dit gekoppeld werd aan de leer over de slechte natuur van de mens bleef er voor christenen niks anders over dan ontmoediging en futiliteit (onbenulligheid). Het was zo goed als onmogelijk voor de werkende mens om volmaaktheid te bereiken. Er waren enkelingen die uit de gemeenschap stapte om kluizenaar of monnik te worden, om zodoende de droom van volmaaktheid te achtervolgen. Er waren werkelijk duizenden mensen die in de woestijn van Egypte en Syrië leefden, die wanhopig hun vlees proberen te straffen om zo tot volledige ‘heiligheid’ te komen.

De mensheid deed er niet lang over om erachter te komen dat er veel meer dan nodig was, naast zelfdiscipline, om volmaaktheid te bereiken. Met als gevolg dat de gewone christen het op gaf. Hij richtte zich op het doel om redding te verkrijgen door de vuurpoel (zuivering). Daarom schrijft de historicus Peter Brown op pagina 249 van zijn boek Augustinus van Hippo het volgende,

Een maatschappij dat alleen maar tegen heiligen opkijkt kan zeer demoraliserend zijn voor de gewone zondaar. De tendens was het creëren van een plaatsvervangende heiligheid, door een herkenbare kaste van ‘heilige’ mannen en vrouwen samen te laten leven. Zij leefden volgens bovenmenselijke eisen om zich hierdoor veilig te wanen door hun levensstijl te vergelijken met de levensstijl van ‘wereldse’ mensen.

Het statement hierboven heeft enig uitleg nodig. Hij zegt dat de ‘heilige’ mannen en vrouwen van de vroege Kerk vastbesloten waren om naar volmaaktheid te streven om zodoende de eerste opstanding te beërven. Maar in hun ijver werden zij kluizenaren in de woestijn of bergen, of monniken en nonnen, die leefden in een besloten gemeenschap in de woestijn.

Deze ‘heiligen’ aten maar net genoeg om in leven te blijven. Ze bezaten slechts één paar kleren en ze sliepen op de grond zonder dekens. Ze gaven al hun geld en bezit aan de armen. Grotendeels leefden zij in absolute stilte, zelfs als ze in een gemeenschap woonden. Ze verbouwden hun eigen groenten, die ze vervolgens rauw aten. En ze maakten maar net genoeg manden om hun andere behoeften te onderhouden. Maar het grootste deel van hun tijd brachten ze door in gebed en overpeinzingen over God.

Dit is zeker niet verkeerd om te doen. Deze mensen vielen bijzonder op door hun wijsheid en kennis van God. Velen hadden de gave tot genezing en deden wonderen en profeteerden. Maar ik zie niet in dat je hen zou kunnen overwinnen als je zou ontsnappen aan de wereldse verleidingen. Een leger overwint zijn vijand niet door te vluchten. Volgens mij is het belangrijker om, naast tijd met God door te brengen, de kennis die je opdoet in de ‘stille tijd’ verkondigd in de wereld.

Jezus bracht 40 dagen door in de woestijn om vervolgens terug te keren om het Koninkrijk van God te verkondigen. Paulus bracht 3 jaar door in de woestijn om vervolgens terug te keren en zijn openbaringen over God aan de wereld te vertellen. Hoeveel Grieken en Romeinen hadden tot geloof in Christus kunnen komen als al die kluizenaren en monniken terug waren gekeerd uit de woestijn om hun kennis met hen te delen.

Niet iedereen kon zomaar alles achter laten om voor de rest van hun leven in de woestijn God te gaan zoeken. Daarom dat de gewone christen de tendens had om zichzelf een ‘zelfopgelegde’ heiligheid aan te meten – hiermee bewees de super spirituele kaste de geldigheid van het christendom, maar aan de andere kant maakte deze levensstijl het de gewone christen onmogelijk om een overwinnaar te worden.

In hun geloof in Christus waren deze christenen erg jaloers op de ‘heiligen’, maar ook werden ze erdoor gedemoraliseerd en gedemotiveerd. Als je niet de woestijn in ging voor tenminste 60 jaar dachten de meesten dat je sowieso gezuiverd moest worden door het vuur. Dus als de verleidingen om de hoek kwamen maakten deze ook niet meer uit, ze moesten toch gezuiverd worden. En stukje bij beetje werd de Kerk een noodzakelijk, maar betekenisloos deel van hun leven.

Zo moeten wij niet leven. Kijk naar het voorbeeld van Petrus toen hij over het water liep naar Jezus. Hij was verre van volmaakt, maar zolang hij op Jezus zag hadden zijn voeten een vaste grond. Toen hij echter om zich heen keek en de wind en de golven opmerkte sloeg de angst hem om het hart. Toen begon hij te zinken.

Ons pad begint met de Geest. Zijn genade was een gratis gift en heeft niks met onze daden (werken) te maken. We stapten uit de boot door geloof. Maar dan worden we ons bewust van de winden op aarde en de verleidingen van ons vlees, en opeens worden we bang voor hen. Die angst laat ons geloof verdwijnen en we dreigen te zinken. We moeten blijven zien op Jezus. Als we naar Hem zien en als we Zijn stem volgen zullen we de winden en de golven overwinnen. Dit gebeurt niet eens bewust, maar meer als bijzaak van het leven.

Als we simpelweg Zijn stem volgen zoals Petrus had moeten doen, dan zal Hij ons leiden door verschillende omstandigheden in ons leven met het doel om ons hart te zuiveren. Hij zal ons leiden door het vuur, en niet om ons te verteren, maar om ons alles te laten overwinnen door liefde.

Ik ben erachter dat als ik streef naar volmaaktheid in mijn vlees, ik altijd tekort schiet. Maar als ik simpelweg Hem volg in gehoorzaamheid en in alles wat ik mee maak Zijn liefdevolle hand zie, en Hem in alles dank (1 Tes. 5:18), en mij altijd in Hem verheug (Fil. 4:4), wetende dat alles bijdraagt aan het goede (Rom. 8:28) – als ik deze houding ten opzichte van God heb en ook dit geloof in God heb zal Hij me vernieuwen en mijn hart zuiveren op een manier waarop ik dit nooit zou kunnen.

De vergelijking van autoriteit tussen het verbond met Abraham en het verbond met Mozes

We hebben al aangetoond dat het verbond met Abraham belangrijker is dan het verbond met Mozes. In essentie belooft het verbond met Abraham redding voor zijn nageslacht, en door hem aan ‘alle volken op aarde’. Dit verbond riep altijd twee vragen op: (1) OF er werkelijk redding werd geschonken, en (2) voor HOEVEEL begunstigden dit geldt?

Het verbond met Mozes wat God 430 jaar later met Israël maakte (Gal. 3:17) heeft niet de wettige macht om het verbond met Abraham teniet te doen, hoewel het wel lijkt of het in tegenspraak is met dat verbond. Mozes, als afstammeling van vader Abraham, moet rekenschap afleggen aan de ouderen. Daarom heeft het verbond met Mozes, met al zijn gelimiteerde zegenen van gehoorzaamheid, alleen maar de macht om het onvermijdelijke te VERTRAGEN. En ook, zoals we eerder beschreven, is het verbond met Abraham eerder opgesteld, waardoor Abraham de rechten heeft over alles wat begrensd wordt door het verbond met Mozes.

Gods doel met het aangaan van het verbond met Mozes was om ons een toezichthouder te geven (Gal. 3:24), zodat de erfgenamen (van redding) gehoorzaamheid en rechtvaardigheid konden leren alvorens ze hun belofte konden verkrijgen. Simpelweg betekent het dat God ons ‘eerst wil opvoeden tot volwassenheid’. Toch is het gezag van het verbond met Mozes aan TIJD gebonden. Het kan nooit het ‘OF’ en het ‘HOEVEEL’, dat onder Abraham is beloofd, teniet doen. Mozes heeft alleen de autoriteit over het ‘WANNEER’.

Dit wordt goed geïllustreerd door de ervaringen met Israël. Onder Mozes beloofden ze God te gehoorzamen met de volgende eed uit Exodus 19:8: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Hun geloof was oprecht, maar bleek niets meer te zijn dan gebakken lucht. God testte hun geloof tien maal, en elke keer faalden ze, met als gevolg dat ze weigerden het land Kanaän in te gaan. Vervolgens stierven ze in de woestijn zonder hun belofte in ontvangst te nemen.

Gelukkig echter, kon hun gebrek aan geloof de te verkrijgen genade voor Israël slechts VERTRAGEN (het ingaan van het Beloofde Land), want de volgende generatie ging het land in onder Jozua. We weten dat God individuen op dezelfde manier behandelt als naties. En daarom zeggen wij in vol vertrouwen dat als mensen geen geloof in God hebben in dit tijdperk, God er dan zelf voor zal zorgen dat ze tot inkeer komen door het oordeel van herstel.

We hebben ook al aangetoond dat God een verbond sluit met ‘al het vlees’, dat volgens Paulus terug gaat tot Adam. (Genesis 9, Romeinen 5 en 1 Korintiërs 15). Het komt door de genade die Hij schenkt aan de hele schepping, want Jezus is gezonden om Redder te worden van de hele wereld (1 Joh. 2:2). Toch vereist Hij nog steeds dat wij toenadering zoeken tot Abrahams boezem door de deur van geloof. We zijn gered door genade, maar dit geschied door geloof.

Alleen door dit principe te begrijpen kunnen we de echte relatie tussen genade en geloof bevatten, omdat ze samen bijdragen tot onze redding.

De relatie tussen genade, geloof en werken

Paulus zegt ons in Efeziërs 2:8,

Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God 9 en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan.

Genade is bewerkstelligd door Gods verbond met Abraham, hoewel we ons moeten haasten om te bevatten dat dit niet van kracht kon gaan tot de dood van de Testateur, Jezus. (Dus zegt Johannes ons dat genade ons toekomt door geloof in Jezus Christus – Johannes 1:17.)

Genade is een gave van een soevereine God. Hierdoor is genade onweerstaanbaar, omdat het niet van oorsprong door mensen is bedacht. Ook ligt het niet aan de basis van het vlees of de wil van de mens. Het mag dan worden vertraagd door het verbond met Mozes, maar God heeft zich door Abraham onvoorwaardelijk vijfvoudig verbonden door een bloedverbond om de gehele mensheid te verlossen (te redden). De vraag blijft alleen wanneer en op wat voor manier en door welke oordelen (indien van toepassing) zal de mensheid opstaan uit de dood.

Genade schenkt God aan mensen die het niet verdienen, op basis van Gods liefde voor hen. Hij doet dit volgens Zijn eigen recht en volgens Zijn eigen wil en het heeft niets te maken met de wil van de mens. Op deze manier heeft genade iets weg van verkiezing, hoewel deze verkiezing te maken heeft met de WIJZE waarop mensen hun erfenis zullen verkrijgen. En de verkiezing heeft te maken met welke autoriteit ze wordt toebedeeld in het Koninkrijk. Maar de mens wordt niet ‘verkozen’ of ‘uitverkoren’ om wel of niet gered te worden. De ‘uitverkorenen’ zijn degenen die God in zijn soevereiniteit verkiest om als EERSTE te redden. Hij stelt Zijn regering samen als voorbereiding voor het Koninkrijk van Zijn Kerk. Daarom lezen wij in Openbaringen 20:4–6 dat deze ambtenaren van de goddelijke overheid als eerste zullen opstaan uit de dood.

Het niet begrijpen van deze openbaring heeft de afgelopen eeuwen voor behoorlijk wat wrijving gezorgd tussen verschillende leerscholen. Degenen die in het verleden Gods soevereiniteit hebben begrepen (voorbestemming en verkiezing) hebben dit voornamelijk in een slecht daglicht gesteld door doelbewust te onderwijzen dat God ervoor kiest om 99% van de mensheid NIET te verlossen, maar dat Hij ervoor kiest om hen voor eeuwig te martelen! Het is nog een wonder dat enkelingen deze theorie van onrecht slikken. Dit heeft de leer over uitverkiezing en voorbestemming geen goed gedaan.

Enkele jaren geleden heeft een erg bekende theoloog beleden dat hij de voorbestemming en uitverkiezing niet kon geloven omdat Gods rechtvaardigheid dan zou eisen dat Hij het hele universum met Zichzelf zou verzoenen! Zijn analyse klopte helemaal, maar hij koos ervoor om de martelleer (de hel) aan te hangen in plaats van de Bijbelse waarheid.

Maar wij moeten op z’n minst deze theoloog toch krediet geven voor zijn consistentie in tegenstelling tot bijvoorbeeld Johannes Calvijn. Calvijn dacht dat God slechts enkelingen had voorbestemd om te redden en dat Hij de rest van de mensheid had uitverkoren om te verdoemen. Hij was inconsistent op de manier dat hij Gods soevereiniteit beaamde en dat God genade schenkt, maar hij onderwees hierin op een manier dat hij God afschilderde als een onrechtvaardige tiran die mensen oordeelt op basis van wetten die niet zijn opgesteld onder Mozes. Om Gods gedachtegang te begrijpen moeten we zowel Zijn soevereiniteit als Zijn absolute rechtvaardigheid begrijpen.

Aan het einde der tijden worden we uiteindelijk niet gered door ons geloof, maar door genade. Dus genade is de basis van onze redding. De werken vloeien hier uit voort, en hier tussen bevind zich een enorme diepte. Maar aan de andere kant is geloof de brug tussen genade en onze werken. Omdat God belooft ons allemaal in het Beloofde Land te brengen zal Hij, als een Goede Herder, ons allemaal leiden uit ons land van onze eigen werken, dit doet Hij via de brug van geloof. Genade voor iedereen is het uiteindelijke doel van de geschiedenis. En geloof is de smalle brug die ons brengt naar dat uiteindelijke doel.

In het verhaal van Abraham kunnen we zien dat er eerst sprake van genade was – dit was Gods belofte. Hierna komt Abrahams vertrouwen in God, want we lezen dat hij ‘in God geloofde’. Dit staat in contrast met het verbond met Mozes, waar God van Israël eiste dat ze Hem als Leider zouden geloven dat Hij als God van het Universum bij machte was om hen naar het Beloofde Land te leiden. Hierna volgden de werken, hun gehoorzaamheid die voortvloeide uit hun geloof.

Bij Abraham was er eerst genade en vervolgens geloof. Bij Mozes was er eerst geloof en vervolgens hun werken (hun gehoorzaamheid).

Het interessante van geloof is dat het zowel Gods soevereine genade als de werken van de mens karakteriseert. In ons eerder aangehaalde Schriftgedeelte beschrijft Paulus Gods soevereine genade door te zeggen in Efeziërs:

8 Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God 9 en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan.

Oftewel, geloof is een geschenk van God en komt niet voort uit de wil van de mens. En tegelijkertijd moet God het geloof in ons hart planten door Zijn woord of stem, want het geloof komt tot ons door te luisteren (Romeinen 10:17).

Geloof vraagt om beantwoord te worden, een beslissing om God te volgen, wat door de wil van de mens moet worden geuit, net zoals Mozes het volk om een beslissing vroeg. Dus het geloof is het meest heilige gedeelte van het verbond met Mozes en is hiermee in essentie de bron voor al onze werken uit gehoorzaamheid. Het is de eerste daad van gehoorzaamheid in een geloofsleven die we, zoals het oude Israël, behoren te doen in onze reis naar onze beloofde erfenis.

Dus geloof is de brug tussen genade en werken. Abraham begint met genade en leidt ons tot het geloof; Mozes begint met geloof en leidt ons tot een leven van gehoorzaamheid. Paulus gebruikt een unieke Griekse term in Romeinen 1:5 om dit uit te drukken. Letterlijk staat er geloofsgehoorzaamheid’. Het woord ‘gehoorzaamheid’ komt van het Griekse woord hupakoe, wat letterlijk ‘door te horen’ betekent. En in feite betekent zowel in het Hebreeuws als in het Grieks het woord ‘beamen’ hetzelfde als ‘horen’. Te horen is het beamen. Zonder gehoorzaamheid is er geen waarlijk luisteren.

Net zoals Abraham Gods genadegeschenk aan ons onthult, zo leert Mozes ons een leven van geloofsgehoorzaamheid.

Door het zien op de omwandelingen van Israël onder Mozes zien we de manier waarop God ons eveneens door ons geloof tot volmaaktheid leidt. Het is een leven waarin Gods stem gehoord wordt. Dat is de enige manier om te groeien in ons geloof. Telkens als wij Zijn stem horen en hier naar luisteren, of wij dit nu begrijpen of niet, komen wij een stap dichter bij de volwassenheid en de genade, oftewel het Beloofde Land. De reis begint met het geloof in God door God te volgen uit ‘Egypte’ en het eindigt met een laatste geloofsdaad door Kanaän in te gaan. Tussen dit begin en einde krijgen wij verleidingen en worden wij getest om zodoende Gods stem te horen in ons leven en om deze stem ook te gehoorzamen, geleidt door de Geest.

We weten dat er in de afgelopen millennia veel mensen hebben geleefd en zijn gestorven zonder te beginnen aan de reis naar het Beloofde Land. Ook hebben velen nooit van Jezus gehoord en hebben ze hierdoor nooit geloofd dat Hij aan het kruis is gestorven voor ons. Ze hebben niet de mogelijkheid gehad om Zijn stem in hun leven te horen. Anderen hebben deze mogelijkheden wel gehad, maar hebben er voor gekozen om Hem te verwerpen, net zoals de Schriftgeleerden en Farizeeërs dit deden in de tijd van Jezus. Zij zullen allemaal worden geoordeeld door de goddelijke wet, met als doel dat zij alsnog rechtvaardigheid zullen leren.

En dan aan het einde van het Tijdperk der Tijdperken, wanneer de zondaren zijn onderwezen en gezuiverd door het Goddelijke Vuur en ze weten wat rechtvaardigheid is (Jesaja 26:9), wanneer de Goede Herder hen, door Zijn liefde, verzameld heeft om ze de brug van geloof te laten oversteken, dan zullen ook zij delen in de onafbreekbare staat van Gods volheid, waardoor God alles in allen zal zijn (1 Kor. 15:28, SV).

Wat heeft God toch een fantastisch plan met Zijn schepping. Elke dag verwonder ik me weer over Zijn wijsheid. Ik verheug me in Zijn liefde van Zijn zuiverende oordelen. Vol ontzag overdenk ik Zijn kennis om zo’n geweldig plan op te stellen vanaf het begin van Zijn schepping. En ik prijs Hem in Zijn macht om het plan ten uitvoer te brengen tot in elke detail. Romeinen 11:32–36.

32 Want God heeft IEDER MENS uitgeleverd (sugkleio, ‘opgesloten’) aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor IEDER MENS barmhartig kan zijn. 33 Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34 ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35 Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ 36 ALLES is uit hem ontstaan, ALLES is door hem geschapen, ALLES heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.

HOOFDSTUK 9

Het gevolg van Adams zonde voor de mensheid

We komen nu aan bij een studie over de gevolgen van Adams zonde op de zielen van zijn nakomelingen. Als eerste moeten we de volgende vraag behandelen: Was het gevolg van de zonde van Adam dat wij zondige zielen kregen, of sterfelijke zielen? Deze vraag klinkt louter academisch, maar het heeft een enorme invloed op ons leven. Het is één van de belangrijkste vragen in de Bijbel. Om deze vraag te beantwoorden worden we genoodzaakt om onze uitleg enigszins technisch te verwoorden; maar ik raad u sterk aan om dit gedeelte te lezen totdat u het grondig begrijpt.

Het is voor ons uiterst belangrijk om aan te tonen dat niemand wordt geboren met een ‘zondige ziel’ of een ‘zondige natuur’. Paulus legt dit principe in Romeinen 5:12 heel duidelijk uit, en toch kijken veel theologen hier overheen:

Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken (eph’ ho, ‘waarop’ / ‘waardoor’) allen gezondigd hebben.

Volgens de Statenvertaling zegt Paulus hier dat de zonde in de wereld is gekomen door Adams zonde. Maar wat hebben ‘alle mensen’ geërfd van Adam? Was dit de ZONDE van Adam? NEE. Het was de dood, de aansprakelijkheid voor Adams zonde.

Met andere woorden, de mens heeft geen zondige natuur geërfd van Adam. Hij heeft slechts de aansprakelijkheid voor Adams zonde geërfd. De reden dat we sterfelijk zijn is omdat we aansprakelijk zijn voor de zonde die Adam deed. Daarom sterven we, en niet door onze zonden, maar als gevolg van de eerste zonde van Adam. Zondige zielen worden niet doorgegeven van generatie op generatie door voortplanting. Het enige wat doorgeven wordt is STERFELIJKHEID, of de Dood.

We zijn niet sterfelijk omdat we zondigen. We zondigen omdat we sterfelijk zijn. Wat is de oorzaak en wat is het gevolg? Paulus zegt aan het einde van Romeinen 5:12 dat ‘de DOOD tot alle mensen doorgegaan is’, WAARDOOR wijzelf zondigen. Dood is de oorzaak; onze persoonlijke zonden doen we vanwege de dood in ons.

Daarom dat het volgende is gebeurt: (1) Adams eerste zonde gaf ons (2) de dood, en onze sterfelijkheid is onze zwakte en de oorzaak van (3) onze persoonlijke zonden.

De Statenvertaling van Romeinen 5:12 (zie hierboven) is erg nauwkeurig. Er staat dat de dood doorgegeven wordt aan alle mensen, in welken ( waardoor) allen zondigen. De

mens is dus al sterfelijk voordat hij zondigt! Miljoenen abortussen bewijzen dat baby’s al sterfelijk zijn VOORDAT ze zondigen.

Paulus behandeld twee verschillende soorten van dood, namelijk: (1) sterfelijkheid, dat de eerste dood is, en (2) de vuurpoel, dat de tweede dood is. Paulus spreekt hier over de EERSTE dood, de sterfelijkheid die we van Adam hebben geërfd.

De twee soorten van dood

Romeinen 5:12 zegt specifiek dat de zonde van Adam wordt toegerekend aan de hele mensheid, met als direct gevolg dat ‘de dood tot alle mensen doorgegaan is’. Paulus herhaalt dit concept in 1 Kor. 15:22, ‘zoals wij door Adam allen sterven’.

In hoofdstuk vijf zijn we tot in detail ingegaan op de manier hoe Adams zonde de hele mensheid toerekent, waardoor wij allen aansprakelijk zijn voor zijn zonde. Dit betekent niet dat we ook echt schuldig zijn aan zijn zonde. Wij konden hier niets aan doen omdat het totaal buiten onszelf is gebeurd. Maar door Gods soevereiniteit heeft Hij zijn zonde ons aangerekend, want God roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren (Rom. 4:17). Dit zou een grove onrechtvaardigheid zijn, en in feite een zou het een valse beschuldiging zijn van de kant van God, met uitzondering van het feit dat Jezus kwam om Zijn rechtvaardigheid ook ons aan te rekenen. Hierdoor heeft Hij deze ‘tijdelijke onrechtvaardigheid’ (zoals ik het noem) totaal omgekeerd. En daarom is het zo belangrijk dat heel de mensheid, die gestorven is in Adam, zal worden gered in Christus. Dit is ook Paulus’ conclusie in Romeinen 5:18.

Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven.

Onze aansprakelijkheid voor Adams zonde maakt ons simpelweg sterfelijk in dit tijdperk. En die sterfelijkheid, die dood die over ons heerst in ons lichaam en ziel, maakt ons moreel ziek en zwak waardoor wij onmogelijk morele volmaaktheid kunnen bereiken. Zolang we sterfelijk zijn zullen we vergankelijk zijn. Dit gaat samen (1 Kor. 15:53). Dus onze sterfelijkheid is de oorzaak van onze individuele zonden. God zal Zich bezighouden met deze zonden door middel van de tweede dood, de vuurpoel.

De tweede dood verschilt van de eerste dood op twee manieren: (1) het doel ervan is om mensen te oordelen naar hun eigen zonden om zodoende de wettelijke orde te herstellen; en (2) de tweede dood vangt aan in het volgende tijdperk na het Loofhuttentijdperk, waar de ongelovigen in de vuurpoel worden geworpen.

Er wordt in de Bijbel over twee soorten van zonden en twee soorten van dood gesproken. De straf op Adams zonde is de eerste dood; Gods oordeel, wettig herstel en discipline voor onze eigen zonden is de tweede dood. Niemand zal, als oordeel, in de vuurpoel worden geworpen vanwege Adams zonde. Adams eerste zonde wordt geoordeeld door middel van de eerste dood; vervolgens worden onze individuele zonden geoordeeld door de tweede dood.

Dit lijkt misschien vanzelfsprekend en duidelijk voor iedereen, maar helaas zijn sommige theologen en Bijbelvertalers vast gelopen op deze simpele waarheid. In feite wordt Romeinen 5:12 vaak verkeerd vertaald, zoals ook 1600 jaar geleden in Hiëronymus’ Latijnse Vulgaat. En deze fout is overgenomen door de Nieuwe Bijbelvertaling, de NBG- vertaling (1951), de Willibrordvertaling (1995), de Groot Nieuws Bijbel (1996), en veel meer Nederlandse vertalingen. Voor zover ik weet komt de Statenvertaling het dichtst bij de originele vertaling met ‘in welken’ (waardoor).

Hieronymus verbetert de theologie van Paulus

Toen Hiëronymus in 400 n.Chr. de Latijnse Vulgaat vertaalde zette hij het laatste gedeelte van Rom. 5:12 om naar: “omdat allen gezondigd hebben.” Hij had naar de verzen uit Rom. 6:23 en 5:21 gekeken, waar staat dat de zonde de oorzaak van de dood is, en hij concludeerde hieruit dat Paulus een fout moest hebben gemaakt door te zeggen dat de dood de oorzaak van de zonde was. Hierdoor begreep hij niet dat Paulus het hier over de eerste dood heeft, namelijk sterfelijkheid, en vervolgens probeerde hij Paulus’ fout te corrigeren.

Zelf het Bijbelse Commentaar Op Hiëronymus, pagina 307, geeft toe dat deze vertaling een groot probleem creëert door Paulus zichzelf te laten tegenspreken in één en dezelfde zin:

“De moeilijkheid die vaak gevonden wordt hierbij is dat Paulus in 5:12c–d zichzelf tegenspreekt met wat hij zegt in 12a–b. In het begin van de zin worden de zonde en de dood aan Adam toegeschreven; en opeens lijkt de dood te wijten aan de daden van de mens.”

En zo regeerde de Latijnse Vulgaat voor 1200 jaar lang als de enige Bijbel in Europa. De waarheid lag verborgen ver weg in Constantinopel, in de Griekse manuscripten. Toen die stad in Turkse handen viel in het midden van de 15e eeuw vluchtte duizenden Griekse professoren en theologen naar het Westen, waarbij ze hun Griekse Bijbels meenamen. Al snel werd er een grote interesse in het Grieks geboren dat de Renaissance en de Protestantse Reformatie tot gevolg had in de 16e eeuw. Uiteindelijk werd hier de King James vertaling (Engels) op gemaakt. Deze was grotendeels gebaseerd op Griekse teksten.

Toen de King James vertalers bij Romeinen 5:12 aankwamen waren ze, jammer genoeg, net zo in de war als Hiëronymus was. Ze dachten dat de dood in dit vers een ‘geestelijke dood’ voorstelde in plaats van een ‘fysieke dood’. (Dit zijn onjuiste termen; de Bijbel noemt hen ‘de tweede dood’ en ‘sterfelijkheid’)

In ieder geval werd zodoende het hardnekkige misverstand van Hiëronymus gewoon overgenomen en werden de oorzaak en gevolg in dit vers omgedraaid. De Griekse uitdrukking die gebruikt wordt is ‘eph ho’. ‘Eph’, of epi betekent ‘boven, op, of over’. Zelfs de Nederlandse woordenboeken geven dit aan, want veel van onze woorden die met ‘epi’ beginnen zijn van Griekse oorsprong. Het Griekse woord ‘Ho’ betekent ‘welke’. De uitdrukking ‘op welke’ of ‘in welke’ beschrijft een oorzaak dat ergens op volgt. Daarom kan het ook vertaald worden met ‘waarop’ of ‘waardoor’.

Om dit te illustreren geven we de zin: “Ik liep tegen een struikelblok, WAARDOOR ik viel.” Zorgde mijn val ervoor dat het struikelblok ontstond? Natuurlijk niet. Toch zouden veel Nederlandse Bijbelvertalingen ervoor kiezen om de volgende zin te plaatsen: “Ik liep tegen een struikelblok aan, OMDAT ik viel.” (NBG ‘51 en GNB) Dit is complete onzin. Geen enkele vertaler zou de verantwoording moeten nemen om zinnen te verdraaien zodat hij ze kan begrijpen.

We kunnen dus rustig zeggen dat de eerste dood de oorzaak is, en onze zonden het gevolg. We zijn sterfelijk; daarom zondigen wij. En omdat we zondigen als individuen bestaat er een vuurpoel, dat de tweede dood is. Deze is gemaakt om ons wettig te herstellen in Gods universum. Het is een plaats waar de mens zijn laatste schulden moet afbetalen aan de zonde totdat het laatste Jubeljaar de schepping vrij maakt. Alleen degenen die Jezus’ betaling voor de zonde aannemen zullen de tweede dood geheel ontlopen.

Het voorbeeld van Paulus laat zien waar het om gaat

Paulus geeft zijn eigen illustratie om aan te tonen wat hij bedoeld in Rom. 5:12. Dit zou alle verwarring moeten ophelderen, want we lezen in de verzen 13 en 14,

12… en zo is de dood voor ieder mens gekomen, WAARDOOR ieder mens heeft gezondigd. 13 Er was al zonde in de wereld voordat de wet er was; alleen, zonder wet wordt er van de zonde geen rekening bijgehouden. 14 Toch heerste de dood in de tijd van Adam tot Mozes over alle mensen, ook al begingen ze met hun zonden niet dezelfde overtreding als Adam. Nu is Adam de voorafbeelding van hem (Jezus) die komen zou.

Veel mensen hebben (individueel) gezondigd tussen de tijd van Adam en Mozes. Maar omdat de Wet nog niet gegeven was en pas werd ingesteld onder Mozes, werden hun persoonlijke zonden hen niet toegerekend. Toch stierven de mensen in die tijd, met als bewijs dat ze niet stierven vanwege hun eigen zonden, maar vanwege de zonde van Adam. Dit lijkt een vreemde manier van Paulus om zijn punt te maken, maar het laat ons duidelijk zien waar Paulus op doelt. Het is de zonde van Adam die de dood brengt aan de gehele mensheid – en het zijn dus niet onze eigen persoonlijke zonden. Vanaf de dag dat Adam zonden deed, stierf hij (werd hij sterfelijk), en zodoende erven wij zijn sterfelijkheid.

Met deze dood wordt duidelijk de eerste dood bedoeld, en niet de tweede dood. De theologen en vertalers die Paulus’ theologie probeerden te corrigeren waren simpelweg erg zelfingenomen. Hun gebrek aan inzicht was de reden dat ze concludeerden dat de mens een zondige ziel heeft, in plaats van een sterfelijke ziel die zondigt. Dit heeft onder christenen een onevenredig groot schuldgevoel gebracht, dat vaak gepaard ging met een gevoel van hopeloosheid.

De gevolgen van de verschillende opvattingen

Als we naar het grotere geheel kijken; als we zien dat deze kleine misvatting van de leer van toerekening voor een negatief effect heeft gezorgd met betrekking tot het zicht op het grote geheel van Gods plan om de mensheid te redden, kan het ons behoorlijk shockeren. De Kerkleiders, zoals Augustinus en Hiëronymus die Paulus’ statement in Rom. 5:12 niet begrepen hebben geconcludeerd dat de mens een zondige ziel van Adam heeft geërfd, in plaats van sterfelijkheid. De theologische uitdrukking die de Roomse Kerk gebruikt voor Adams zonde is dat zijn zonde de mensheid begiftigd, waardoor wij een zondige ziel hebben. In het reddingsproces begiftigt Jezus ons met Zijn rechtvaardigheid, waardoor wij rechtvaardige zielen krijgen.

Een logische conclusie hieruit is dat alleen degene met een volmaakte natuur (zoals Christus) gered zijn. De gemiddelde christen die nog zondigde was nog niet gered. In feite is het nog steeds zo dat in de Roomse Kerk en zelf in sommige Protestantse Kerken nog steeds de gedachte heerst dat iemand volmaakt moet zijn om gered te worden. Zij zeggen dat ware christenen volmaakt zijn, omdat zij met de rechtvaardigheid van Christus begiftigd zijn, net zoals Adams zonde ons begiftigt voor onze bekering tot Christus.

En daarom nemen de eerlijke christenen, die weten dat ze nog steeds onvolmaakt zijn, logischerwijs aan dat zij nog niet begiftigd zijn met de rechtvaardigheid van Christus. Daarom zijn ze vast nog niet echt ‘gered’ of ‘verlost’. Met als gevolg dat zij een onthoudingsleer volgen en zichzelf veroordelen tot schuld, zonder echt te weten dat ze al wel rechtvaardig zijn in Gods ogen. Waardoor ze continu goed genoeg proberen te zijn in de hoop God ze begiftigt met Zijn rechtvaardigheid.

Uiteindelijk komt het er op neer dat ze in theorie geloven dat redding geschied door geloof, maar in de praktijk baseren zij hun redding op werken, omdat hun schuld hen drijft om maar genoeg goede werken te doen zodat zij weten dat zij volkomen volmaakt zijn. De meeste van hen geven het na een tijdje simpelweg op, omdat ze niet geloven

dat zij gered kunnen worden in dit leven. De Roomse Kerk geeft hen een tweede hoop op

zuivering door het vagevuur, waar de gemiddelde christen volmaakt kan worden in het hiernamaals, voorafgaand aan de gang naar de hemel.

Na gesprekken met veel rooms-katholieken over deze kwestie zie ik hoeveel van hen gebukt gaan onder schuldgevoel en worden gekweld door veroordeling en gevoelens van geestelijke minderwaardigheid. Mijn hart gaat uit naar hen, want de meesten van hen verlangen naar de rechtvaardigheid van God. Maar de theologie van de Kerk heeft voor hen een klimaat van schuld, verslagenheid en ontmoediging gecreëerd. Veel van hen geven het op en besluiten om van het leven te gaan genieten zolang ze dit nog kunnen. Er wordt hen verteld dat ze, als ze maar Kerklid zijn, uiteindelijk toch gered zullen worden, ook al zorgen hun huidige zonden ervoor dat ze hierdoor langer in het vagevuur zullen verblijven.

Dit is de waarheid: Toen Adam viel werd zijn zonde ons toegerekend en werden we er NIET mee begiftigd. Toerekenen betekent, volgens Romeinen 4:17, het roepen van dingen die NIET zijn, alsof zij waren. Toen Adams zonde ons werd toegerekend noemde God ons ALLEMAAL zondaren, alsof wij allen hadden gezondigd. De consequentie was dat we allemaal aansprakelijk waren voor Adams zonde. De straf was de dood, of sterfelijkheid. Vandaar dat wij allemaal sterfelijk worden geboren, dit is vanwege Adams zonde, wat Paulus ons probeert duidelijk te maken in Romeinen 5:12.

En zodoende, in verband met onze redding, wordt Christus’ rechtvaardigheid ons ook toegerekend, wat Paulus ook zegt in Romeinen 4:22–24,

en dat (d.w.z. zijn geloof) werd hem (Abraham) als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23 En dit is niet alleen voor hem geschreven (toegerekend), 24 maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen (toegerekend) omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt:

Met andere woorden wordt, door geloof, de rechtvaardigheid van Christus ons toegerekend. God roept de dingen die NIET zijn, alsof zij waren. We zijn niet echt rechtvaardig op dit moment, want we zijn nog steeds zwak, vanwege onze sterfelijkheid. Toch zijn we legaal volmaakt in de ogen van God. Onze zonden zijn ons vergeven, omdat we gewassen zijn door het bloed van het Lam van God. Als we nu zondigen instrueert Johannes ons om onze zonden te erkennen en te belijden (1 Johannes 1: 7–10). Hij zegt namelijk,

8 Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9 Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10 Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een

leugenaar en is zijn woord niet in ons.

Ons begrip van de gevolgen van de zonde van Adam op onze eigen natuur heeft een enorme impact op ons leven. Zij zal bepalen of wij de gemoedsrust hebben om onszelf kinderen van God te noemen, of dat wij elke dag leven met last van schuldgevoel op onze schouders.

HOOFDSTUK 10

Het Herstel van Alle Volken

In het tweede hoofdstuk van Daniël heeft koning Nebukadnezar van Babylon een profetische droom over een enorm beeld met een hoofd van goud, armen van zilver, een buik van brons, benen van ijzer en voeten van ijzer vermengt met leem. Daniël legde deze droom uit aan de koning. De verschillende (lichaams)delen van het beeld stelden de aardse koninkrijken voor. Het hoofd van goud was Babylon, wat op dat moment het huidige aardse koninkrijk was. Later zou het koninkrijk van Medo-Perzië zich oprichten en Babylon veroveren. Dit koninkrijk was geprofeteerd door de twee armen van zilver.

Hierna zou de bronzen buik (de Griekse natie) onder leiding van Alexander de Grote Medo-Perzië veroveren. Weer later zou het ijzeren rijk van Rome het heersende aardse koninkrijk worden. Rome is weer later verdeeld in twee secties, Oost en West. Het Oost Romeinse Rijk werd bestuurd vanuit een stad in Klein Azië, namelijk Constantinopel, ook wel het ‘Nieuwe Rome’ genoemd. Het West-Romeinse Rijk werd bestuurd vanuit Italië, dit gebeurde uiteraard vanuit het ‘Oude Rome’.

Het West Romeinse Rijk viel in 476 v.Chr. en het machtsvacuüm werd grotendeels opgevuld door de bisschop van Rome. Deze regeerde eerst door de kracht van religie, maar later kwam hier politieke en militaire macht bij. Het wordt over het algemeen aangenomen dat de voeten van ijzer vermengd met leem te maken hebben met de Middeleeuwen en de regering van de Rooms-katholieke Kerk als uitbreiding van het West Romeinse Rijk. Het Oost Romeinse Rijk verloor geleidelijk aan macht aan de Saracenen en de Ottomanen, totdat ten slotte Constantinopel viel in 1453 n.Chr.

Hoewel er veel verschillende opvattingen bestaan over de exacte vervulling van Nebukadnezars droom is het duidelijk dat de verschillende materialen de verschillende succesvolle politieke fasen van de wereldse koninkrijken voorstellen. Het feit dat al deze koninkrijken in de droom zijn afgebeeld in één beeld vertelt ons hoe God hier tegenaan kijkt. Het zijn uiteraard verschillende koninkrijken, maar toch stellen ze een uniforme periode van tijd voor, met een begin en een eind.

Aan het einde van het tijdperk van deze koninkrijken raakt een steen los uit een berg dat het beeld zal inslaan op zijn voeten, met als gevolg dat het hele beeld wordt verpulverd tot kaf op een dorsvloer. Het menselijke systeem van koninkrijken word vervolgens weggevoerd door de wind en wat overblijft is de steen die groeit tot een hele berg dat de aarde bedekte. Sommigen menen dat deze steen Jezus Christus is, maar Daniël 2:44 interpreteert de steen als het Koninkrijk van God.

Maar ten tijde van die koninkrijken zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan

Oftewel, er zal een dag komen dat het Koninkrijk van God de plaats inneemt van alle menselijke koninkrijken. De aarde zal dan geregeerd worden met rechtvaardigheid door de wetten van God, en niet meer door de onrechtvaardige en vaak straffende en tegengestelde wetten van de mens. Openbaringen 11:15 spreekt van een dag wanneer alle aardse volken worden bijgevoegd aan het Koninkrijk van God. Zie Bijbelteksten, eerst de NBV en hierna de SV.

15 Toen blies de zevende engel op zijn bazuin. In de hemel klonken luide stemmen, die zeiden: ‘Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld, en die van zijn messias. Hij zal heersen tot in eeuwigheid.’ (NBV)

15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. (SV)

Alle volken zullen zich tot God keren

Vaak lezen we Psalmen zonder echt de diepere betekenis van de woorden of hun profetie te begrijpen. Laten we kijken naar enkele Psalmen met in gedachten de Bijbelse visie van alle volken in onderwerping aan Jezus in Zijn Koninkrijk, te beginnen met Psalm 66:4.

Laat heel de aarde voor u buigen en zingen, uw naam bezingen.’ Sela

Ook prachtig is Psalm 67:

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm, een lied. 2 God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, sela 3 dan zal men op aarde uw weg leren kennen, in heel de wereld uw reddende kracht. 4 Dat de volken u loven, God, dat alle volken u loven. 5 Laten de naties juichen van vreugde, want u bestuurt de volken rechtvaardig en regeert over de landen op aarde. sela 6 Dat de volken u loven, God, dat alle volken u loven. 7 De aarde heeft een rijke oogst gegeven, God, onze God, zegent ons. 8 Moge God ons blijven zegenen, zodat men ontzag voor hem heeft tot aan de einden der aarde.

Psalm 72:11–19 zegt,

11 Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, alle volken hem dienstbaar zijn… 17 Zijn naam zal eeuwig bestaan, zijn naam zal voortleven zolang de zon zal schijnen. Men zal wensen gezegend te worden als hij, en alle volken prijzen hem gelukkig. 18 Geprezen zij God, de HEER, de God van Israël. Hij doet wonderen, hij alleen. 19 Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig. Moge zijn luister heel de aarde vervullen. Amen, amen!

Psalm 86:9 en 10 zegt,

9 Alle volken, door u gemaakt, komen en buigen zich, Heer, voor u en prijzen uw naam. 10 U bent groot, u doet wonderen, u alleen bent God.

De dag nadert waarop alle volken het pad naar de vrijheid, vrede en welvaart zullen zien door Jezus Christus hun Koning te maken. Dan zullen ze de goddelijke wet aannemen als grondwet. De volken zullen dit één voor één doen, totdat het Koninkrijk de hele aarde vult, net zoals de grote bergketen, voorspelt door de profeet Daniël (2:35). Ook Jesaja voorzag deze dag in een visioen in Jesaja 2:2–4,

2 Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen (d.w.z. volken). Alle volken zullen daar samenstromen, 3 machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. 4 Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.

Dit is het grote Sabbatsmillennium op aarde, waar God een tijd van rust verklaart voor alle arbeid die alle volken is opgelegd vanwege de zonde van Adam. Het doel van deze Sabbat is niet om te luieren, maar om ons vrij te maken zodat we de tijd hebben om ons in (het werk van) de Vader te kunnen verdiepen. Het zal een tijd zijn waarin we Gods wegen zullen leren. Dit zal niet alleen gelden voor enkelingen of voor kleine groeperingen of voor Kerken, maar voor de hele wereld.

De val van Jericho

Het verhaal over de val van Jericho is profetisch met betrekking tot de val van Babylon. In andere woorden het verhaal van Jericho’s val is profetisch met betrekking tot de val van het grote Babylon in Openbaringen 17–19. De overeenkomsten zijn opvallend als men dit bestudeerd. Bij Jozua’s verovering van Jericho vertelde God hem dat hij zes dagen om de stad moest marcheren terwijl ze op de ramshorens moesten blazen. Op de zevende dag moesten ze zeven keer rond de stad marcheren en vervolgens luid schreeuwen. Toen ze dit deden trof een aardbeving de stad waardoor de muren vielen en de stad veroverd werd.

In het boek Openbaringen zien we dat de stad Babylon op dezelfde manier valt. Er zijn zeven zegels en de zevende zegel bevat zeven trompetten. Er zijn zeven trompetten en de zevende trompet bevat zeven offerschalen. En dan valt Babylon, het wordt veroverd door het Koninkrijk van God.

Het is opmerkelijk dat de omverwerping van onderdrukkende en overheersende wetstelsels en overheden een goddelijk begin van het Jubeljaar is. Het hoofddoel van het Jubeljaar is om de mensen vrij te maken van elke vorm van slavernij. Daarom is het vanzelfsprekend dat de val van Babylon in Openbaringen een Jubeljaar is.

De zeven zegels vertegenwoordigen de zeven kerktijdperken die het Pinkstertijdperk bevatten. De zevende zegel is de laatste ‘dag’ van de val van Babylon (of Jericho). Gedurende die laatste ‘dag’ zijn er zeven trompetten. God gaf in de wet aan dat de priester bij elke nieuwe maan op de trompet moest blazen, oftewel het begin van elke maand, om zodoende de kalander bij te houden door de maanden te tellen. Daarom vertegenwoordigen de zeven trompetten de zeven maanden die op de zevende maand van de Hebreeuwse kalender wijst.

In de zevende maand wordt het Loofhuttenfeest gevierd. Hierbij moest de priester met de nieuwe wijn een drankoffer uitschenken als een eerstelingsoffer voor God (Num. 29:16). Omdat het Loofhuttenfeest een zevendaags feest was waren er zeven offerschalen met wijn die werden uitgeschonken als offer om dit feest te vieren in de zevende maand. Zo zien we dat de Hebreeuwse kalender het raamwerk vormt van het boek Openbaringen. Het Loofhuttenfeest draagt een profetische ondertoon dat de val van Babylon uitbeeldt waardoor de volken bevrijd zullen worden.

Dit verklaart ook waarom God de priesters de opdracht gaf om zeventig ossen te slachten gedurende de zeven dagen van Loofhutten (Num. 29:12–34). Zeventig is het universele getal dat alle volken op aarde vertegenwoordigt. Alfred Edersheim zegt op pag. 277 van zijn boek: The Temple,

“Er waren zeventig stieren om te corresponderen met het aantal volken in de wereld, namelijk zeventig.”

In Genesis 10 wordt gezegd dat de zonen van Noach aan het begin staan van de verschillende volken op aarde. De lijst vermeldt in totaal zeventig volken.

We concluderen vervolgens dat het Loofhuttenfeest profetisch was met betrekking tot Gods werk voor alle volken op aarde. Het boek Openbaringen verklaart met veel details hoe we de wet van de zeventig ossen van Loofhutten moeten interpreteren. Net zoals het offer van het lam werd vervuld door Christus, die het ware Lam van God voor ons is. Zo is ook het slachten van de ossen vervuld in Christus voor alle volken in de wereld. In wezen profeteert het over het herstel van alle dingen.

De jubeljaars trompet bij Jericho

Bij het verhaal over de val van Jericho is het woord Jubeljaar vijf keer verborgen in de tekst in Jozua 6. Hier wordt gewoonlijk overheen gelezen omdat de vertalers het Hebreeuwse woord yobel vertaald hebben met ‘rams-hoorns’ in plaats van ‘Jubeljaar- hoorns’.

4 Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns (yobel, ‘Jubeljaar’) voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns (yobel, ‘Jubeljaar’) blazen

5 en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.’

6 Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: ‘Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns (yobel, ‘Jubeljaar’) voor de ark van de HEER uit gaan.’

7 En tegen het volk zei hij: ‘Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.’

8 Het gebeurde zoals Jozua het volk had opgedragen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns (yobel, ‘Jubeljaar’) voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan…

13 de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns (yobel, ‘Jubeljaar’) voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns.

Deze verzen vertellen ons letterlijk dat de priesters de zeven trompetten van het Jubeljaar droegen. Het is zeer betreurenswaardig dat de vertalers het belang van het concept van het Jubeljaar niet inzagen bij het vertalen. Het had de Kerk laten zien dat de ultieme vervulling van het Jubeljaar niet slechts één dag of één trompet besloeg, maar de tijd van zeven trompetten, verdeeld over zeven dagen. De trompet van het Jubeljaar moest klinken op de Verzoendag, maar het Jubeljaar zelf was slechts een voorbereidingsdag voor het Loofhuttenfeest, dat een zevendaags feest was. Het verhaal over de val van Jericho in combinatie met het boek Openbaringen toont ons hun profetische betekenis.

Het lijkt erop dat we vandaag de dag het einde naderen van het Pinkstertijdperk en we ons bevinden in de tijd van de zevende trompet. De zeven offerschalen worden uitgeschonken aan het begin van dit Loofhuttentijdperk. Ondanks dat de muren van de stad nog stevig overeind staan zal de dag aanbreken waarbij Gods grote aardbeving alles zullen schudden met als gevolg dat er niks meer zal blijven staan wat niet bij Zijn Koninkrijk hoort (Haggai 2:6, 7; Heb. 13:26–28).

God wil al het goud, zilver brons en ijzer

In Jozua 6:19 worden de Israëlieten instructie gegeven met betrekking tot oorlogsbuit als God hen de stad overlevert.

19 Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’

God eist al het goud, zilver, brons (koper) en ijzer van de stad Jericho voor Zijn schatkamer. Deze metalen staan voor alle volken op aarde, net zoals dit wordt beschreven in het boek Daniël. De eis in Jozua 6 profeteert dat alle volken in deze wereld zullen worden opgenomen in de Gods schatkamer, oftewel Zijn Koninkrijk (Op. 11:15). Deze wet van goud en zilver en zijn betekenis wordt herhaald in Haggai 2:8 en 9,

8 Het zilver is voor mij en het goud is voor mij – spreekt de HEER van de hemelse machten. 9 De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voorheen – zegt de HEER van de hemelse machten –, en van hieruit zal ik jullie vrede en voorspoed geven – spreekt de HEER van de hemelse machten.’

Jezus Christus is voorbestemd als Koning der koningen en Heer der heren. Hij is voorbestemd om door ‘elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen’ aanbeden te worden (Op. 5:13). Het doel van Gods oordeel is om deze metalen te herstellen en te verfijnen zodat God zelfs Zijn vijanden in Zijn schatkamer kan brengen, waardoor de dood afgeschaft wordt en Hij alles in allen zal zijn.

Jericho toegewijd aan God

Jozua 6:17 vertelt ons ook dat de stad Jericho en alles wat er in is ‘onder de ban’ was. Ook was ze onvoorwaardelijk aan de Heer ‘gewijd’. Om de betekenis van Jericho’s toewijding te begrijpen moeten we eerst de wet van toewijding bestuderen.

Het Hebreeuwse woord is cherem, wat afstamt van het woord charam. Deze woorden zijn lastig te vertalen in het Nederlands. Het betekent dat het aan God moet worden gegeven en het kan niet worden gekocht of verlost uit Zijn bezit. Het mocht alleen gebruikt worden voor Gods doeleinden. De wet met betrekking tot toewijding kunnen we vinden in Leviticus 27:28 en 29:

28 Wanneer iemand iets uit zijn bezit onvoorwaardelijk aan de HEER heeft gewijd, of het nu slaven, vee of grond betreft, rust er een ban op. Het kan dan niet worden verpand en de gelofte kan niet worden afgekocht. Alles wat onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, is allerheiligst. 29 Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden.

In andere woorden, als iets aan God ‘gewijd’ is kan het nooit van Hem afgenomen worden. Ook zal God het nooit verkopen of inruilen voor geld of goed. Als voorbeeld, Jezus sprak over zulke mensen in Johannes 10:27–29,

27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. 28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. 29 Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven.

Deze schapen behoren aan Jezus, ze zijn gegeven aan Hem door de Vader. Ze zijn ‘gewijd’ aan Hem; hierdoor kunnen ze niet uit Zijn hand geroofd worden. Ze maken deel uit van Zijn Bruid, want van het Hebreeuwse woord charam is het woord ‘harem’ afgeleid. Ze zijn niet gewijd aan dood of vernietiging, maar aan het leven. Het zijn degenen die vrijwillig zijn gestorven aan hun eigen wil uit liefde voor Hem. Net zoals Jezus zijn zij de lamgemeenschap; ze hebben het karakter van het Lam van God, die ook vrijwillig Zijn leven afstond voor anderen.

Met de achtergrond van de wet van toewijding zien we de onderliggende betekenis van Jericho’s (toe)wijding aan God. De stad was gewijd voor vernietiging, maar God eiste al het goud, zilver, brons en ijzer. Deze metalen vertegenwoordigen de mensen die de burgers zijn van de koninkrijken van deze wereld. Zij zijn zekerlijk gewijd aan vernietiging, maar dit is een vleselijke vernietiging, waardoor de mensen gered worden en Gods schatkamer kunnen binnengaan. De ongelovigen zijn gewijd aan de vuurpoel, zodat zij worden berecht en zeven keer worden gezuiverd en zodoende geschikt worden gemaakt voor gebruik in Zijn Tempel.

Nebukadnezars droom in Daniël 2 beeld deze wijding aan vernietiging uit in termen van de steen die alles verbrijzelde. Jozua beeld het uit als gewijd zijn aan de schatkamer van God. Het boek Openbaringen zegt dat de koninkrijken van de wereld het Koninkrijk van Jezus Christus zal worden. Als we naar al deze thema’s kijken in de verschillende manieren waarop ze worden uitgebeeld zien we dat ze allemaal wijzen naar het herstel van alle dingen, waarbij alle volken Jezus Christus zullen aanbidden. Dit gebeurt bij de val van Babylon, nadat ze zijn vrij gemaakt door het Jubeljaar in het Loofhuttentijdperk.

De Achanleer

Tijdens de strijd van Jericho nam een man genaamd Achan wat zilver, goud en een Babylonische mantel mee uit Jericho en begroef dit in de grond onder zijn tent (Joz. 7:21). Hij stal datgene dat ‘gewijd’ was aan God. Het gevolg was dat Israël de volgende slag tegen de stad Ai verloor, waarbij 36 mensen gedood werden. Jozua bad om te weten te komen hoe deze ramp kon gebeuren. God vertelde hem dat er zonde was binnen het kamp. Hij onderzocht de zaak en kwam erachter dat Achan niet alle gewijde dingen aan God had gegeven. Jozua 7:25 en 26 zegt,

25 Jozua zei: ‘Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.’ Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. 26 Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal (‘ongelukdal’) genoemd, tot op de dag van vandaag.

De Achanleer bestaan uit het idee dat deze ‘vijanden’ van God, de burgers van Jericho en Babylon, moeten worden vernietigd, worden begraven in de grond of moeten branden in de hel als straf voor hun zonden. Achan begroef het goud en zilver onder zijn tent. Dit was stelen van God, omdat God een claim had gelegd op heel de buit van de oorlog. Verder stal Achan ook een Babylonische mantel. Dit heeft ook een profetische betekenis. Het houdt in dat Achan verlangde naar een gedeelte van de Babylonische gedachte. Hij had meer voorkeur voor de Babylonische mantel dan voor de mantel van gerechtigheid die wordt aangehaald in Jesaja 61:10 en 11.

10 Ik vind grote vreugde in de HEER, mijn hele wezen jubelt om mijn God. Hij deed mij het kleed van de bevrijding aan, hulde mij in de mantel van de gerechtigheid, zoals een bruidegom een kroon opzet, zoals een bruid zich tooit met haar sieraden. 11 Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken.

Dit is hetzelfde hoofdstuk waar Jezus uit citeerde aan het begin van Zijn bediening om Zijn roeping te omschrijven met het oog op het bevrijden van gevangenen. Het hoofdstuk is een gedeelte van Jesaja’s commentaar op de wet van het Jubeljaar. Hierdoor is het gekoppeld aan het Loofhuttenfeest. Het Hebreeuwse woord voor Loofhut is sukkoth. Het stamt af van sukka wat een bruidsbaldakijn is. Het vertegenwoordigt de kleding van de rechtvaardigen wat de ultieme beloning is voor een gelovige, afgebeeld in de gedaanteverwisseling van Jezus.

Achan is een schaduw (type) van iemand die in plaats van zijn Babylonische mantel, zijn beloning van transfiguratie opgaf tijdens het Loofhuttenfeest. De Babylonische mantel staat hier voor de leer dat God niet alle goud en zilver (de mensheid) van de wereld bezit.

De poort van hoop

Hosea 2:17 profeteert dat op een dag het Achordal (‘Ongeluksdal’) zou veranderen in een ‘poort van hoop’. Het Achordal was de plek waar Achan was gestenigd (Jozua 7:26) vanwege het stelen van goud en zilver uit de buit van Jericho. Hosea toont aan dat het verhaal van Achan profetisch was en een toekomstige vervulling te wachten stond. Het was verbonden met de tijd van Israëls problemen toen ze werden verbannen uit het land door Gods oordeel. De poort van hoop was Israëls herstel tot God en het was gebaseerd als een gedeelte van het Noachitisch verbond dat God maakte met elk levend wezen in het negende hoofdstuk van Genesis. Vandaar dat we lezen in Hosea 2:20,

20 Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven.

Als dit het geval is zien we de Achanleer als een anti-herstelleer. De tweede Jozua (Jezus) zal komen met Urim en Thummim (de orakelstenen) en zal deze ongelukkige leer aanwijzen. En als Hij dit doet zullen de mensen naar die tent gaan en het gestolen goud en zilver vinden en dit aan de voeten leggen van Jozua. God heeft Zichzelf bedoeld om ‘alles in allen’ te zijn (1 Kor. 15:28) en niemand kan hier tegenin gaan (Rom. 9:19).

De exclusieve en beperkte kijk op redding, het tegenwoordige Achan, zal worden aangewezen en worden vernietigd door de openbaring van de waarheid. De oplossing van Achan in het Achordal zal ook een poort van hoop zijn voor de hele wereld, want alle schatten van de aarde zullen naar Jozua gebracht worden en zodoende herteld worden in Gods pakhuis.

Het herstel van het ijzeren blad van de bijl

De profeet Elisa was het hoofd van een profetengemeenschap in het oude Israël. Elisa was de opvolger van Elia. Hij had gevraagd om een dubbele dosis van de Geest die op Elia was en had dit ook gekregen (2 Kon. 2:9). Met als gevolg dat er acht wonderen zijn vermeld en toegeschreven aan Elia, en dat er zestien zijn toegeschreven aan Elisa. Acht is het getal van een nieuw begin, maar zestien is het getal van liefde. Elia bereidde de weg voor Elisa voor, net zoals Johannes de weg voor Jezus voorbereidde om zo een nieuw begin voor de aarde vast te stellen. Zodoende is de weg voorbereid zodat de liefde van God kan worden uitgebreid tot redding voor alle mensen.

Eén van Elisa wonderen was het herstellen van een ijzeren blad van een bijl dat zoek was geraakt in de Jordaan. Het verhaal kunnen we vinden in 2 Kon. 6:1–7.

1 Op zekere dag zeiden de leden van de profetengemeenschap tegen Elisa: ‘Het gebouw waarin wij met u wonen is te klein voor ons allen, zoals u ziet. 2 Laten we naar de Jordaan gaan en daar boomstammen halen om een nieuw onderkomen te bouwen.’ ‘Ga je gang,’ zei Elisa. 3 Maar een van de profeten zei: ‘Doet u ons een genoegen, heer, en ga met ons mee.’ ‘Goed,’ zei Elisa 4 en hij ging met hen mee naar de Jordaan, waar ze bomen begonnen om te hakken. 5 Terwijl ze daarmee bezig waren, schoot bij een van de profeten het ijzeren blad van zijn bijl los en viel in het water. ‘Wat nu, heer!’ riep hij uit. ‘Ik had hem te leen!’ 6 ‘Waar is hij gevallen?’ vroeg de godsman. Nadat de man hem de plaats had aangewezen, sneed Elisa een twijg af en gooide die in het water, waarop het ijzer kwam bovendrijven. 7 ‘Haal hem er maar uit,’ zei hij, en de man pakte het blad van de bijl weer uit het water.

Ik ben van mening dat het ijzer in dit verhaal niet alleen het ijzeren koninkrijk van Rome vertegenwoordigd, maar in het verlengde hiervan ook alle succesvolle Babylonische rijken. Net zoals het ijzeren blad de bomen omhakte, zo ook onderwierp het Romeinse Rijk vele volken. Volken worden in de Schrift vaak uitgebeeld als bomen. Eén van de bomen die Rome onderwierp was het volk Juda. Maar die boom bracht een twijg voort – Jezus Christus – die in de Jordaan (de dood) werd gegooid om zodoende het ijzer te herstellen, dit wil zeggen de koninkrijken van deze wereld.

De koninkrijken van deze wereld zijn gewijd aan vernietiging, net zoals het ijzeren blad in de Jordaan viel. Maar ze worden gered door Jezus Christus, die in het verhaal door Elisa wordt vertegenwoordigd als een type van Christus. Hij redt hen door toedoen van het twijgje in het water. Dit betekent het Kruis, met Jezus’ dood dat wordt toegedaan in het water, dat de ‘volken, scharen, natiën en tongen’ uitbeeld. Openbaringen 17:15 zegt,

15 De waterstromen die je zag,’ zei de engel, ‘waar de hoer aan zit, zijn vele landen en volken en stammen.

Dit korte verhaal van Elisa laat een prachtig beeld zien van het herstel van alle dingen en de onderwerping van alle volken aan het Koninkrijk van Jezus Christus. Het is het twaalfde wonder van de zestien die Elisa heeft verricht, het draait om de oprichting van de goddelijke regering op aarde.

De bediening van de bemiddeling

Ik geloof dat we op het punt staan om het Beloofde Land van het Loofhuttentijdperk in te treden. De dag nadert snel en op het moment is daar dat Jozua–Jezus er klaar voor is om de grote Achanleer, de leer die Israël in verwarring brengt, bloot te leggen. Net zoals degenen die naar Achans tent werden gestuurd om het goud en zilver op te graven worden wij ook geroepen om deze dingen aan het licht te brengen en om de gewijde dingen naar Zijn schatkamer te brengen.

Er wordt nergens in de Schrift vermeld dat wij geroepen moeten worden om een bediening aan te nemen waarbij we eeuwige straf moeten verkondigen aan de mensen. Zoals we zagen in hoofdstuk 8, is dit in feite de Achanleer. Het staat haaks op de bediening van de bemiddeling, waar Paulus over spreekt in 2 Kor. 5:18–21.

18 Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. 19 Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend (bemiddeld): hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening (katallasso, ‘bemiddeling’) toevertrouwd. 20 Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen (bemiddelen). 21 God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden.

Zoals u ziet hebben we de vertaling veranderd van verzoening naar bemiddeling. Dit vraagt om een verklaring. Er zijn twee Griekse woorden en met beide woorden heeft de NBV het woord verzoening vertaald, namelijk: katallasso en apo-katallasso. Deze woorden zijn gerelateerd, maar verschillen wel iets van elkaar. U kunt de juiste vertaling vinden in ‘The Concordant Version’.

Als twee vijanden een verschil van mening hebben moeten ze met elkaar verzoend worden. Maar er vind bemiddeling plaats als één van de twee besluit de ander gelijk te geven. Bemiddeling is een eenzijdige vrede dat buiten de wil of kennis van de ander geschied. Het wordt gedaan door de raad van zijn eigen wil.

Hij die zichzelf met zijn broeder wil verzoenen stuurt zijn ambassadeur op pad met de witte vlag van de wapenstilstand om voor de vrede te pleiten, met de smeekbede om zijn bemiddeling te aanvaarden. Als de ander de bemiddeling aanvaardt wordt het tweezijdig; dit is verzoening.

In 2 Korintiërs 5 (zie vorige tekstgedeelte) zien we dat God de wereld met Hem heeft bemiddeld. Hij legde Zijn rechtvaardige en wettige zaak die hij tegen de wereld had aan de kant en bemiddelde met de wereld. Vervolgens stuurt hij ons christenen de wereld in als ambassadeur van Hem met de smeekbede om aan Zijn bemiddeling te beantwoorden. Een ieder die hier acht op slaat en vrede met God verklaart wordt verzoend met Hem. Dit wordt bevestigd door Romeinen 5:10 en 11,

10 Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend (bemiddeld) door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend (bemiddeld), worden gered door diens leven. 11 En meer nog, dat wij God prijzen danken we aan onze Heer Jezus Christus, door wie we nu al met God zijn verzoend (bemiddeld).

Christus stierf voor ons toen wij nog steeds zondaren waren en tegen God vochten. In andere woorden, de bemiddeling vond plaats VOOR de verzoening, omdat God uit Zichzelf de eerste stap zette. Paulus gebruikt deze termen zorgvuldig. Dit kan eenvoudig worden opgemaakt uit drie passages waar hij de term apo-katallasso gebruikt, oftewel verzoening. De eerste passage is Efeziërs 2:16.

16 en verzoende (apo-katallasso) hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden.

Paulus spreekt hier over de ‘muur van partitie’ dat Israël scheidde van de ‘Heidenen’. Omdat hij spreekt over BEIDE partijen die verzoend worden gebruikt hij het juiste woord, apo-katallasso. De andere twee voorbeelden staan in Kolossenzen 1:20–22.

20 en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen (apo-katallasso), alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis. 21 Eerst was u van hem vervreemd en was u hem in al het kwaad dat u deed vijandig gezind, 22 maar nu heeft hij u door de dood van zijn aardse lichaam met zich verzoend (apo-katallasso) om u heilig, zuiver en onberispelijk bij zich te brengen.

Paulus zegt simpelweg dat het Gods doel is om alle dingen met Zichzelf te verzoenen. Dit betekent dat BEIDE partijen vrede moeten sluiten. In de bovenstaande passage spreekt Paulus over christenen in Kolosse die op hun buurt bemiddelde met God; waardoor er

een wederzijdse verzoening was tussen hen.

In 2 Korintiërs 5 (aangehaald in het begin van dit hoofdstuk) legt Paulus aan de christenen uit dat ze geroepen worden om ambassadeurs van Christus te zijn met een bediening van bemiddeling. Dit houdt in dat ze zijn toevertrouwd om een boodschap over te brengen aan de wereld. Het is GEEN woord van helvuur en zwavel. Het is GEEN slecht nieuws over verdoeming. Het is het goede nieuws ‘dat God in Christus DE WERELD met Zichzelf bemiddeld, zonder dat Hij hun overtredingen HEN aan te rekent’.

Natuurlijk breken er tijden aan dat God iemand roept om iemand anders of een volk te waarschuwen of een naderend oordeel te verkondigen. Toch is dit niet de algemene boodschap die aan christenen wordt gegeven om te verkondigen in de wereld. Toch zien we vaak dat het evangelie, wat ‘goed nieuws’ betekent, is gewijzigd door een misvatting van Gods doel en plan om zowel alle mensen te rechtvaardigen als te verzoenen met Zichzelf.

Ik was ooit van mening dat het mijn christenplicht was om anderen te overtuigen dat ze zondaren waren en in gevaar verkeerde van Gods wraak. Nadat ik leerde dat het Gods plan is om de hele mensheid te herstellen en de wereld te bemiddelen deelde ik dit met ongelovigen. Het verbaasde mij hoe snel ze beantwoorden aan Gods woord en dat ze erg enthousiast waren om God te leren kennen. Ik zag dat deze mensen vreugdevol berouw van hun zonden hadden en tot God keerde met een hart van liefde. Ze waren geïntimideerd door de wijsheid en de barmhartigheid van God. Ze verheugden zich in de gerechtigheid en de genade van God. Hun levens werden voorgoed veranderd door de kracht van liefde en vergeving.

Tot de Kerk deze bediening van de bemiddeling begrijpt zal het slechts in beperkte mate succes hebben om de wereld te bekeren. Velen zullen God beantwoorden uit angst voor de hel, maar grote aantallen zullen God hierdoor verwerpen. Angst is een goede motivatie, maar liefde is beter. Toch zijn we hier niet om tactieken te bespreken, maar om de waarheid te vinden. Ik geloof dat de waarheid van bemiddeling de impuls zal zijn voor de laatste wereldwijde opwekking waardoor de aarde in het Loofhuttentijdperk zal komen. Jezus Christus zal geen DWANG hoeven te gebruiken om de volken te onderwerpen, want als ze Hem eenmaal kennen zal Hij bewijzen dat Hij ‘de Wens van de heidenen’ is (Haggai 2:8, SV). Openbaringen 15:4 stelt de volgende vraag,

4 Wie zou u, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen? Want u alleen bent heilig. Alle volken zullen komen en zich voor u neerbuigen, want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’

De geestelijke gaven en bedieningen

Het komt misschien vanwege het idee van de totale verdorvenheid van de mens dat christenen geloven dat ongelovigen moedwillig God haten. Maar dit is echt niet het geval. Het grootste gedeelte kent Hem simpelweg niet en ze weten ook niet hoe ze met Hem in contact kunnen komen. Zelfs nadat ze hebben gehoord van Jezus Christus zijn velen bang voor Hem, omdat ze Hem hebben gehoord door de boodschap van oordeel en angst. Dit geeft mensen vaak een verkeerde indruk van Hem en ze hebben de neiging om Jezus Christus te zien als de zoveelste tiran om bang voor te zijn waardoor ze Hem zoveel mogelijk willen ontwijken.

Ik geloof zekerlijk dat Hem kennen, Hem liefhebben is. Toen Jezus rondwandelde op aarde werden de mensen tot Hem getrokken door Zijn liefde en zorg voor hen. Als christenen ook dezelfde liefde en zorg vertonen, voornamelijk als God Zijn woord heeft gevestigd met de daarbij horende tekenen, zal de massa samenstromen om van Jezus te horen. Zulke mensen haten Jezus Christus niet; zij kennen Hem simpelweg niet en ze wachten op Zijn discipelen om hen het karakter en het werk van Jezus te laten zien. De dag komt dat dit op een tamelijk grote schaal zal gaan gebeuren. Ik geloof dat dit in de wereld zal exploderen met de vervulling van het Loofhuttenfeest. Dit is als Jezus’ woorden zullen worden vervuld toen Hij zei in Johannes 14:12,

12 Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader.

De Statenvertaling vertaalt het specifieker,

12 Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.

Toen Jezus opsteeg naar de rechterhand van de Vader stuurde Hij de Heilige Geest in Zijn plaats om inwoning in ons te nemen en, zoals beschreven staat, om ons geestelijke gaven en bedieningen te geven dat Paulus bespreekt in Efeziërs 4:7 en 8 (SV),

7 Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus. 8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.

Paulus citeerde uit Psalm 68:18 en 19 (SV), waar we een beschrijving vinden van het eerste Pinksterfeest onder Mozes bij de berg Sinaï.

18 Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid! 19 Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!

Net zoals Mozes de berg beklom om de goddelijke wet te ontvangen als gave voor de mensheid, zo ook klom Jezus Christus op tot in de hemel om terug te keren in de vorm van de Heilige Geest om zodoende gaven te schenken aan de mensheid. Hij kwam om Zijn wet in ons hart te schrijven, in plaats van op stenen tafelen. Paulus vertelt ons in Efeziërs 4:11–13,

11 En hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, 12 om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, 13 totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

Psalm 68:18 zegt dat deze gaven ook behoren tot “ de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God.” Het doel van het uitschenken van de Heilige Geest tijdens Pinksteren was tot voordeel van de wederhorigen (opstandige mensen, NBV) – niet om ze te erkennen in hun opstand, maar om hen zodoende geschikt te maken voor Gods inwoning. Oftewel, zij zouden gereinigd en gezuiverd worden totdat zij geestelijk volwassen zouden zijn “van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.”

De Schrift leert duidelijk dat de mens in zijn ‘staat van dood’ in vijandschap verkeert met God en verzoening nodig heeft. Jezus Christus is naar de aarde gekomen, heeft Zijn bloed vergoten en is uit de dood opgewekt om zodoende alle volken te kunnen verzoenen. Zijn bloed, Zijn macht en Zijn liefde zal alle volken van de aarde tot Hem trekken.

Wij zijn ambassadeurs van de grootste boodschap dat de wereld ooit gehoord heeft.

HOOFDSTUK 11

Predestinatie en Verkiezing

In de tijd van het Nieuwe Testament waren er drie belangrijkste religieuze partijen in Judea en allemaal verschilden ze in hun leer over predestinatie. De Essenen geloofde onvoorwaardelijk in predestinatie en verwierpen het idee van vrije wil. Haaks hierop stonden de Sadduceeën die zwaar beïnvloed waren door de Griekse filosofie. Net zoals de Epicurijnen ontkende ze niet alleen de predestinatie, maar ook het bestaan van engelen, geesten en de opstanding uit de dood (Hand. 23:8). Josephus vertelt ons dat de Sadduceeën onvoorwaardelijk in vrije wil geloofde (Antiq. XIII, v). De Farizeeën stonden te midden van deze partijen. Ze geloofden gedeeltelijk in predestinatie en gedeeltelijk in vrije wil door te zeggen dat God de mens helpt om goed te doen.

Al deze partijen vormen een achtergrond voor het onderwijs van Paulus in Romeinen 9, want hij was zeer bekend met al deze leringen. Daarom is hij niet dubbelzinnig met zijn woorden betreffende de zaken in zijn tijd die we net hebben aangehaald. In deze context zegt hij in het negende hoofdstuk van Romeinen:

9 Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ 10 Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, 11-12 en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Gods besluit blijft namelijk van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat hij hem roept. 13 Zo staat er ook geschreven: ‘Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat.’

Hier zien we dat Paulus de geschiedenis van Jakob en Esau gebruikt als voorbeeld van Gods verkiezing. Hij laat zien dat God ze koos VOORDAT één van hen goed of slecht kon doen. Houdt in gedachte dat dit voorbeelden zijn van Paulus om de leer te bewijzen; het zijn geen uitzonderingen op de regel. Dus Esau was NIET afgewezen op grond van zijn slechte werken, ook was Jakob niet verkozen vanwege enige goede werken. Er wordt ons gezegd dat God hen beide koos voordat ze geboren waren om ons zo aan te kunnen tonen dat het NIET uit ‘onze werken’ is, maar alleen ‘van Hem die roept’.

Verkiezing betekent dus dat God veroorzaakt en dat de mens op deze kracht reageert. Dit is zo duidelijk dat we niet van deze logische verklaring kunnen afwijken zonder rond te dolen in het donker. Het grote bezwaar wat zowel de Grieken als de Sadduceeën hadden was de handhaving van Gods gerechtigheid. Paulus was hiervan op de hoogte en daarom gaat hij verder in Romeinen 9:

14 Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. 15 Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn, ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken.’ 16 Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens. 17 Zo zegt hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb u alleen maar aangesteld om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.’ 18 Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil.

Hier treedt Paulus nog meer in detail, maar toch geeft hij niet echt antwoord op de vraag over Gods rechtvaardigheid. In plaats daarvan citeert hij een ander Bijbelverhaal om te bewijzen dat verkiezing menselijk handelen bepaald. De mens kan denken dat hij een ‘vrije wil’ heeft, maar in werkelijkheid is het een gedwongen wil. Want Farao wordt gebruikt om God te verheerlijken als vaas van schande (9:21), zijn ‘vrije wil’ was nauwelijks vrij. Gods wil was hoger en eerder dan die van Farao. Voordat Farao geboren was had God al zijn levensdoel bepaald. Hij moest God verheerlijken door als achtergrond op te treden voor Mozes, die de vaas van genade vertegenwoordigde.

U kunt het hele verhaal van Farao lezen in het eerste gedeelte van Exodus. Voordat Mozes aan Farao verscheen had God hem al gezegd dat Hij Farao’s hart zou verharden zodat Farao niet zou luisteren naar hem (Exodus 7:3, 4, 13, 14, 22; 8:15, 19, 32, etc.). Iedere keer dat Farao berouw toonde en Israël liet gaan verharde God zijn hart (Ex. 10:16, 20, 27). Ons natuurlijke rechtvaardigheidsgevoel schreeuwt hier tegenin. Hoe kon God Farao of een ander willekeurig mens zo behandelen? Hoe kon God Farao nu oordelen voor zijn zonden? Paulus heeft het hier toch bij het verkeerde eind, of begrijpen we zijn woorden gewoon niet! Maar wacht; Paulus anticipeert op deze bezwaren, want ze werden vaak genoeg aangedragen in zijn tijd. Dus hij gaat verder in Romeinen 9:

19 Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?

Inderdaad, dat is nu precies het bezwaar van de meeste mensen. Er zou in feite helemaal geen bezwaar zijn als Paulus alleen zou verkondigen dat God alle dingen ‘voorzag’. Als God Esau en Farao had gemaakt als vazen van schande op de grond dat Hij dit ‘van te voren wist’ hoe ze zouden worden, waarom zou dan iemand tegen de leer van Paulus ingaan? Maar het feit dat Paulus wel weet had van het bezwaar en toch NIET de term ‘voorzien’ gebruikte (Grieks: proginosko) dwingt ons het voor de hand liggende te geloven – dat hij dus predestinatie bedoelde. Oftewel, God had deze gebeurtenissen vooraf al bepaald.

Hierdoor wordt de lezer gedwongen om bezwaar te maken tegen de ‘onrechtvaardige’ handelingen van God tegen opzichte van Farao. Als de onderliggende oorzaak van Farao’s verharde hart echt Gods verkiezing en predestinatie was zou dit elke legale zaak die God tegen Farao had ondermijnen. Dit zouden we vandaag de dag ‘insluiting’ noemen. Het zou enorm onrechtvaardig zijn om Farao voor zijn zonden te laten betalen die hij onder zulke omstandigheden had bedreven. Hoe kon God zulke dingen doen en toch rechtvaardig blijven? Dit is nu de echte vraag. Romeinen 9:20–23 gaat verder,

20 Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ 21 Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? 22 God heeft degenen die het voorwerp van zijn toorn zijn en die hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat hij zijn toorn ook wil tonen en zijn macht kenbaar wil maken. 23 En omdat hij zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft hij degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in zijn majesteit te delen.

Dit lijkt nu niet echt een bevredigend antwoord, omdat Paulus ons slechts herinnert dat een dergelijke houding een trotse houding is, door te denken dat we rechtvaardiger zijn dan God. Toch moeten we begrijpen dat Paulus de basis van Gods rechtvaardigheid al had gelegd in Romeinen 5, waar hij uitdrukkelijk onderwijst dat God van plan is om uiteindelijk de hele mensheid te redden.

Als God inderdaad een groot gedeelte van mensheid had verkozen om te branden in een eeuwig vuur dan zou God inderdaad onrechtvaardig zijn. Alleen enkelingen met een sterke maag hebben dit ooit geslikt, waaronder Augustinus en Calvijn. Maar voor de meerderheid van de mensheid is dit onacceptabel geweest, waardoor andere oplossingen nodig waren. Helaas, in plaats van vraagtekens te zetten bij de Achanleer van eeuwige pijniging zette de meeste mensen vraagtekens bij de leer over de uitverkiezing en predestinatie.

En daarom is dit een verwarrende bende voor veel mensen geweest gedurende hun hele leven. Eerst werden ze misleidt door te denken dat de ‘hel’ eindeloos is in plaats van tijdperkgebonden (aeonian); en vervolgens moeten ze Paulus’ woorden in Romeinen 9 verdraaien om deze fout goed te praten om zo God te rechtvaardigen. Het is geen wonder dat de meeste mensen Romeinen 9 zo ‘moeilijk’ vinden om te begrijpen. Het is alleen maar moeilijk als iemand vooraf het standpunt inneemt dat degenen die niet verkozen zijn voor altijd zullen branden in een vurige hel. Het is altijd moeilijk om uit te leggen hoe God Zijn soevereiniteit gebruikt om een verschrikkelijk onrecht te creëren.

In Romeinen 8 wordt ons vertelt dat God Zelf de hele schepping heeft onderworpen aan zinloosheid, niet om het zodoende te kunnen vernietigen, maar omdat Hij zo verheerlijkt en geprezen kan worden bij haar Jubeljaar.

18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. 19 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21 omdat ook

de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

De meeste mensen verwerpen de uitverkiezingsleer omdat het gekoppeld is aan het idee dat God het grootste deel van de mensheid heeft verkozen om voor altijd te branden in de hel. Zij maken bezwaar op de onrechtvaardigheid die God aangemeten wordt. Zulke mensen moeten geprezen worden voor het niet geloven in zo’n onrechtvaardige God. Toch heeft de God van de Bijbel bepaalde mensen voorbestemd om als EERSTE gered te worden. De anderen zijn voorbestemd om DAARNA gered te worden.

In de tussentijd is er veel ‘zinloosheid’ in de schepping. God heeft de schepping onderworpen aan zinloosheid door Zijn eigen wil. Dit was een oordeel van God voor heel de schepping vanwege de zonde van Adam. Toch deed Hij dit met een goed doel voor ogen, omdat Gods oordelen helend en corrigerend zijn. Door middel van kastijding zal God alle dingen tot Zichzelf brengen. Wat wij het kwaad noemen kan God door Zijn macht in het goede veranderen, net zoals Romeinen 8:28 zegt,

28 En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede.

Een goede illustratie van dit vers kunt u vinden in een verhaal dat ik onlangs hoorde. Er was een koning in Afrika die een goede vriend had waarmee hij was opgegroeid. Deze vriend had de gewoonte om elke situatie dat zich voordeed in zijn leven (positief of negatief) te bestempelen met: “Dit is goed!” Op een dag ging de koning met zijn vriend jagen. De vriend zou de wapens laden en voorbereiden voor de koning. De vriend had blijkbaar iets verkeerd gedaan bij de voorbereidingen van de wapens, want toen de koning zijn wapen aanpakte ging deze af en schoot hierdoor zijn duim eraf. Na de situatie te hebben overdacht zei de vriend, zoals gewoonlijk: “Dit is goed!” Waardoor de koning antwoordde: “Nee, dit is NIET goed!” En de koning veroordeelde zijn vriend tot de gevangenis.

Ongeveer een jaar later was de koning aan het jagen in een onveilig gebied. Kannibalen namen hem gevangen en namen hem mee naar hun dorp. Ze bonden zijn handen, verzamelden hout, richtte een spit op en bonden hem op het spit. Toen ze het hout wilden aansteken zagen ze dat de koning zijn duim miste. Vanwege hun bijgeloof aten ze niemand die niet ‘compleet’ was. Dus ze ontbonden de koning en stuurde hem weg. Toen hij weer thuis kwam herinnerde hij zich het incident waardoor hij zijn duim verloren was en kreeg berouw over de manier waarop hij zijn vriend had behandeld. Hij spoedde zich naar de gevangenis om met zijn vriend te praten.

“Je had gelijk,” zei hij, “het was goed dat mijn duim er afgeschoten werd.” En hij vertelde het hele verhaal aan zijn vriend. “Sorry dat ik je voor een lange tijd naar de gevangenis heb gestuurd. Het was verkeerd van me om dit te doen.”

“Nee,” reageerde zijn vriend, “Dit is goed.”

“Hoe bedoel je, dit is goed! Hoe kan het nou goed zijn dat ik mijn vriend voor een jaar gevangen zet?”

“Als ik NIET in de gevangenis zat, zou ik bij jou zijn geweest!”

Als we leren om alles door de ogen van God te bezien zullen we Hem echt kennen. De ware kennis van God begint met het erkennen van Zijn soevereiniteit. Hoe meer we Hem kennen, hoe soevereiner Hij lijkt. Als we Hem minder goed kennen lijkt de mens soevereiner.

Elders in Paulus’ geschriften bevestigt hij de leer van verkiezing. In Efeziërs 1:4–6,

4 In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor hem heilig en zuiver te zijn, 5 en hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, 6 tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

Net zoals Jakob verkozen was vóór zijn geboorte om aan te tonen dat Gods keuze niet afhangt van werken – zo zijn ook wij gekozen in Hem ‘voordat de wereld gegrondvest werd’. Wij zijn uitverkoren en verkozen ‘naar Zijn wil en verlangen’ (vers 5) om als eerste gered te worden en zodoende de volken tot Christus te leiden. Paulus zegt het nogmaals in 2 Timoteüs 1:9,

9 Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat hij daartoe uit genade besloten had. Deze genade was ons al vóór alle tijden (eonian) gegeven in Christus Jezus.

Paulus schrijft ook in 2 Tessalonicenzen 2:13: “Hij heeft u als eersten uitgekozen om te worden gered.” Als we niet verkozen waren had God kunnen bepalen dat wij in een afgodisch land werden geboren, waar de naam van Christus nooit is verkondigd. Als dit het geval was hadden onze kansen om christen te zijn gelegen tussen heel klein en niet. Het maakt niet uit hoe wij dit opdelen, onze culturele en religieuze achtergrond, de tijd en plaats van onze geboorte en vele andere factoren zorgen ervoor dat het gemakkelijk of juist moeilijk is om Christus te vinden. Dit zijn factoren die buiten onze controle vallen, zij zijn enkel bepaald door de soevereiniteit van God. Vanuit menselijk oogpunt is dit simpelweg niet eerlijk, zeker niet als het resulteert in een eeuwige straf voor 99% van de mensheid.

Als God recht zou doen zou Hij met iedereen moeten doen zoals Hij met de apostel Paulus heeft gedaan. Wie van ons zou twisten met God nadat we zijn neergeslagen door een verblindend licht waarbij Jezus aan ons verschijnt? Dit doet me denken aan een tekenfilm die ik ooit heb gezien, waarbij een middeleeuwse kruisvaarder zijn lans richtte op de keel van een Moslim die op zijn rug lag. De Moslim zei vervolgens: “Hmm, vertel me alstublieft meer over die God van jou!” Op dezelfde manier had God de onverdeelde aandacht van Paulus. Als God elk mens zou dwingen op deze manier zou waarschijnlijk het grootste gedeelte van de wereld evangeliseren en bekeerd zijn.

Jaren na zijn bekering schreef Paulus in 1 Timoteüs 1:16 dat zijn eigen bekering ‘een voorbeeld’ (hupotuposis, ‘een patroon’) was voor hen die in Hem geloven en het eeuwige leven ontvangen. Dit betekent uiteraard niet dat God alle mensen op een gewelddadige manier neer zal slaan om ze te bekeren. Wel leert het ons dat het God is die ons eerst kiest vanaf de grondlegging van de wereld met als gevolg dat Hij ervoor zorgt dat we Hem aannemen. Paulus is hier het PATROON, niet de uitzondering. Niemand kan Hem verheerlijken in Zijn ogen. We kunnen niet in onze redding roemen tegenover andere mensen met de woorden: “Ik heb Christus aangenomen vanwege mijn eigen vrije wil.” Uiteindelijk moeten we allemaal nederig bekennen dat Hij ons, net zoals Paulus, gekozen heeft voordat we Hem aannamen.

Wanneer iemand de verlichting van de Waarheid ontvangt is dit een daad van God. Paulus leerde dit door persoonlijke ervaring en zo’n dramatische gebeurtenis had een enorme impact op zijn kijk op Gods verkiezing. We moeten dit in gedachte houden als we Romeinen 9 lezen, want Paulus schreef dit hoofdstuk als gevolg van zijn eigen persoonlijke ervaring. Andere Schriftplaatsen die dit weerspiegelen zijn:

Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren (Mat. 11:27).

en zijn tegenstanders zachtmoedig terechtwijzen. Dan brengt de Heer hen misschien tot inkeer, zodat zij de waarheid leren kennen (2 Tim. 2:25).

Veracht u dan zijn onbegrensde goedheid, geduld en verdraagzaamheid, en weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen? (Rom. 2:4).

Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij komt zal ik niet wegsturen (Joh. 6:37).

Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt (helkuo, ‘trekt’), en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken (Joh 6:44).

Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God (d.w.z. Gods wil) (Joh. 1:13).

Nu we hebben vastgesteld dat God soeverein is laten we de paradox zien dat de wil van de mens eveneens autoriteit heeft op aarde.

De wil van de mens en zijn autoriteit

In de Griekse taal zijn er twee woorden waar we zorgvuldig naar moeten kijken: dunamis en exousia. Het woord dunamis betekent ‘inherente macht’, dit is macht dat zichzelf verkrijgt. Een koning heeft dunamis (macht) OVER anderen. Over zijn onderdanen heeft de koning macht. Maar in relatie tot God (een hogere Macht) werkt de koning op exousia (autoriteit). In het gezin heeft de man de macht over zijn vrouw, maar in relatie tot God beoefent de man slechts zijn autoriteit onder God. Het is allemaal relatief.

Macht of soevereiniteit is datgene wat men ziet wanneer hij opkijkt van zijn eigen niveau van autoriteit. Iedereen oefent macht uit over enig gebied van leven en toch is deze macht ondergeschikt aan een hogere macht. Elk mens oefent autoriteit uit onder een opeenvolging van hogere overheden, totdat het uiteindelijk God Zelf bereikt, de ultieme en enige echte soevereine macht van het universum.

In onze bespreking over de wil van de mens zullen we de dingen vereenvoudigen door alle posities van macht of autoriteit te negeren, behalve waar God de soevereine Macht (dunamis) is, waarbij de mens in het algemeen autoriteit uitoefent (exousia) onder God. Het begon allemaal in Genesis 1:26

God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’

Dit is het begin van alle oorspronkelijk gedelegeerde autoriteit op aarde. Later, toen mens zich begon te vermenigvuldigen, vormden zij meerdere lagen van overheid, elk met een verschillende mate van gezag. Elke nieuwe instantie diende de ‘vrije wil’ van de mens te beperken, want nu was hij gebonden door steeds meer wetten die hem ervan moesten weerhouden om zijn buurman te verwonden. Zijn wil werd steeds meer gedwongen door de wet.

Recht en dwang

Een wet waaraan geen overeenkomstig oordeel of straf aan verbonden is, is in wezen geen wet. De wet moet uitgevaardigd worden volgens een angstprincipe om zondaren te beperken. Om deze reden zegt Paulus in 1 Timoteüs 1:9 en 10,

9 We weten ook dat de wet er niet is voor de rechtvaardige, maar voor wie zich aan wet of gezag niet stoort, voor goddelozen en zondaars, die alles wat heilig is verachten en ontwijden, die hun eigen vader of moeder doden, voor moordenaars, 10 ontuchtplegers, knapenschenders, slavenhandelaars, leugenaars en plegers van meineed. De wet is er voor alles wat indruist tegen de heilzame leer,

Pas als we volmaakt zijn zal de wet irrelevant worden voor zover de wetgeving betreft. Dan zal de mens van nature goed doen; zij zullen geheel gedreven zijn door liefde; en de angst zelf zal iets worden dat er ooit vroeger was.

De wetten zijn specifiek gegeven voor het doel van dwang. Op aarde is de wil van de mens niet vrij geweest sinds de eerste wet is opgesteld. Of dit nou door de overheid werd opgelegd aan de burgers of simpelweg door een huishoudelijke regel van een vader om zijn kinderen te beperken, alle wetten dwingen de wil van de mens tot een gedragscode. Dit heeft als doel om de vrije wil te beperken.

Ook is er een meer kunstzinnige methode die bekend staat als overtuigingskracht. Hoewel sommigen denken dat dit puur een kwestie van vrije keuze is, is dit niet altijd het geval. Een tiran wenst een propaganda campagne te lanceren om burgers ervan te overtuigen om zijn politieke opvatting te steunen. Of misschien willen enkele slinkse bevoegdheden hun kwaadaardige beleid verbergen door het instellen van een ‘twee partijenstelsel’, zoals ze dit in Amerika hebben. Ze zullen dan die twee partijen verschillende filosofieën geven om de meerderheid van de kiezers te trekken om zodoende enig andere opvattingen uit te sluiten als machtsbasis. Op dat punt kunnen de kiezers worden misleid en gaan denken dat zij uit vrije wil kiezen voor een kandidaat die zij willen, terwijl in realiteit het bijna geen verschil maakt wie er wordt gekozen. De echte powerbrokers achter de schermen hebben beide kandidaten al gefinancierd en georganiseerd om zo het publiek het gevoel te geven dat ze kunnen kiezen voor één van hun twee kandidaten. De kiezers worden op deze manier gemanipuleerd om ze het gevoel te geven dat zij uit vrije wil een kandidaat gekozen hebben, maar helaas is het allemaal een illusie.

We gaan nog een stap verder. We zijn allemaal producten van onze genen, cultuur en opleiding. In onze gedachten huizen talloze ideeën waarvan we onszelf hebben overtuigd om ze aan te nemen. De meeste daarvan hebben we geleerd als kinderen toen we nog te onvolwassen waren om te kiezen zonder dwang. Hindoes groeien op met hindoeïstische uitgangspunten; moslims met islamitische uitgangspunten; christenen met christelijke uitgangspunten. Goed en slecht vloeien voort uit onze gedachte als uitgangspunten van de waarheid en onbewust beïnvloed dit ons heel ons leven. Het is erg moeilijk om boven onze culturele en religieuze achtergrond uit te stijgen, waar we vrije wil kunnen uitoefenen zonder beïnvloeding van dwang.

Maar zelfs als we dit konden doen worden onze opvattingen door meer zaken dan alleen cultuur en opleiding bepaald. Zelfs de tijd en plaats waar we geboren heeft invloed op zaken zoals het horen van het evangelie over Jezus Christus. Miljoenen mensen worden al duizenden jaren geboren in afgelegen landen. Toch is het gebruikelijk om mensen te leren dat deze mensen voor altijd zullen worden gemarteld in de hel. Zij proberen de schuld buiten God te houden door de schuld op de mens af te schuiven omdat ze daar niet zijn gaan evangeliseren. Dit vermindert het probleem, maar het lost het niet op. Zelfs al zou de Kerk uit de eerste eeuw voor 100% succesvol zijn geweest in hun Grote Commissie, dan nog waren er miljoenen mensen gestorven zonder Christus. Hun enige overtreding was dat zij niet geboren waren binnen een Israëlitisch gezin dat de God van de Bijbel aanbad.

Om zo iemand te beschuldigen omdat hij de ware God niet kent is onrechtvaardig. Hoe kan iemand nou zeggen dat deze persoon God vanuit zijn ‘eigen vrije wil’ heeft verworpen, als hij niet eens zijn eigen ouders, nationaliteit of religieuze omgeving heeft gekozen? Als gevolg daarvan spreken velen over de vrije wil als een illusie. We kunnen niet aan het feit ontkomen dat onze wil direct is gedwongen sinds onze geboorte door onze ouders, docenten en overheid. De dwang begon al indirect vóór onze geboorte toen God voorbestemde wanneer we geboren zouden worden, met welke ouders, in welk land en in wat voor religieuze, culturele en juridische omgeving.

Al deze dwang is uitgevoerd door een autoriteit of de illusie van een autoriteit. In wezen is autoriteit zelf ook gedwongen; hoe meer autoriteit iemand heeft, hoe meer ‘vrije wil’ hij schijnt te hebben, waardoor hij invloedrijker is om anderen hun vrije wil in te perken door middel van dwingende wetten en eisen. Dwang op zichzelf is niet slecht; het bestaat nu eenmaal en het kan gebruikt worden voor zowel goed als kwaad. Omdat God in feite alle heerschappij over de aarde had gegeven aan de mens in Genesis 1:26, moet dit wel ‘zeer goed’ zijn (Gen. 1:31). Wat we ons moeten realiseren is dat er niet zoiets bestaat als absolute vrije wil zolang de mens heerschappij uitoefent op aarde. Maar tegelijkertijd moeten we ook erkennen dat de heerschappij van de mens de harde realiteit is en dat hoe meer autoriteit iemand heeft, hoe meer ‘vrije’ wil hij lijkt te hebben.

De Koning van Babylon was ooit van mening dat zijn wil boven die van anderen stond en dat hij in feite soeverein was op aarde. Geen mens had autoriteit boven hem; niemand kon hem dwingen; hij maakte de wetten en stond hier dus boven met autoriteit. Het leek erop dat zijn wil totale vrijheid benaderde. Maar toen bemoeide God zich ermee en demonstreerde aan hem en de wereld dat zelfs de aardse ‘koning der koningen’ de soevereiniteit van God moet erkennen (Daniël 4). Paulus verwoordt het als volgt in Romeinen 13:1:

Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld.

We hebben al eerder gezien dat de climax van de geschiedenis pas zal plaatsvinden als Jezus Zijn regering uitbreid tot in het hele universum en als Hij alle vijanden heeft onderworpen. Alleen dan zal Hij het Geschapen Koninkrijk teruggeven aan Zijn Vader (1 Kor. 15:24–28) in de oorspronkelijke staat.

Wij zullen deze kwestie over aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid behandelen in het volgende hoofdstuk als we zo ver zijn dat we dit volledig kunnen uitleggen. Laat ons ondertussen het feit vaststellen dat soevereiniteit, de ultieme dunamis, behoort tot God in de hemel, terwijl autoriteit, exousia, behoort tot de mens hier op aarde. Beide zijn aan het werk; beide zijn reëel; maar ze reëel op verschillende gronden van bestaan. Deze verschillende realiteiten zijn ook beschreven door twee andere Griekse woorden waarmee Gods wil (verlangen) en Gods overkoepelende plan of blauwdruk voor de geschiedenis, wordt aangeduid.

Gods wil (thelema) en Gods plan (boulema)

De wil van God is in zekere zin onderschikt aan Zijn plan of zijn blauwdruk voor de geschiedenis. De volgende Griekse woorden beschrijven dit in het Nieuwe Testament, namelijk thelema (‘wil’) en boulema (‘plan’).

Het woord thelema wordt zo’n 60 keer gebruikt in het Nieuwe Testament. Het wordt meestal vertaald als ‘wil’. In zekere zin geeft het de wil weer als verlangen of wens. Echter, het woord boulema verwijst naar een oplossing. Het gaat verder dan een louter verlangen. Het geeft het eigenlijke plan, de intentie of de uitwerking van de wil weer.

We nemen Handelingen 27:43 als voorbeeld waar Paulus als gevangene naar Rome gaat. Er stak een storm op en het schip liep vast op een rif. De soldaten wilden de gevangenen doden om te voorkomen dat ze zouden ontsnappen.

Maar de centurio, die wilde dat Paulus in leven bleef, verijdelde hun plan (boulema) en gaf bevel dat eerst degenen die konden zwemmen overboord moesten springen om aan land te gaan

De centurio had, gelukkig voor Paulus, het verlangen om Paulus te redden. Hij had ook de macht om hiervoor de opdracht te geven en zijn plan (boulema) uit te voeren. Dit duidt op meer dan een verlangen alleen om het leven van Paulus te redden. Hij voerde dit uit als deel van zijn plan. De tweede passage waar boulema in wordt gebruikt is nog duidelijker, want we hebben deze passage al aangehaald met betrekking tot Farao, Romeinen 9:19:

19 Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil (boulema, plan, intentie)?’

Zoals u ziet wordt de wil (het verlangen) van God uitgedrukt in de verklaring van Mozes: “Laat Mijn volk gaan.” Farao was in staat om Gods thelema wil of verlangen te weerstaan. Het verhaal over Farao maakt dit duidelijk. Maar er was een boulema plan of bedoeling waar Farao niets vanaf wist en dit kon hij niet weerstaan, want dit was volgens de geest van God en niet volgens de wil van de mens. Het was gebonden aan de soevereiniteit van God en niet aan het gezag van de mens. En dit plan komt perfect tot uitdrukking in vers 17, waar Paulus citeert uit Exodus 9:16:

16 Maar ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.

Het was Gods wil dat Farao Israël liet gaan. Maar het was ook Gods plan dat Farao Zijn wil zou weerstaan. Zodoende verharde God Farao’s hart om Zijn plan uit te voeren. Dit lijkt misschien op een vreselijke tegenspraak. Waarom zou God Zijn eigen oppositie scheppen en het hart van Farao verharden waardoor hij Gods wil kon weerstaan? Het is net zoals de tegenspraak bij de twee verbonden. Het Abrahamitisch verbond gaf de mens de erfenis op grond van een onvoorwaardelijke belofte, terwijl het Mozaitisch verbond het juist voorwaardelijk maakt. Dit is niet tegengesteld, maar meer een paradox, zoals we zagen in hoofdstuk acht.

Als gevolg daarvan wordt de mens alleen geoordeeld op het niveau van zijn gehoorzaamheid aan de thelema van God, want dit is het niveau van zijn gezag. God neemt de volledige verantwoordelijkheid voor alles wat Hij doet volgens Zijn boulema plan. En omdat de boulema van God een oerkracht is dat direct het vermogen van de mens bepaald en omdat het ook het verlangen werkt om Gods thelema te gehoorzamen houdt God Zichzelf uiteindelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor de acties en de redding van Zijn schepping. Dit is één van de redenen waarom Hij naar de aarde kwam om Zelf de straf op de zonde te betalen. Wij zullen later hier verder op in gaan.

De paradox van de ziel en geest

De vraag of de wil van de mens vrij is of dat het ‘lot’ voorvallen bepaald is al duizenden jaren een punt van debat. Perzië, Griekenland en Judea hadden allemaal verschillende ‘coupures’ die zowel uitersten als de middenweg weergaven. In Judea waren het de Sadduceeën die de geestenwereld ontkenden (Hand. 23:8) en geloofden in totale vrije wil. De Essenen geloofden dat alle dingen waren voorbestemd door God en zij ontkende elke vorm van vrije wil. De Farizeeën stonden in het midden, zij geloofden van beide opvattingen een beetje.

Op deze manier probeerden de Farizeeën de twee uitersten af te zwakken. Voorbestemming werd louter opgevat als voorkennis en vrije wil werd beperkt door Gods mogelijkheid om te allen tijde in te grijpen. Hierdoor zorgden ze er voor dat het probleem wat minder op de voorgrond kwam, maar dit ging wel ten koste van zowel de voorbestemming als de vrije wil.

Het grootste probleem vanuit christelijk oogpunt is dat het lijkt of de Bijbel alle drie de opvatting leert. Paulus gebruikt duidelijk de term ‘verkiezing’ (voorbestemming) en legt dit ook volledig uit in Romeinen 9. Maar ook legt hij uit dat de mens verantwoordelijk en aansprakelijk is voor zijn eigen zonden in een eonian (‘tijdperk-gedurend’) oordeel.

Paulus had de nogal zure filosofie van de Stoïcijnen bestudeerd, zij leerden het ‘lot’; hij had de ‘vriendelijke’ filosofie van de Epicurijnen geleerd, zij leerden totale vrije wil; en hij had de Farizese leer geleerd, zij leerden voorkennis. Hij kende al hun argumenten en dit dwong hem om de Bijbelse kijk op deze zaken in helder daglicht te stellen. De controverse bestond nauwelijks toen het Oude Testament werd opgetekend.

De Bijbel spreekt over de keus die de mens heeft om God wel of niet te dienen. De vraag is niet of de mens een keus heeft, maar of God deze keus al heeft voorbestemd. De vraag is niet of de mens wel of geen wil heeft, maar of God dit totaal vrij laat of dat Hij dit dwingt door de omstandigheden die buiten zijn controle zijn. Het is algemeen bekend dat wanneer de mens een zeer intelligente manipulator is, hij zeer gemakkelijk van te voren de keuzes kan maken voor degenen die minder intelligent of zwak begaafd zijn. God is het ultieme Intellect, Hij heeft de uiteindelijke bevoegdheid (macht) om de schepping tot het beoogde einde te brengen. God had onmiddellijk met gemak de hele mensheid tot Zich kunnen laten bekeren, als Hij hiervoor had gekozen. Een paar eenvoudige demonstraties van macht zou hiervoor genoeg zijn.

Maar Hij heeft ervoor gekozen om het op een moeilijkere manier te doen, want hoe groter de uitdaging, hoe groter de glorie. Hij heeft ervoor gekozen om de wereld in te winnen door Zijn liefde, in plaats van door Zijn grote macht. Dit zou natuurlijk langer duren, maar in de loop van de geschiedenis zou de mens Zijn liefde beantwoorden door wederliefde. Ze zagen namelijk dat Zijn liefde tot openbaring kwam bij Zijn mensen, Zijn volk. Religies hebben de neiging om de mens te bekeren door angst. God bekeert mensen door liefde.

De autoriteit die God heeft gegeven aan de mens op aarde wordt beperkt door Gods soevereiniteit. Soevereiniteit is een uit zichzelf afgeleide macht, autoriteit wordt gegeven door een hogere macht en wordt daarom beperkt en onderworpen aan die macht. De mens heeft geen soevereiniteit. Daarom is zijn autoriteit beperkt en is ook zijn aansprakelijkheid voor zijn daden beperkt volgens zijn niveau van autoriteit.

God tuchtigt de mens en oordeelt hem volgens hun niveau van autoriteit. God houdt Zichzelf aansprakelijk in de breedste zin van het woord, want Hij alleen is soeverein. Als Schepper is Hij ultiem aansprakelijk voor Zijn schepping en hun daden. Daarom had God van te voren in Zijn plan al bepaald dat Jezus Christus zou komen om te sterven voor de zonden in de wereld. God stelde Zichzelf aansprakelijk voor onze zonden en de zonden van de hele wereld.

In ons dagelijks leven moeten we handelen alsof we totale vrije wil hebben. En toch, als we de Geest van God gaan begrijpen, gaan we in alle dingen God zien. De echte vraag is de vraag over de aansprakelijkheid voor zonde bij het grote oordeel. Onze aansprakelijkheid wordt beperkt door het beperkte karakter van onze autoriteit. Alleen onbeperkte autoriteit kan worden geoordeeld door onbeperkte aansprakelijkheid. Dit is de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God. Wat in Eden begon zal eindigen bij de Grote Witte Troon.

HOOFDSTUK 12

Waarom de concilies het onderwijs over het herstel veroordeelde

De Achanleer heeft de Kerk al vanaf de zesde eeuw lastig gevallen, toen de Raad van Kerken degenen begon te veroordelen die geloofden in het herstel van alle dingen. De leer van de eeuwige marteling van zondaars werd, zeker tijdens de eerste paar eeuwen, door de minderheid van het christendom geloofd. Toch ontstond deze leer vrij snel binnen de Latijnse tak van de Kerk. Een christelijke leider die deze leer klaarblijkelijk geloofde was de verbitterde Latijnse oudvader Tertullian. In 203 n.Chr. schreef hij het volgende:

“Hoe zou ik bewonderen, hoe zou ik lachen, hoe zou ik blij zijn, hoe zou ik juichen, wanneer ik zoveel koningen… zie kreunen in de laagste afgrond van de duisternis, zoveel magistraten die de naam van de Heer vervolgden, smeltende in de vurige vlammen…, zoveel blozende filosofen in het razende vuur." (de Spectaculis, 30)

Dank God dat de meeste mensen die zelfs de leer van de eeuwige marteling hebben geleerd zulke dingen nooit zouden zeggen. De meeste mensen zijn simpelweg het slachtoffer van theologen uit de Kerk, die zelf het slachtoffer zijn van een lange opeenvolging van predikanten die ‘eeuwige marteling’ onderwezen. Geschriften van dergelijke theologen kunnen alleen voortkomen wanneer ze vol ‘zijn van bittere gal’ (Hand. 8:23, SV). Volgens de Concordantie van Strong komt het woord ‘gal’ eigenlijk van de papaverplant. Alsem is opium dat afkomstig is van de papaver. Jezus weigerde dit zelfs te drinken aan het kruis (Matteüs 27:34) om ons te leren geen bitterheid in ons hart te koesteren, ongeacht onze omstandigheden. Bitterheid drogeert de geest en belet ons de geest van Christus aan te doen. Het weerhoudt ons om de wet van het Jubeljaar te begrijpen, hetgeen noodzakelijk is om de eerste opstanding te beërven.

De Romeinse overheid vervolgde vaak de eerste christenen. Velen werden gemarteld, gedood, en ter vermaak aan de leeuwen gevoerd. De meeste christenen van de vroege Kerk keken naar het voorbeeld van Jezus in Zijn ‘lamachtige’ houding ten opzichte van hun vervolgers. Sommige van hen, echter, werden bitter. Tertullianus, zojuist geciteerd, verheugde zich in de gedachte dat er een dag zou komen waarin God Zijn tegenstanders zou martelen, zodat ze hun verdiende loon zouden ontvangen. Hij bezat niet de geest van Christus. Hij kende niet de kracht van vergeving en liefde. In Zijn beroemde Bergrede zei Jezus in Matteüs 5,

43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

Wanneer Jezus spreekt over ‘kinderen’ is dit Hebreeuws jargon. Het Hebreeuwse idioom in dit geval betekent dat ‘kinderen’ diegenen zijn die hun vaders imiteren. Kinderen van Abraham zijn diegenen, die zijn geloof imiteren. Kinderen van de hemelse Vader zijn diegenen die ook goed doen ten opzichte van hun vijanden, zoals ook God regen en zonneschijn laat komen over zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen. Dit is Gods karakter wat verweven zit in Zijn genen, die Hij graag wil doorgeven aan Zijn kinderen.

En ja, natuurlijk betekent het dat de rechtvaardigen altijd zullen worden benadeeld in de wereld. Hebben de wolven niet altijd een natuurlijk voordeel ten opzichte van de schapen? Iemand schreef ooit een gedicht, afgeleid van Jezus’ woorden die we zojuist aanhaalden:

De regen? Het regende elke dag

Zowel op de rechtvaardige en de onrechtvaardige

Maar net iets meer op de rechtvaardige

Want de onrechtvaardige had de paraplu van de rechtvaardige

Wat droge humeur kan vaak de scherpte wegnemen van onze natuurlijke achtergesteldheid. De Achanleer berispt God voor Zijn houding ten opzichte van Zijn vijanden. Degenen met de geest van Achan zouden juichen in de totale vernietiging van de zondaars of in hun eeuwige marteling.

Deze vleselijke houding kwam de christenen uit het verleden, die geloofden in het herstel van alle dingen, vreemd over. Mannen zoals Gregorius van Nyssa, beter bekend als ‘de man die met Christus vervuld was’ (De Vaders van de Oosterse Kerk, p. 169). Zijn kijk op 1 Kor. 15:28 is schitterend. Men hoeft alleen maar de geschriften van de vroege Kerk te bestuderen om een enorm verschil in houding waar te nemen tussen de aanhangers van de leer van herstel en de kampioenen van de eeuwige straf die hen aanvochten.

Wolven in de kerk

Het zou naïef zijn om te stellen dat iedereen die de leer van herstel beleed goddelijk was, terwijl alle aanhangers van de eeuwige marteling een stelletje schurken waren. Bij het lezen van de kerkgeschiedenis is het eigenlijk verrassend eenvoudig om de wolven van de schapen te onderscheiden door naar de wandel van hun leven te kijken. Jezus zei: "Aan hun vruchten zul je hen herkennen” (Mat. 7:16).

Zowel de leiders van de schapen als de leiders van de wolven waren vanzelfsprekend zeer intelligent, goed opgeleid, en wetenschappelijk. Sommige waren echter werkelijk gevuld met de liefde van God tegenover hun medemens en manifesteerden al de vruchten van de Geest in hun karakter. Enkele mannen met deze eigenschappen waren Clement van Alexandrië, Origenes, Gregorius van Nazianze, Gregorius van Nyssa, en Theodorus van Mopsuestia. Deze leerden allen het herstel van alle dingen.

Aan de andere kant waren er ook een paar grote Kerkleiders die meer leken op roofzuchtige wolven, sarcastisch bijtend en bitter, zoals Tertullianus, waarvan de giftige pen droop van bittere welsprekendheid. Anderen waren net zo slecht. De historici aarzelen niet om Hieronymus en Theophilus van Alexandrië als andere voorbeelden van dergelijke Kerkleiders te noemen.

Hieronymus sneed zijn leerstellige opvattingen op maat in overeenstemming met de orthodoxe versie van Rome. Er wordt gezegd dat zijn verlangen naar erkenning van zijn geleerdheid het enige was dat hem dreef. Toen hij geconfronteerd werd met de vraag omtrent het arianisme schreef hij een brief aan de bisschop in Rome met de vraag welke houding hij moest aannemen, in plaats van dat hij zelf naar een antwoord zocht in de Schriften. Zijn houding leek op die van een moderne advocaat, wiens taak het is om een cliënt te verdedigen ongeacht zijn schuld of onschuld. Hieronymus was één van de voornaamste geleerden van zijn tijd, maar hij koos ervoor zijn geleerdheid te gebruiken om als een advocaat betaald te krijgen om de belangen van zijn cliënt te verdedigen, hij gebruikte zijn kennis niet voor het zoeken naar de Waarheid.

Historici beschrijven Theophilus van Alexandrië als een ‘man zonder principes’ met een ‘valse geest’ die niet aarzelde om valse beschuldigingen te maken om zo zijn politieke agenda uit te voeren. Vele jaren geloofde en leerde Theophilus dat alle mensen uiteindelijk gered zouden worden. Dit werd ook vanaf het begin door al zijn voorgangers in Alexandrië onderwezen. Maar op een zekere dag werd Theophilus met een kwestie geconfronteerd waarop hij een verhandeling schrijft, geheel in overeenstemming met Origenes, dat God een Geest is en geen lichamelijke vorm heeft. De ‘sceptische’ monniken van Egypte, die het hevig oneens waren met deze stelling, confronteerde hem daarmee, waarop Theophilus zich plotseling conformeerde met de leerstellingen van deze monniken.

Op een later moment doneerde een rijke weduwe een groot bedrag aan Isidorus, de opzichter van het hofje van de kerk in Alexandrië, onder voorwaarde dat Theophilus het niet te weten zou komen. Ze was bekend met het misbruik van de fondsen door Theophilus. Ze wilden dat deze middelen zou worden gebruikt om arme vrouwen te voorzien van kleding, niet voor het realiseren van verheven bouwprojecten. Theophilus hoorde van deze beschuldiging en ontplofte van woede. Hij verbande Isidorus door het aanvoeren van valse beschuldigingen aan zijn adres.

Het geval was dat Isidorus een groot bewonderaar was van Origenes. Om Isidorus een hak te zetten riep Theophilus een synode van een paar trouwe bisschoppen bij elkaar, veroordeelde Origenes tot een ketter en verbood iedereen voortaan zijn werken te lezen. Toen een groep van 300 monniken uit Nitra weigerden zich te berusten in de veroordeling van Origenes stuurde Theophilus vervolgens gewapende mannen naar deze monniken om hen aan te vallen en te doden. Tachtig van deze monniken ontsnapten echter en vluchten naar Constantinopel. Zij deden daar een beroep op de bisschop, Johannes Chrysostomus, die bekend stond om zijn grote mate van integriteit. Johannes was geschokt na het horen van de zaak en schaarde zich ondubbelzinnig achter de monniken. Theophilus beschuldigde vervolgens Johannes valselijk en stuurde hem na zijn afzetting in ballingschap. Deze beschuldigingen werden vrolijk in het Latijn vertaald door Hieronymus, die volgens historicus Hans von Campenhausen ‘al het gevoel voor fatsoen en waarheidsgetrouw verloren had’ (De vaders van de Latijnse Kerk, p. 178).

Deze controverse wekte ook in Rome de argwaan tegen Origenes, vooral wanneer er een nieuwe Romeinse bisschop werd gekozen met de steun van de vrienden van Hieronymus. Origenes werd dus tegengewerkt door de nieuwe bisschop en door het Westen in het algemeen. En zo werd Origenes, een man van integriteit, liefde en vriendelijkheid, belasterd en vervloekt door de minderwaardige mensen, wolven in schaapskleren. En waarom? NIET vanwege zijn onderwijs op het gebied van het herstel van alle, maar omdat hij geloofde dat God een Geest is (Johannes 4:24). Dit werd later de reden van de Kerk om Origenes te veroordelen en de leer van eeuwige marteling te legitimeren.

De Achanleer kreeg dus een orthodoxe positie in de Kerk. Toch zou het nog 150 jaar duren voordat er voldoende bisschoppen waren in de kerkelijke concilie om de leer van herstel te veroordelen.

De kerkelijke concilies veroordelen Origenes

Origenes werd uiteindelijk veroordeeld in de Vijfde Algemene Raad in 553 n.Chr., deze werd slechts bezocht door 148 bisschoppen. Er is hierbij niets specifiek gezegd over Origenes overtuigingen met betrekking tot de redding van alle mensen. Dit werd overgelaten aan de keizer Justinianus (527-565 n.Chr.), die Origenes wel veroordeelde voor het geloof in het herstel van alle dingen. Hij deed dit met name in Anathema IX,

"Wanneer iemand zegt of denkt dat de straf van demonen en van goddeloze mensen slechts tijdelijk is, en er een laatste dag zal zijn, en dat er een herstel zal plaatsvinden van demonen en goddeloze mensen, laat hem verdoemd zijn (anathema).”

De Concilie zelf heeft vijftien anathema’s nader uitgewerkt tegen Origenes, maar geen van deze heeft zijn leer veroordeeld dat alle mensen gered zouden worden. In feite hebben zij ook niets gezegd over het geloof van Origenes dat ook zelfs de demonen uiteindelijk hersteld zouden worden. Dit is vooral opvallend, aangezien de keizer dit zelf wel had gedaan, en de Concilie is zeker onder druk gezet om zijn voorbeeld te volgen. Ironisch genoeg heeft dezelfde Concilie in Sessie 1 beweerd om ‘in ieder opzicht’ de geschriften van de twee Gregoriusen te volgen, die leerden dat alle mensen gered zouden worden.

“Wij verklaren voorts dat wij vasthouden aan de decreten van de vier Raden, en in ieder opzicht de heilige Vaders te volgen: Athanasius, Hilary, Basilius, Gregorius de Theoloog, Gregorius van Nyassa, Ambrosius, Theophilus, Johannes (Chrysostomus) van Constantinopel, Cyril, Augustinus, Proclus, Leo, en hun geschriften over het ware geloof.”

In het boek van Donald Attwater, ‘Heiligen van het Oosten’, schrijft hij op pagina xvii over deze vroege Kerkleiders en hun overtuigingen:

"Origenes en Gregorius van Nyassa en vele anderen onder de Oosterse vaders geloofden dat Hij kwam om alle geestelijke wezens te redden, niet alleen mensen. Hij heeft niet Zijn bloed op de aarde in Jeruzalem vergoten voor de zonde alleen. Hij bood Zichzelf aan als een geschenk aan het hoge altaar van de hemel om zowel de engelen als het gehele universum te redden, waarvan dit hoekje van de aarde het kleinste deel is.

In het boek van Robert Payne, Vader van de Oosterse Kerk, p. 145 en 146, bevestigt hij met meer duidelijkheid de zaken die Gregorius en anderen leerden:

"Zoals altijd viert, Gregorius [van Nyassa], de grandeur en de adel van de mensheid, met zo’n liefdadigheid dat hij zichzelf kan brengen tot het geloof dat zelfs de Prins van de Duisternis weer zou worden hersteld naar zijn voormalige positie, naast de troon van God. Voor zowel Gregorius, als voor Origenes, bestaat er een universele redding."

Het is dus duidelijk dat de vijfde Concilie in 543 n.Chr. begreep wat zij veroordeelde. Toch lijken ze nogal selectief te zijn geweest in hun veroordelingen om wel Origenes en Theodorus te verbannen, maar niet Clement van Alexandrië, Gregorius van Nyassa of Gregorius van Nazianze. Al deze vroegere kerkelijke concilies (vanaf 325 n.Chr.) hielden zich voornamelijk bezig met de vragen over de aard van God en van Christus, in plaats van het uiteindelijke lot van de ongelovige zondaars. Als een gemiddelde christen vandaag de dag de dossiers van die Raden zou lezen, zou het op hem overkomen als muggenziften over onderwerpen die in de praktijk geen enkele invloed hebben op het christelijke leven. Terwijl Origenes en al zijn geschriften in de ban werden gedaan, behandelen de desbetreffende leerstellingen minder belangrijkere vraagstukken dan die over de redding van alle mensen en alle engelen.

In Canon 1 van de zevende Concilie in 692 n.Chr., gehouden in de stad van Trullo, heeft de Raad de beslissing van de Vijfde Concilie (boven) tegen Origenes bevestigd. Dit lezen we in de toelichting van Aristenus op de Raad in het boek, Niceense and Post-Niceense Vaders, Vol. XIV, blz. 361’,

"De vijfde [concilie] werd gehouden in de tijd van Justinianus de Grote in Constantinopel tegen de gekken Origenes, Evagrius en Didymus, die Griekse verzinsels verbouwd zouden hebben, en domweg zeiden dat dezelfde lichamen waarmee ze gekleed waren niet opnieuw zouden opstaan, dat het Paradijs niet onderworpen was aan de waardering van de betekenis, en dat dit ook niet van God uit ging, dat Adam niet in het vlees geformeerd was dat, en dat er een einde zou komen aan de bestraffing, en er een terugbetaling zou zijn voor de duivelen voor hun voormalige posities en nog vele andere krankzinnige godslasteringen.”

Het lijkt erop dat hun grootste zorg is dat ook de demonen en duivelen hersteld zullen worden. Het is jammer dat niemand, inclusief Origenes en anderen, een onderscheid maakte tussen de mens en Satanische wezens met betrekking tot het herstel van alle dingen. Men kan geloven in het herstel van alle mensen zonder te geloven in het herstel van de ‘duivelen’. Dit zijn echt verschillende zaken, maar niemand in die dagen leek echt het verschil te weten tussen verzoening, opstanding, redding (verlossing) en rechtvaardiging.

Onderscheid in terminologie

Rechtvaardiging is een juridische term dat van toepassing is op zondaren. Zondaren moeten voor de wet worden gerechtvaardigd.

Verzoening is een term die van toepassing is op vijanden. Vijanden moeten met elkaar worden verzoend.

Verlossing / redding is een brede term die vaak vertaald wordt met ‘bevrijding’ en is over het algemeen nodig voor diegene die in direct gevaar verkeren. Het woord voert ook de betekenis van ‘gezondheid’ of ‘welzijn’ en duidt op bevrijding van het gevaar om te sterven vanwege een ziekte of een sterfelijke gesteldheid.

Opstanding is iets wat de dood nodig heeft.

Hoewel deze termen nauw aan elkaar gerelateerd zijn, gebruikt Paulus de termen zorgvuldig. Een zeer goed voorbeeld waarin de terminologie van Paulus naar voren komt, kunnen we lezen in Romeinen 5:9 en 10, waar we het volgende lezen,

9 Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld. 10 Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven.

Nogmaals, maar nu de Statenvertaling,

9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.

Merk op dat het bloed van Jezus (SV), ons als zondaren rechtvaardigt, want Zijn bloed heeft de prijs voor onze zonden betaald en voldoet daarmee aan de eisen van de wet. Als vijanden zijn we dan, door Zijn dood, met God verzoent. Tot slot worden wij dan ‘gered en niet veroordeeld’ door Diens leven. We worden gered (behouden) van de toorn van God, dit wil zeggen, het oordeel over de zonde met uiteindelijk de doodstraf (Gen. 2:17; Rom. 6:23). We zijn gered van die straf van de zonde door de opstanding van Jezus. Al deze concepten werken harmonieus in ons leven, maar hebben verschillende functies.

Hoe zit het dan met satan?

Romeinen 5:18 spreekt van de rechtvaardiging van ‘ALLEN’ (‘ALLE MENSEN’, SV), maar zegt niets over Satan die wordt gerechtvaardigd. Het idee dat Satan ooit zou worden ‘gerechtvaardigd’ is vreemd aan de Schrift. 1 Johannes 2:2 zegt dat het bloed van Jezus verzoening brengt voor de zonden van de hele wereld, maar het is duidelijk dat Johannes sprak van de bewoonde wereld van ‘alle mensen’, niet van Satan en demonische wezens. Daarom wordt het bloed van Jezus nooit toegepast op Satan.

1 Timoteüs 4:10 zegt dat God de Redder is van ‘alle MENSEN’. Eveneens wordt hier niets gezegd over engelen of geestelijke wezens. Zoals we eerder zagen heeft verlossing betrekking op degenen die in doodsgevaar, ‘de toorn van God’, verkeren. Vanwege rechtvaardiging door het bloed van Jezus worden wij gered door Zijn opstanding tot het leven. Omdat redding gebaseerd is op de rechtvaardigmaking door Zijn bloed, kunnen we ook niet zeggen dat Satan ooit ‘gered’ zal worden.

Ook vertellen de Schriften ons nergens van een opstanding van Satan.

Pas in Kolossenzen 1:16–20 lezen we dat de apostel spreekt van de verzoening van ‘ALLE DINGEN’ (SV) die geschapen zijn, zowel alles op aarde en alles in de hemel. We lezen nergens dat Paulus ons vertelt dat het geschapen universum zal worden ‘gered’ of ‘gerechtvaardigd’. Het wordt altijd ‘verzoend’. Verzoening spreekt altijd over vijanden, dit zijn zij die tegenover elkaar staan. De term ‘Satan’ betekent letterlijk Tegenstander, hetgeen vrijwel een synoniem is voor ‘Vijand’. Toen Paulus schreef dat ‘ta panta’, ‘HET AL’ met God verzoend zou worden, of het nu wezens in de hemel of op de aarde zijn, lijkt het vanzelfsprekend dat Hij sprak van zowel de hemelse als de aardse wezens. Satan en mensen worden in de Bijbel afgebeeld als tegenstanders van God, totdat de verzoening met Hem heeft plaatsgevonden. Voor de mens hoort hier rechtvaardiging bij, voor Satan niet. Daarom is de verzoening van alle dingen in de hemel een andere weg dan de verzoening met alle mensen op aarde.

In het algemeen geloofde men in de vroege Kerk dat Satan en zijn trawanten gevallen engelen waren, die oorspronkelijk aan God onderworpen waren. Vandaag de dag zijn er mensen die verschillende mogelijkheden aan het onderzoeken zijn. Sommigen zeggen dat Satan slechts een personificatie is van de gevallen natuur van de mens en de werken van het vlees. Anderen zeggen dat Satan inderdaad een aparte spirituele entiteit is, maar dat Satan vanaf het begin geschapen is om de tegenstander van God te zijn.

1 Johannes 3:8 zegt dat hij (de duivel) vanaf het begin heeft gezondigd en Johannes 8:44 zegt dat hij vanaf het begin een moordenaar is. We weten ook uit Jesaja 45:7 dat God het kwaad (onheil) schept. Jesaja 45 is het grote hoofdstuk over de soevereiniteit van God en dit omvat het bewijs dat het kwaad niet buiten Gods controle omgaat. God gebruikt natuurlijk het kwaad voor het goede doel, omdat wij weten dat alle dingen bijdragen aan het goede. Daarom moeten wij God danken onder ALLE omstandigheden (1 Tess. 5:18) en niet alleen voor de ‘goede’ dingen.

Judas 1 spreekt van engelen die hun eerste woonstede verlaten hebben. Dit spreekt van de situatie in Genesis 6:1–4 in aanloop naar de zondvloed en gaat dus niet over de val van de engelen vóór de schepping van Adam.

6 Denk ook aan de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten: tot het oordeel op de grote dag houdt hij hen met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen.

Dit verwijst naar degenen die zich klaarblijkelijk vermengd hebben met de dochters van mensen, waardoor ze reuzen voortbrachten, zoals we kunnen lezen in Genesis 6.

In Ezechiël 28 staat de meest bekende passage die gebruikt wordt om uit te leggen dat Satan oorspronkelijk een goede en krachtige engel was. Toch spreekt deze passage over de ‘de vorst van Tyrus’, waarvan specifiek gezegd wordt dat het een MAN is.

2 ‘Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: “Dit zegt God, de HEER: Je bent hoogmoedig geworden, je hebt gezegd: ‘Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in zee.’ Je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens (awdawm, ‘ADAM’, oftewel ‘mens’) bent, en geen god.

Vanaf vers 12 en verder spreekt de profeet over ‘de koning van Tyrus’ in termen die lijken te verwijzen naar een situatie in de tuin van Eden. De verzen 13–15 (SV) vertellen ons,

13 Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardónixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. 14 Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. 15 Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.

Hoewel dit voor lange tijd in het algemeen is aanvaard dat deze passage naar Satan verwijst, verwijst het eigenlijk naar een vergelijking tussen de koning van Tyrus en Adam in de tuin van Eden. Adam was volmaakt op de dag toen hij gemaakt werd. Hij wandelde met God op de heilige berg (koninkrijk) en tussen de ‘vurige stenen’. Met andere woorden, Adam had volledige toegang tot de aanwezigheid van God en al Zijn glorie.

God had ook Adam de heerschappij over de hele aarde gegeven – vandaar dat hij de ‘gezalfde, overdekkende cherub’ was. Een cherub hoeft niet perse een engelachtig wezen te zijn. Adam was een cherub in zijn ongerepte staat voorafgaand aan zijn val. Hoewel hij geschapen is met een fysiek lichaam, was dat lichaam niet onderworpen aan de beperkingen van het vlees, voorafgaande aan zijn val. Zijn lichaam was als het lichaam van Jezus na zijn opstanding. Ik geloof dat Adam oorspronkelijk de mogelijkheid had zich vrij te bewegen tussen hemel en aarde, of tussen de spirituele en aardse dimensie.

Een ander punt om te overdenken is de vraag of engelen een vrije wil hebben. De enige manier waarop Satan een gevallen engel kan zijn, is wanneer hij een onafhankelijke entiteit met een vrije wil is, die in mogelijkheid was om te rebelleren tegen God. Als Satan echt op deze wijze kon rebelleren tegen God, dan moeten we ons afvragen waarom Hij engelen zou scheppen met de mogelijkheid om te zondigen en dan niet te voorzien in hun heil, zoals Hij wel deed voor de mensheid. En als de rebellie van de engelen plaats heeft gevonden zonder de voorafgaande kennis van God komt Gods macht en soevereiniteit in het geding.

Het lijkt mij dat de theorie over de gevallen engelen meer problemen creëert dan het oplost. Wanneer we het religieuze denken in de oudheid bestuderen, met name uit de Grieks sprekende wereld, lijkt het erop dat veel mensen proberen uit te leggen hoe een goede God zo’n puinhoop op aarde heeft kunnen creëren. In een poging om God te scheiden van alle verantwoordelijkheid voor het kwaad, was het noodzakelijk om alle kwaad of zondige wezens van een volledige vrije wil te voorzien. Hoewel dit God lijkt te rechtvaardigen gaat het wel ten koste van Zijn soevereiniteit.

De Griekse filosofen geloofden dat de geest goed was en materie kwaad was. Vanuit dit uitgangspunt besloten zij dat een goede God nooit kwade materie kon scheppen. Op deze wijze postuleerde zij een slechte God, genaamd de Demiurg, die de schepper was van materie. Hij was de Satan van andere godsdiensten. Hoewel dit standpunt er in slaagde God te sparen voor elke verantwoordelijkheid voor het kwaad in de wereld, werd hierdoor ook God als Schepper onttroond. En in dit alles hadden zij nog steeds niet het onderliggende probleem opgelost; wie had de Demiurg geschapen?

De Bijbel vertelt ons duidelijk dat God alle dingen heeft gemaakt. In Johannes 1:1 en 2 identificeert de Schepper (Logos) Zich met Jezus Christus, niet met Satan of een fictieve Demiurg. Wanneer God Satan schiep en Satan is het kwaad, dan schiep God het kwaad. Zelfs als God Satan goed schiep, maar hem de vrijheid gaf te vallen, dan houdt de goddelijke wet God nog steeds verantwoordelijk. Dit zullen we aantonen in het volgende hoofdstuk.

En dus ongeacht de ouderdom van het geloof in de gevallen engelen, denk ik niet dat het gerechtvaardigd is. Het lijkt voor mij een overtuiging die meer aansluiting vindt binnen de Griekse cultuur. De vroege Kerkleiders waren niet in staat om te breken met hun culturele denkrichting inzake deze kwestie.

Het ligt buiten de reikwijdte van deze studie om ons verder te verdiepen in de verschillende opvattingen. Maar laten we zeggen dat als Satan een gevallen engel zou zijn, zoals de meerderheid sinds de vroege Kerk gelooft, dan lijkt het gewicht van het bewijs meer richting het standpunt te schuiven dat Satan op een gegeven moment zal worden teruggebracht in zijn oorspronkelijke positie. Aan de andere kant, als Satan geschapen is om vanaf het begin de tegenstander van God te zijn, is er reden om te geloven dat hij zal worden uitgeroeid als hij aan zijn doel heeft voldaan op het moment wanneer alle dingen zijn verzoend. In de tweede eeuw n.Chr. schreef Clement van Alexandrië, de leraar van Origenes en hoofd van de Kerk in Alexandrië, het volgende in zijn commentaar op 1 Johannes 2:2,

“Hij redt inderdaad iedereen, maar sommige redt Hij doordat Hij deze bekeert door te straffen, anderen echter, die Hem vrijwillig volgen, redt Hij met behoud van hun eer, zodat ‘elke knie zich zal buigen voor Hem, zowel de dingen in de hemel, als de dingen op de aarde en de dingen onder de aarde’ – DIT ZIJN ENGELEN EN MENSEN.”

Clement volgde de gemeenschappelijke overtuiging dat Satan en zijn trawanten ‘gevallen engelen’ waren. Daarom betoogde hij dat de enige wezens die ‘in de hemel’ verzoening nodig hadden, de GEVALLEN engelen waren, die op vijandige voet waren met God. Het is uiteraard niet nodig om niet gevallen engelen met God te verzoenen. Clement gaat echter verder dan verzoening door te zeggen dat God hen ‘redt’. Ik zou deze terminologie willen betwisten.

In zijn commentaar citeert Clement de verklaring van Paulus uit Filippenzen 2:10 dat ‘elke knie zich zal buigen’. Hij concludeerde hieruit dat alle mensen en al de gevallen engelen voor God zouden buigen op het moment dat God hen allemaal zal redden. Echter, gezien het feit dat Paulus nergens anders spreekt over gevallen engelen die zullen worden ‘gered’ of ‘gerechtvaardigd’, is de conclusie van Clement gebaseerd op een aanname. Paulus citeerde in dit tekstgedeelte uit Jesaja 45:23, waar God zegt,

23 Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat ik spreek wordt niet herroepen. Voor mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal bij mij zweren. 24 ‘Alleen bij de HEER,’ zal men zeggen, ‘is gerechtigheid en macht te vinden.’ Allen die zich tegen hem keerden zullen tot hem komen en beschaamd staan. 25 Heel het nageslacht van Israël zal bij de HEER recht vinden en zich gelukkig prijzen.

Merk op dat in dezelfde passage heel het nageslacht van Israël zal worden gerechtvaardigd. Het zegt niets waardoor we Satan zouden kunnen rechtvaardigen. Toen Paulus deze passage uit Jesaja citeerde voegde hij als commentaar nog de volgende zinsnede toe, ‘in de hemel, op de aarde en onder de aarde’. Ik betwist natuurlijk niet de geïnspireerde geschriften van Paulus. Ik wil er wel op wijzen dat Paulus de aandacht wilde vestigen op het feit dat elke knie zich zal buigen, waarmee hij zegt dat dit verder gaat dan alleen de rechtvaardiging van heel het nageslacht van Israel (of zelfs van alle mensen). Paulus omvatte in zijn verklaring alle engelen en alle mensen, hetgeen in overeenstemming is met Openbaring 5:13 waar elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde glorie geeft aan God.

Aan de andere kant moeten we ons ook de kritische vraag stellen: Verwijst dit naar elk levend wezen dat ooit geleefd heeft? Zal elke hond, leeuw en mug worden opgewekt om zijn knie te buigen voor God aan het einde van de tijd? Natuurlijk niet, want God zal alleen de mensheid opwekken. In feite lijkt Psalm 22:30 precies te wijzen op het tegenovergestelde met de volgende woorden: “Wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden.”

Vanaf het begin zei God dat Adam onherroepelijk zou sterven wanneer hij zou zondigen. Dit was het oordeel van God en niemand kon en kan ontsnappen aan zijn sterfelijkheid, behalve dan door de voorgeschreven Bijbelse weg in Christus. Psalm 22:29 lijkt te duiden dat de dood de wijze is waarop God alle mensen dwingt zich voor Hem te buigen. Ze buigen hun knieën door de dood. De dood bewijst dat alle mensen aan God onderworpen zijn, ongeacht wat ze doen en ongeacht wat ze van zichzelf geloven. De dood is de laatste troef die het spel van het leven beëindigd.

Paulus grijpt dit thema aan en lijkt te willen herinterpreteren dat het betekent dat alle dingen, in zowel de hemel als op de aarde, hun knieën zullen buigen om God te verheerlijken. Het lijkt niet te gaan over de dood, maar over leven en herstel. En toch leert de Schrift ons duidelijk dat de weg naar het leven door de dood gaat. Ware gelovigen weten dat we dagelijks moeten sterven aan onszelf en dat we ons aan Gods wil moeten onderwerpen. Deze dood betekent te knielen voor God en Zijn Naam verheerlijken. Gelovigen ondergaan deze ‘tweede dood’ in hun leven, terwijl de rest deze ‘tweede dood’ moeten ondergaan in het komende tijdperk. Hoe dan ook, de dood is de enige weg naar het leven. Het vuur van God werkt in ons dagelijks leven wanneer we ons onderwerpen aan de wet en het oordeel van God in het proces van zuivering en heiligmaking.

Dus herinterpreteert Paulus werkelijk Jesaja 45:23, of wil hij ons vertellen dat het einde van dit doodproces het leven betekent. Iedereen zal inderdaad hun knie buigen, maar het herstel van alle dingen zal niet plaatsvinden zonder oordeel of het vuur van God. De dood is het proces waarin het leven wordt verstrekt aan de hele schepping. God zal niet zomaar zeggen: “Mensen zijn nou eenmaal mensen,” om ze vervolgens het leven te geven, ongeacht de wijze waarop ze hun leven op aarde geleefd hebben. Hij zal het leven pas geven nadat elke knie gebogen heeft en beleden heeft dat Jezus Christus is Heer, tot eer van God.

Als dit het geval is hoe zit het dan met engelen of satanische geesten, die geestelijke wezens zijn? Dit is nu ten diepste de onderliggende vraag. Als Satan puur de tegenstander is en zo ook geschapen is vanaf het begin, dan blijkt hieruit dat er niets goeds te vinden is in Satan. Wanneer Satan vervolgens in de poel van vuur geworpen wordt is er geen geestelijk goud in hem dat gezuiverd moet worden. Dit is een duidelijke tegenstelling tot de mensheid. De mens zal worden gezuiverd als het goud en zilver in de oven van kwelling, maar de resulterende redding komt echter wel naar boven, omdat er in de klomp metaal reeds iets van goud of zilver aanwezig was. Al het andere is verbrand, zodat het goede is achtergebleven. In het geval van Satan zou het moeilijk zijn te bewijzen dat er iets goeds in hem is dat het vurige proces zou overleven.

Maar wanneer Satan een gevallen engel zou zijn, dan zou men als argument kunnen aanvoeren dat er iets goed in hem zou zijn, omdat Satan oorspronkelijk goed was. We komen nu dus op het punt aan waar we de betekenis van verzoening moeten bespreken, zoals het gebruikt wordt in de beschrijving van ‘alle dingen’, ‘alles’ in de hemel en op de aarde.

De grenzen van verzoening

Er zijn vele passages waar Paulus spreekt over de verzoening van alles in de hemel en op de aarde. Maar waar Paulus zijn woorden zorgvuldig lijkt te kiezen maakte degene na hem, in de vroege Kerk, geen onderscheid tussen verzoening, verlossing (redding) en rechtvaardiging. Krachtens Filippenzen 2 zullen alle engelen en alle mensen inderdaad hun knieën buigen voor Jezus Christus, omdat vijanden dit nu eenmaal doen wanneer ze volledig verslagen en onderworpen zijn aan God. Elke tong moet immers bekennen dat Hij Heer is. Echter dit zegt ons nog niet precies wat Christus met hen, na deze belijdenis, doen zal.

Wanneer Paulus in de breedste zin de schepping behandelt, zegt hij hierover dat deze met God zal worden verzoend. Dit impliceert dat zij dus momenteel in vijandschap met God verkeert. Dat wil zeggen dat de huidige schepping niet in harmonie is met de natuur en het wezen van God. Het verkeert in een staat van rebellie of opstand. Dit zou dan niet alleen betrekking hebben op de mensheid, maar ook op het land, de zee en zelfs de lucht. Verontreiniging en ongezonde leefomstandigheden zijn niet in pas met het wezen van God. Goddeloze mensen hebben grote delen van de schepping geclaimd voor hun eigen doeleinden en hebben de schepping onderworpen aan hun onrechtvaardige wetten. Maar in het Loofhuttentijdperk zal er een administratieve wijziging plaatsvinden waarbij alles zal worden onderworpen aan het Koninkrijk van God en de wet van Jezus Christus.

De schepping verzoenen houdt in dat de schepping onderworpen moet worden aan de wetten van God. Dit omvat zowel alle levenloze objecten, als ook de dieren, vogels en vissen. Dit betekent NIET dat de dieren, de vogels, de vissen, of rotsen moeten worden gerechtvaardigd of gered. God gaat Zich met hen verzoenen. Satan, demonen, duivels, enz. (hoe iemand ook hun aard wil uitdrukken) zijn ook onderdeel van Gods schepping en zullen worden verzoend, maar nergens wordt ons verteld dat Satan zal worden gerechtvaardigd. Ook wordt hij niet gered.

Enkele jaren geleden stelde een man mij de vraag: "Zullen de insecten worden gered?" Zijn vrouw was geschokt en schaamde zich dat hij een dergelijke domme vraag had gesteld, maar ik behandelde het als een serieuze vraag. Immers, als alle dingen in de hemel en op de aarde met God zullen worden verzoend, betekend dit dan ook dat iedere hond, olifant en mug uit de dood zal worden opgewekt en worden gered? Als men gelooft in het concept van transmigratie van zielen, gewoonlijk ‘reïncarnatie' genoemd, dan zou redding uit te breiden zijn tot honden. Immers met deze zienswijze zijn het slechts ongelukkige zielen die zich in een lagere positie van de spirituele evolutie bevinden.

Hoewel ik deze materie niet geloof, noch geloof dat alle honden zullen worden gered, geloof ik wel dat honden zullen worden verzoend als onderdeel van de schepping. Daarmee wil ik zeggen dat wanneer de schepping met God verzoend zal zijn, er niet langer vijandschap zal zijn tussen Gods schepselen. Jesaja 11:6–9 zegt ons het volgende,

6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. 7 Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro. 8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling, een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang. 9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg. Want kennis van de HEER vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Jesaja schildert ons een beeld van de geheel verzoende schepping. Ongetwijfeld staat het symbool voor mensen, maar ik denk dat het ook een verwijzing is naar de levende dieren op aarde in de tijdperken die nog komen, voorafgaand aan het definitieve Jubeljaar van de schepping. Het blijkt dat in de verzoening God het dieet van roofzuchtige dieren zal veranderen, want leeuwen zullen immers ‘stro eten’. Maar dit betekent niet dat alle leeuwen, die de afgelopen millennia geleefd hebben, uit de doden zullen worden opgewekt en redding zullen ontvangen. Hetzelfde zou dan hopelijk ook gelden voor de muggen en vliegen, omdat anders de aarde letterlijk zou worden overlopen met plagen.

Wanneer God niet gebonden is om dit dode ongedierte uit de dood op te wekken en Zich met deze te verzoenen, dan neem ik aan dat God eenvoudigweg een bepaald aantal dieren, vogels en vissen in de toekomende tijdperken zal houden met als doel, verfraaiing en gezelschap. Het is twijfelachtig of Hij, alle plagen en schadelijke onkruid dat op dit moment groeit, zal behouden. Deze zijn immers het gevolg van de zonde van Adam en de vervloeking van de aarde (Gen 3:17). Evenzo maken plagen en schadelijke bacteriën momenteel een groot deel uit van het dieet van vogels en vissen. Wanneer hun

diëten zijn veranderd, zoals dat van de os en de leeuw, dan kunnen deze schadelijke beestjes misschien helemaal worden afgeschaft. Door de vloek te keren lijkt het erop dat deze schadelijke dieren kunnen worden afgeschaft. Ze kwamen immers op de aarde na de val van de mens. Verzoening van de schepping betekent het opnieuw in harmonie met de Schepper verkeren waarbij de gevolgen van Adams val teniet worden gedaan.

God is niet verplicht om overleden dieren uit de dood op te wekken. Er zijn geen aanwijzingen dat honden en katten, eenmaal dood, ooit zouden worden opgewekt uit de dood, hoewel het misschien denkbaar is dat bepaalde dieren uit de dood zullen opstaan ter wille van het geluk van hun vorige eigenaars. Dit wordt echter niet in de Bijbel gezegd, maar God is een Schepper en van nature een Gever van leven. Hij vindt het heerlijk om Zijn kinderen gelukkig te maken. Er is geen reden om te denken dat God dit niet zou willen of niet zou kunnen. Dit zou echter nog steeds niet aangemerkt kunnen worden als rechtvaardiging of redding, zoals dit in de Bijbel is omschreven. Het is louter speculatie en misschien wel een wensvolle gedachte. Het komt er op neer dat we niet zeker weten wat God zal doen, maar we weten dat het leven gelukkig en harmonieus zal worden.

Zullen er dieren in het Koninkrijk van God zijn gedurende de periode van het herstel van alle dingen? Zeker, want God schiep vanaf het begin alle dingen ‘zeer goed’ en er is geen reden om te denken dat God van gedachten is veranderd. Maar zullen deze dieren onsterfelijk zijn? Het kan het geval zijn dat de leeuw, waarvan het dieet veranderd is in stro, misschien niet onsterfelijk is, ook al is hij met God verzoend. Toch lijkt het mij, wanneer de dood uit het heelal verdwenen is, er in die zin geen dood meer zijn zal.

Voor de mens betekent dit dat allen uit de dood zullen worden opgewekt om nooit meer te sterven. Voor de dieren lijkt het dat deze, die op de aarde leven tijdens de toekomende periode, in leven blijven en niet meer zullen sterven. Waarschijnlijk zullen alle dieren vegetarisch worden en zal hun spijsverteringsstelsel aanzienlijk worden veranderd, waardoor insecten niet langer nodig zijn als onderdeel van de voedselketen. Het is moeilijk om de enorme wijzigingen die zouden moeten plaatsvinden in dit opzicht te bedenken, want we zijn nu bijvoorbeeld gewend aan ons huidige delicate ‘evenwicht van de natuur’. We weten echter ook dat dit geen groot probleem zal zijn voor een soevereine God.

Ook duidelijk is het dat, met betrekking tot de plantenwereld, varens en eikenbomen niet zullen worden opgewekt, gerechtvaardigd of gered. De aarde zou een kale plek zijn zonder beplanting, zodat we kunnen stellen dat het plantaardige leven zal blijven bestaan. Het lijkt erop dat dieren planten zullen eten om te leven. Het moment wanneer de dood is afgeschaft, omvat dus niet het plantenrijk. Planten sterven immers wanneer ze door dieren worden opgegeten. Het herstel van alle dingen betekent ongetwijfeld dat de flora zeer weelderig, voedzaam en absoluut ziektevrij zal zijn.

Het concept van het herstel van alle dingen betekent niet dat de aarde zal worden vernietigd zoals zo velen vandaag prediken. De aarde is met een doel geschapen en aan dat doel zal worden voldaan. Het was bedoeld om het Koninkrijk van God te huisvesten en tevens te dienen als een soort van hoofdkantoor of beginpunt voor het Koninkrijk van God voor het hele universum. Het vuur dat over de aarde komen zal is de doop met de Heilige Geest die de aarde zal reinigen en de hele schepping in harmonie zal brengen met de doelstelling van God. God zal niet falen in Zijn doel met de schepping. Zijn Woord is uit Zijn mond voortgekomen en het zal niet vruchteloos tot Hem terugkeren.

Hoe wordt satan verzoend?

Zodra we de betekenis van verzoening begrijpen en we zien dat dit niet noodzakelijkerwijs opstanding, rechtvaardiging of verlossing omvat, dan moeten we ons afvragen of de vroege Kerk te ver ging in hun overtuiging van universele redding. Paulus zegt over God in 1 Timoteüs 2:4 dat Hij “wil (thelo) dat alle MENSEN worden gered,” maar hij zegt echter niets over honden.

Later in hetzelfde boek vertelt Paulus Timoteüs in 4:10 dat God “de Redder is van alle MENSEN, bovenal van de gelovigen.” 1 Johannes 2:2 zegt dat Hij “verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele WERELD.” Het is duidelijk omschreven in deze en vele andere uitspraken dat redding van toepassing is op de mensheid en de wereld van mensen. De term is nooit toegepast op dieren, rotsen en bomen, noch op Satan en gevallen engelen.

Dit zijn enkele Bijbelse instrumenten waarmee u, als lezer, uw eigen conclusies kunt trekken over het lot van de mensheid. Technisch gezien zegt de Bijbel er niets over, maar wanneer we de mate van verzoening definiëren boven bepaalde grenzen binnen het kader van de Bijbelse context worden we gedwongen om honden en muggen in het plan van redding mee te nemen, samen met Satan en zijn trawanten.

Wat satan, demonen of duivels betreft, geloven wij niet dat het koninkrijk van de duisternis en zonden eeuwig samen met God en Zijn Koninkrijk zal bestaan. Uiteindelijk zal er niets meer zijn dat niet onderworpen is aan Christus. Of God zal Zich met de schepping verzoenen door een einde te maken aan hun bestaan, of Hij zal hen met Zichzelf verzoenen als een deel van de schepping en inzetten op welke wijze Hij goeddunkt. De geschiedenis zal niet eindigen met een universum dat verdeeld is in goed en kwaad, licht en duisternis, God en Satan, hemel en hel. Dit was de visie van het Perzische dualisme, dat overgenomen is door de manicheïstische sekte in de derde en vierde eeuw na Christus.

Helaas was de grote Augustinus acht jaar lang lid van de manicheïstische sekte voorafgaand aan zijn bekering in 386 n.Chr. Hoewel hij het grootste deel van dit geloof had afgezworen is hij nooit van de overtuiging bevrijd dat het goede en het kwade samen eeuwig zouden bestaan en dat God werkelijk de hele schepping met Zichzelf zou verzoenen. Zo zag hij de geschiedenis eindigen met een mensheid verdeeld in de hemel of de hel. In essentie verwierp hij de waarheid die duidelijk in Hebreeën 2:8 geschreven staat,

8 alles hebt u (de Vader) aan hem (Christus) onderworpen.’ Doordat hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet.

Hoewel men dit punt vanuit verschillende doctrinaire posities kan beschouwen, houden wij ons in dit boek meer bezig met de meer praktische en relevante vraag of alle mensen worden gered, of slechts een relatief klein gedeelte van de mensheid. Wij geloven niet dat het kwaad voor eeuwig moet bestaan, omdat dit de leer is van het Perzische dualisme, in plaats van de leer van het christendom. Aan het einde van de tijd zal, op een of andere manier, het Iicht van Gods Koninkrijk het hele universum vullen, waardoor er geen ruimte zal zijn voor iets of iemand buiten de heerschappij van God.

HOOFDSTUK 13

De spanning in de schepping

We beginnen met het citeren van de apostel Paulus in zijn commentaar op het probleem van de schepping in Romeinen 8:19-22,

19 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop (verwachting) gekregen, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die

Gods kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.

Paulus maakt duidelijk dat het schepsel geen keuze had om onderworpen te worden aan

‘zinloosheid’ en de ‘slavernij van de vergankelijkheid’. Het werd gedaan door de soevereine wil van God alleen. Zinloosheid, ijdelheid en leegte beschrijft een pad dat nergens lijkt heen te gaan en geen doel heeft. Toen Adam zondigde werd zijn zonde aan de gehele mensheid toegerekend. We werden allemaal verantwoordelijk voor de zonde van Adam, en dus zijn we allemaal sterfelijk en betalen we voor een zonde die we niet begaan hebben. En niet alleen de mensheid, maar HEEL DE SCHEPPING is onderworpen aan deze ‘corruptie’.

Het is tegenstrijdig met de goddelijke wet dat de zonde van een vader toegerekend wordt aan zijn kinderen. Deut. 24:6 zegt ons:

16 Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.

Deze wet wordt herhaald in Ezechiël 18:20,

20 Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.

Kinderen kunnen niet worden gestraft voor de zonden van hun vader. En toch is dit precies wat God met ons deed. Het feit dat alle kinderen van Adam sterfelijk zijn geboren bewijst dat we betalen voor een zonde begaan door onze vader (Romeinen 5:12). Adams kinderen werden ter dood gebracht voor de zonde van hun vader Adam. Heeft God niet geweten dat dit onrechtvaardig is? Natuurlijk wist Hij dit! Hij verbood immers een dergelijk onrecht in Zijn eigen wet, geopenbaard aan Mozes en bevestigd door Ezechiël.

Dit leidt tot de meest fundamentele vraag over de rechtvaardigheid van God. De dood is buiten onze wil op ons gelegd, hetgeen de oorzaak is van alle persoonlijke zonden begaan na de oorspronkelijke zonde van Adam. We worden aansprakelijk gesteld voor een zonde van onze vader, Adam. We kunnen dit probleem niet verbergen en hopen dat dit onopgemerkt blijft door critici van God. Evenmin kunnen wij dit niet weg theologiseren, omdat God ons duidelijk aansprakelijk houdt.

Bij de behandeling van dit probleem moeten we eerst onderkennen dat Hij rechtvaardig is, en het vertrouwen hebben dat Hij weet wat Hij aan het doen is. We moeten ons schikken aan Zijn plan, in plaats van te proberen Zijn plan aan te passen aan hetgeen wij denken dat Hij zou moeten doen.

In de zoektocht naar de wijze waarop God de zonde van Adam toerekent aan zijn nakomelingen en het in acht nemen van het feit dat de goddelijke wet dergelijk gedrag verbiedt, aarzelen wij niet om Gods wijze een actie te noemen van ‘tijdelijk onrecht’. Het is de directe oorzaak van de spanning in de geschiedenis van de schepping. De spanning is het gevolg van onrechtvaardigheid of disharmonie omdat het probleem nog niet is opgelost. Het heeft vele toepassingen. Wanneer een land een ander land onrecht doet, is de spanning gecreëerd en leidt dit vaak tot oorlog. Wanneer een individu een ander verkeerd behandeld, is er spanning in de lucht totdat er restitutie is gedaan. Spanning eist altijd een oplossing.

In de muziek zijn er bepaalde akkoorden die tegenstrijdigheden of dissonanten bevatten. Deze akkoorden bouwen een emotionele spanning op, totdat het akkoord is opgelost. Dit is een veel voorkomende muzikale techniek dat wordt gebruikt om in te spelen op de emoties van de luisteraar en hem in de muziek te trekken, omdat de psychologie vraagt om harmonie. Dissonanten kwellen de geest van de muzikant om het gevoel van opluchting te maximaliseren wanneer de harmonieuze snaar wordt geraakt en de spanning is opgelost.

Het is net als met een ‘cliffhanger’ in boeken of televisieprogramma's. Alle spanningen zijn tijdelijke ontworpen, omdat de lezers of kijkers een ‘oplossing’ eisen.

God heeft ook deze techniek binnen de sferen van de geschiedenis toegepast. Het toerekenen van de dood en corruptie aan de mensheid en de schepping in het algemeen, heeft een gerechtelijke spanning opgebouwd, die vraagt om een oplossing. Paulus zegt dat God zeker niet de schepping in spanning zal laten. De disharmonie en onrecht zijn slechts tijdelijk. Paulus zegt in feite dat het onrecht, dat de spanning veroorzaakt, MEER DAN GECOMPENSEERD zal worden wanneer het slotakkoord van de geschiedenis zal luiden. Hier herinnert Paulus ons aan in Romeinen 8:18,

18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.

Nogmaals zegt hij in 2 Kor. 4:17,

17 De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.

Paulus herinnert ons eraan dat de onrechtvaardigheden van het leven niet alleen tijdelijk zijn, maar zullen meer dan recht worden gezet op de laatste dag als Hij alle dingen zal herstellen.

Gerechtigheid en verantwoording voor het kwaad

De rechtvaardigheid van God is reeds voor duizenden jaren een onderwerp van filosofische debatten. In feite moeten alle religies deze vraag vroeg of laat behandelen. Wat is de oorsprong van het kwaad? Wat is het doel ervan? Hoe zal het eindigen? Is God werkelijk rechtvaardig? Sommige twijfelen zelfs aan het bestaan van God op grond van de volgende speculatie: "Wanneer er echt een God bestaat, waarom zou Hij dan al deze oorlogen en andere vreselijke dingen laten gebeuren?"

Elke religie geeft haar eigen karakter aan haar eigen god op de wijze waarop ze het antwoord geeft op deze eeuwenoude problemen. We hebben al vragen opgeworpen over de rechtvaardigheid van God uit de Bijbel in het licht van de Bijbel door Zijn eigen soevereine wil of plan. Vergeet niet dat Paulus ook vraagtekens zette bij de gerechtigheid van God in het omgaan met Farao (Rom. 9:14). Elke keer als we praten over Ezau, Farao, of anderen waarbij het lijkt dat ze onrechtvaardig behandeld zijn, verhogen we het niveau van de spanning die moet worden opgelost. En dat is het doel van dit laatste deel van onze studie.

De echte onderliggende vraag die we moeten behandelen is de aansprakelijkheid voor de zonde. Hoe aansprakelijk is de mens voor zijn zonde? Hoe aansprakelijk is God voor Zijn acties in de onderwerping van de schepping aan de slavernij van de vergankelijkheid? God neemt altijd de volledige verantwoordelijkheid voor al Zijn acties, en natuurlijk moet de mens Zijn voorbeeld volgen. De mens wederstaat altijd de wil van God (thelema), maar Paulus zegt dat geen enkel mens Gods plan (boulema) kan weerstaan. Maar voordat we de diepgang van deze vraag kunnen begrijpen moeten we eerst onze definities vaststellen.

De definitie van zonde

De mens zondigt omdat hij sterfelijk is. Hij is sterfelijk, omdat God hem aansprakelijk houdt voor de eerste zonde van zijn vader Adam. Daarom is God de directe oorzaak van de zwakke (sterfelijke) toestand van de mens en de indirecte oorzaak van zijn persoonlijke zonden. De vraag is: Maakt dit God tot een zondaar? We antwoorden direct met: “NEE.” Is God dan op enige andere wijze aansprakelijk voor de zonde van de mens? We antwoorden direct met: “JA.” Dit is een van de redenen waarom Hij Zichzelf aansprakelijk houdt voor onze zonden door Jezus Christus en vervolgens de straf op de zonde betaald.

Wij zijn het er NIET mee eens dat dit God tot een zondaar maakt. Hij maakt Zichzelf echter uiteindelijk wel aansprakelijk door Zijn eigen wet. Om dit te bewijzen moeten we eerst kijken naar de betekenis van het woord dat wordt vertaald met ‘zonde’ in de Schrift.

Het Hebreeuwse woord voor ‘zonde’ is khawtaw. Het is vertaald als ‘zonde’ in meer dan

400 Bijbelpassages. Maar het woord betekent letterlijk ‘doel missen’ of ‘falen om een doel te bereiken’. In fysieke zin kan het woord worden gebruikt in het geval van een boogschutter wiens pijl het doel mist. Rechters 20:16 geeft ons een ander voorbeeld:

16 dat waren zevenhonderd linkshandige slingeraars die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten (khawtaw, ‘zondigen of missen).

In morele zin is het doel of de standaard de goddelijke Wet (1 Johannes 3:4). Elke overtreding van de wet is ‘zonde’, omdat de wet de standaard is voor Gods gerechtigheid. Een zondaar is iemand die tekort schiet aan de perfectie zoals gedefinieerd in de Wet. Paulus zinspeelt op deze betekenis als hij schrijft in Romeinen 3:23: ”Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God.” Hier is de nabijheid van God het doel. We hebben allemaal tekort geschoten in het bereiken van dat perfecte doel.

In wezen is de zonde dan het gebrek om een bepaald doel te bereiken. God schiep Zijn eigen doel: het universum scheppen, het toelaten dat de mens viel in de dood en de zonde, om vervolgens Zijn schepping met rechtvaardigheid en genade te verzoenen. Om ons rechtvaardigheid te leren was het noodzakelijk voor de mens om in de zonde te vallen. Om de genade te implementeren had God zondaars nodig als voorwerpen van genade.

En dus kunnen we ons afvragen: Zal God falen in het uitvoeren van Zijn plan? Moet Hij overstappen op ‘plan B’? Zo ja, dan is God een doelmisser, dus een zondaar. Maar God is geen zondaar, noch een doelmisser. Niets heeft Hem verrast, omdat Hij van tevoren alle dingen weet. Niets was buiten Zijn controle, zelfs niet voor een fractie van een seconde, want God is immers Almachtig. Het is Gods plan vanaf het begin om een tijdelijk onrecht te creëren en deze te verspreiden over een eindige tijdslijn, hetgeen we geschiedenis noemen.

Veel mensen beschuldigen God onbewust van zonde, omdat ze nooit de Bijbelse definitie van zonde hebben geleerd. Als kinderen leerden we het refrein: "Jezus faalt nooit," en vaak is dit motto afgebeeld op de muren in huizen van christelijke mensen. Maar als we ouder worden, wordt ons vaak geleerd dat Satan en de mens de mogelijkheid hebben om Gods plan en doel voor de schepping te dwarsbomen. God wrijft in Zijn handen in wanhoop als een hulpeloze reus in de lucht die luid klaagt over de toestand van de mens, maar volledig gebonden is door de wet van de vrije wil om er iets aan te kunnen doen. Plan na plan mislukt en zo wordt God gezien als Iemand die voortdurend Zijn plannen wijzigt om zoveel mogelijk uit deze puinhoop te redden, totdat Hij gedwongen wordt om bijna alles te vernietigen. Er wordt van Satan gezegd dat hij misschien wel 90–99 procent van de wereld overwint, maar op de een of andere manier ontvangt God dan toch nog de lauwerkrans.

God wordt vaak onbewust afgeschilderd als een Almachtige, maar hulpeloze reus. De duivel wordt echter afgeschilderd als bijna EVEN machtig als God zelf. Zijn voordeel is echter dat hij niets geeft om de vrije wil van de mens. Er wordt gezegd dat de duivel de vrije hand zou hebben in het manipuleren en het veroorzaken dat mensen zondigen, zodat God nooit gerechtheid kan bewerkstelligen. In dit opzicht is veel christenen geleerd om deze eeuwenoude vragen zo te zien; Satan lijkt veel minder te falen dan God zou falen. En ten slotte als de geschiedenis voorbij is heeft Satan de mensheid met 99% tot zich gewonnen, terwijl God met een schamele 1–10 % van Zijn schepping achterblijft, waarmee het Koninkrijk van het Licht bevolkt moet worden. Dit was in wezen het standpunt van Augustinus in zijn boek ‘de stad van God’, waar de geschiedenis van de wereld eindigt met een definitieve scheiding van licht en duisternis, met Satan als winnaar (waarvoor hij gestraft wordt!).

Deze opvatting van zowel God als Satan toont ernstige gebreken die moet worden rechtgezet door ernstige Bijbelstudie.

De definitie van het kwaad

Noch ‘zonde’ noch ‘kwaad’ zijn noodzakelijkerwijs morele termen. Beide worden vaak in morele zin gebruikt, maar soms moet het niet als moreel worden toegepast. In het geval van ‘zonde’ hebben we al gezien hoe het kan verwijzen naar de Benjaminnieten die een doelwit missen. Met betrekking tot het ‘kwaad’ geldt eigenlijk hetzelfde.

Waarschijnlijk is dit de eenvoudigste definitie van het kwaad; het kwaad is iets slechts of negatiefs dat gebeurt vanuit MIJN aardse gezichtspunt. Het omvat alle calamiteiten die kunnen optreden, zoals aardbevingen, windhozen, hongersnood en pest. Het omvat ook alle oordelen voor morele zonden. Er wordt ons in de Bijbel verteld dat God ‘kwaden’ laat brengen over een individu, een stad, een natie, of zelfs over de gehele wereld in overeenstemming met de wet. Vaak nemen deze ‘kwaden’ de vorm aan van oorlogen, aardbevingen, of hongersnoden. Wij zien dit als een rechtvaardig oordeel van God over de goddelozen.

Wanneer zulke dingen plaats vinden in het leven van christenen die niet geloven dat ze iets verkeerds hebben gedaan, bestaat er een gewoonte om de duivel de schuld te geven voor het ‘aanvallen’ van een rechtvaardige. Andere christenen die lijden aan innerlijke schuldgevoelens en angsten veronderstellen vaak dat God boos op hen is, wanneer dergelijke problemen zich voordoen. Deze nogal simplistische opvattingen zijn echter vaker onjuist dan juist. Hoewel het klopt dat al het kwaad een oordeel is over de zonde, moeten we begrijpen dat het meeste kwaad dat mensen overkomt een gevolg is van de zonde van Adam of het resultaat is van een nationale zonde of haar leiderschap. Natuurlijk worden individuen getroffen door dergelijke oordelen omdat zij ook aansprakelijk worden gehouden voor de zonden van degenen die gezag over hen hebben.

Wanneer zich een ‘natuurlijke’ ramp voordoet zijn er veel mensen die zich afvragen waarom dit gebeurt. We horen vaak opmerkingen als: “Waarom is God zo boos op ons?" De slachtoffers van zulk ‘kwaad’ behorende bij een stad of natie moeten zich realiseren dat Gods oordelen meestal niet vanwege hun zonde op hen gericht zijn, maar voor de nationale zonde van de natie of haar leiderschap. De mensen betalen de prijs voor de zonden van hun leiderschap. Alleen degenen die Gods stem horen en gehoorzamen worden goddelijk beschermd, maar dan nog worden deze mensen vaak blootgesteld aan de aansprakelijkheid van de natie wanneer zij geroepen worden als voorbidders (zie ons boek, Principles of Intercession).

Kwaad op zichzelf is geen zonde, omdat Amos 3:6 zegt: ”geschiedt er ooit onheil in een stad zonder toedoen van de HEER ?” Kwaad is geen zonde, want God doet het kwaad, maar zondigt niet. Ook als ouders kunnen wij ‘kwaad’ zijn op onze kinderen (vanuit hun oogpunt) wanneer we hen discipline proberen bij te brengen. Kinderen zijn het zelden eens met hun ouders op het gebied van discipline. Kwaad wordt pas zonde wanneer het los staat van de perfecte wil van God.

Menselijke regeringen verkondigen vaak dat het doel de middelen heiligt. Dat ze een persoon kwaad aan kunnen doen voor het grotere belang van de gemeenschap. Zij hebben zichzelf op dit punt tot god verheven. Het grotere goed dat zij nastreven komt echter nooit tot stand en de mensen worden misleid en vernietigd. Alleen God zelf heeft het vermogen om het kwaad te laten bijdragen aan het goede (Romeinen 8:28). Wanneer men een poging waagt dit principe te hanteren worden, als gevolg, meestal mensen vernietigd en komt er geen goed uit. In het algemeen kunnen we stellen dat al het kwaad dat zij verrichten ten gunste van de massa, zij dit doen om haar macht te consolideren of hun eigen rijkom te vergroten.

De oorsprong van het kwaad

De Bijbel zegt ons dat alle dingen door God zijn gemaakt door Jezus Christus. Johannes 1:3 zegt ons,

Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.

Paulus getuigt het volgende in 1 Korintiërs 8:6:

wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.

Er zijn een aantal sterk uiteenlopende opvattingen over de Satan en het is niet ons doel in dit boek hierover uit te wijden. Het is voldoende om te stellen dat, ongeacht wat of wie hij is, hij DOOR GOD GESCHAPEN IS. Geen ander punt is van belang voor onze huidige discussie. Bijna elke christelijke geloofsrichting is het immers eens met deze stelling.

De echte hoofdvraag, die reeds in het verleden heeft geleid tot veel verhitte discussies, is de oorsprong van het kwaad. Het belangrijkste probleem waarmee filosofen en theologen in het verleden geconfronteerd werden was hoe een perfecte en rechtvaardige God het kwaad in de schepping kon veroorzaken of kon toestaan. Bijna alle geleerden hebben de veronderstelling gemaakt dat God noch het kwaad kon scheppen, noch het kon veroorzaken in overeenstemming met Zijn karakter. Als gevolg hebben ze allen geprobeerd de verantwoordelijkheid te verschuiven naar Satan of naar de mens.

De Perzen waren waarschijnlijk het meest succesvol in het onttrekken van Gods verantwoordelijkheid voor het kwaad. Zij leerden dat Satan gelijk aan en ook net zo eeuwig was dan God. Al het kwaad in de wereld ligt dan geheel buiten de jurisdictie van God en buiten Zijn macht om het te voorkomen. Dit verwijderd alle aansprakelijkheid van God. Dit ging dan echter wel ten koste van Zijn soevereiniteit, omdat er nu TWEE GODEN zijn van gelijke sterkte en de duur. De Bijbel smeekt duidelijk om dit niet te geloven.

De heidense Grieken, die geloofden dat de geest goed was en het vlees (materie) kwaad, geloofden niet dat God materie zou kunnen maken zonder Zijn karakter te bezoedelen. Dus geloofden zij, zoals we uit hebben gelegd in een eerder hoofdstuk, dat de schepper van alle dingen, een kwade Demiurg, een mindere god was. Ze kwamen er echter nooit achter hoe een goede God een kwade Demiurg zou kunnen scheppen.

Deze ‘oplossing’ reduceerde het probleem, maar roeide het niet uit. God was hierdoor niet meer aansprakelijk voor de zonde in de wereld; maar God was nog steeds indirect verantwoordelijk door het scheppen van de Demiurg of het toestaan dat hij geschapen was en hem toestond slechte werken te doen.

Net zoals de Grieken geeft de Kerk vaak de volledige schuld aan Satan voor de oorsprong van het kwaad. Het doel van dit argument is het verwijderen van Gods aansprakelijkheid voor de zonde. De gedachte is bewonderenswaardig, maar het gaat wel ten koste van Zijn soevereiniteit. Satan zou dan een onafhankelijke god–engel zijn, oorspronkelijk goed gemaakt, maar door zijn vrije wil gevallen. Dit standpunt geeft mensen de indruk dat God geen zeggenschap meer heeft over de Satan. Als Hij wel zeggenschap heeft dan is God machteloos om iets te doen, behalve dan om mensen zodanig proberen te beïnvloeden om goed te doen en het kwaad te verwerpen.

Wanneer we alle schuld aan Satan geven slaagt deze visie er in om God te scheiden van het direct veroorzaken van het kwaad, maar het slaagt er niet in om God te scheiden van het indirect veroorzaken van het kwaad, omdat God ook de Satan heeft gemaakt en/of toe heeft gestaan te vallen. De enige manier om God volledig vrij van aansprakelijkheid te maken, zou zijn te veronderstellen dat Satan God compleet verraste toen hij ten val kwam. Deze stelling maakt God echter minder Alwetend.

De rechtvaardigheid en goedheid van God wordt in de meeste christelijk kringen wel juist uitgelegd. De oplossing voor het filosofisch probleem is een onderwerp van veel discussie en hangt af van vele andere veronderstellingen. Het Calvinistische standpunt lost het probleem op door het behouden van de Soevereiniteit van God, maar doet dit wel ten koste van Zijn rechtvaardigheid. Met andere woorden; zij zeggen dat God in Zijn Soevereine besluit een klein overblijfsel heeft verkoren tot zaligheid en de rest is verkoren om te branden in de hel. Het Arminiaanse standpunt tracht het probleem op te lossen met het behoud van Gods rechtvaardigheid, maar wel ten koste van Zijn soevereiniteit. Met andere woorden; zij zeggen dat de mens een totale vrije wil heeft en dat God weinig of niets kan doen om de wil van Satan noch van de mens te overrulen.

Het probleem lijkt op een te korte deken. Hoe langer het ene einde is, des te korter de andere zijde. We trekken aan de deken om ons tot onze kin te bedekken, echter onze tenen worden dan weer blootgesteld. Het is een van de meest onoplosbare problemen van het heelal. Filosofen van alle religieuze overtuigingen hebben reeds lange tijd geworsteld met dit onderwerp.

God is schepper van zowel het goed als het kwaad

De Bijbel maakt geen enkele verontschuldiging voor het feit dat God de Schepper en Veroorzaker is van al het kwaad. Terwijl christenen ineen kunnen krimpen van deze gedachten en het zelfs als ‘godslasterlijk’ beschouwen, maakt de Bijbel een dergelijke verklaring zonder daarbij de gedachte te hebben Zijn Karakter te kunnen besmetten. Jesaja 45:7 zegt duidelijk:

die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil (ra, ‘kwaad’) schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet.

Zoals we eerder zagen neemt God schaamteloos ten volle krediet voor de verharding van Farao’s hart. Hieruit blijkt Zijn soevereiniteit, maar het negeert hierbij volkomen het probleem van de rechtvaardigheid. Het Oude Testament gaat er gewoon vanuit dat mensen zich bewust zijn dat Hij soeverein is en dat Hij Zijn agenda van de geschiedenis, Zijn plan, volbrengt. Het is voor God net zo natuurlijk om het kwaad te scheppen als de duisternis. God creëert Zijn eigen oppositie in de personen van Farao en Ezau, zonder enige gerechtelijke verontschuldiging.

Het is wellicht om deze reden dat de apostel Paulus zegt, wanneer hij geconfronteerd wordt met de ogenschijnlijke onrechtvaardheid van God, “Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Heeft de pottenbakker niet de vrijheid over de klei?” (Romeinen 9:20 en 21). Paulus citeerde hier Jesaja 45:9-11 waar staat:

9 Wee degene die de strijd aanbindt met hem door wie hij gevormd is – een potscherf tussen de potscherven. Zegt klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’ of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’ 10 Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’ 11 Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen?

Met andere woorden, als u wilt discussiëren, of een reactie wilt ‘uitlokken’, doe dit dan op uw eigen niveau, met een andere pot gebroken aardewerk dat net zo is als u. Waar haalt de klei het lef vandaan om de Pottenbakker te bevragen? Hoe durven wij de competentie van God te bevragen of God te vertellen hoe Hij het universum moet te besturen? We moeten eerst onze eigen positie erkennen. We moeten er mee instemmen dat God soeverein is en dat Hij weet wat Hij aan het doen is. Met dat geloof mogen we tot Hem naderen en vragen om meer begrip, zodat wij ons aan Zijn beeld kunnen schikken.

Vers 11 is beter vertaald in de Concordantie Vertaling, waardoor we een beter beeld krijgen:

Maar met betrekking tot Mijn zonen en met betrekking tot Mijn dochters en met betrekking tot de werken van Mijn handen instrueert u Mij!

Met andere woorden, gezien het feit dat wij slechts aarden vaten zijn en dat God de Pottenbakker is, hoe durven wij dan God te instrueren! Denken wij echt zo wijs en machtig te zijn? Durven wij tegen God te zeggen dat Hij ‘geen handen heeft’? Denken wij aan God alsof Hij gehandicapt is en onze hulp en advies nodig heeft? Wie denken we wel niet wie we zijn?

Paulus was erg onder de indruk van Jesaja 45 omdat hij dit gebruikt als basis voor op z’n minst vier belangrijkste onderwijzingen in het boek Romeinen:

(1) Dat God soeverein is (Jesaja 45:9-4);

(2) Dat God zowel het licht en donker, zowel vrede en onheil schept (Jesaja 45:7);

(3) Dat God ‘heel Israël’ zal redden, niet alleen de natie maar ‘heel het nageslacht van Israël’ (Jesaja 45:17,25);

(4) Dat Hij de einden der aarde zal redden en dat elke knie zal buigen (Jesaja 45:22,23).

Zonder een grondige kennis van dit hoofdstuk uit Jesaja kan men Romeinen 5 en Romeinen 9–11 niet begrijpen.

Net als Paulus begreep ook Job dat God uiteindelijk de Auteur van zowel goed als kwaad was. Het was aan hem geopenbaard dat Satan toestemming nodig had van God om mensen te verleiden. (Job 1:6-12). Daarom zegt hij in Job 2:10:

10 Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.

Veel kwade dingen overkwamen Job. Het Bijbelverhaal vertelt ons dat Satan toestemming nodig had om Job te teisteren (1:6–12). God gaf Satan toestemming en dat is het moment dat de rampen, of ‘kwaden’, hem overkwamen. Als eerste werden Jobs dienaren gedood door Sabeeërs, de Chaldeeën doodden meer personeelsleden en stalen zijn kamelen. Vervolgens verwoestte een hevige storm het huis en doodde al zijn kinderen. Tenslotte kreeg Satan toestemming van God om Job te kwellen met kwaadaardige zweren (2:7).

In het verhaal van Job werden al deze dingen blijkbaar veroorzaakt door Satan, en toch gebeurde er niets zonder de uitdrukkelijke toestemming van God. God had dit kunnen voorkomen, maar besloot dat niet te doen. God heeft geen zonde in deze, maar Job wist dat God verantwoordelijk was voor al dit kwaad dat hem overkomen was. Job schreef het kwaad toe aan God – NIET aan Satan – en hierdoor zondigde hij toch NIET. Satan was slechts Gods instrument om te oordelen of te testen, hij was geen onafhankelijke god die buiten de controle van God om opereerde. Het is dezelfde wijze waarop God gebruik maakt van menselijke organisaties om mensen te oordelen of mensen te testen. God gebruikte bijvoorbeeld Assyrië om Israël te oordelen, en Hij gebruikte Babylon om Juda en Jeruzalem te oordelen.

Veel andere passages in de Bijbel schrijven het kwaad aan God toe. De meeste van deze passages gaan over God die het kwaad aan Zichzelf toeschrijft. Dergelijke verzen krijgen een hele nieuwe betekenis wanneer we dit in contrast zetten met het Perzisch dualisme, dat een extreme poging doet om al het kwaad van God te scheiden en God en Satan even krachtig maken. De Bijbel is zeer zeker NIET geïnspireerd door zulk menselijk denken waardoor Satans macht verheven wordt tot Gods niveau. Er zijn geen andere goden naast Hem. Niemand komt zelfs in de buurt.

De wetten van schepping en verantwoordelijkheid

Het boek Genesis kent alleen het dwingende recht van de schepping, die zegt dat de Schepper altijd groter is dan het schepsel. Dit is zo omdat een schepper eigenaar is en verantwoordelijk is voor hetgeen hij schept. Door deze wet bezitten boeren hetgeen ze produceren en bezitten timmerlieden hetgeen ze bouwen. Het is de basis van alle wetten met betrekking tot het particuliere eigendomsrecht.

Het eigendomsrecht is eigenlijk weinig meer dan autoriteit hebben over datgene wat u bezit, want iets te bezitten betekent het gezaghebbende recht te hebben om het te gebruiken wanneer de eigenaar het goed dunkt. Echter alle autoriteit gaat in gelijke mate op met verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid. Daarom zijn mannen, volgens deze wet, aansprakelijk voor de acties van de dieren die ze bezitten (Exodus 22:4). Wanneer iemands eigendom afbrandt is diegene verantwoordelijk die het vuur aanstak, omdat hij de schepper en dus eigenaar is van het vuur (Exodus 22:5). Deze aansprakelijkheidswetten zijn afkomstig van de oorspronkelijke en meest fundamentele wet omtrent schepping om aansprakelijkheden vast te stellen.

Het is duidelijk dat de mens geschapen was met de potentie om te zondigen. God was in staat om de mens volmaakt te scheppen, waardoor deze niet in staat zou zijn om te zondigen. Christenen zijn er in het algemeen ook over eens dat God dit met opzet deed, dat het geen ‘fout’ of onoplettendheid was van Zijn kant. In feite was het noodzakelijk dat de mens de potentie had om te zondigen.

We leren ook uit Genesis dat God Adam en Eva in Eden plaatste, die zowel de levensboom als de boom van kennis van goed en kwaad bevatte (Gen. 2:9). Bovendien plaatste Hij in deze tuin een verleider; of misschien prefereren sommigen te zeggen dat Hij een verleider de tuin TOELIET. In elk geval zal niemand betwisten dat de verleider de tuin binnenkwam zonder dat God het wist en het feit dat God dit had kunnen voorkomen als Hij dat gewild zou hebben.

Dus God schiep de mens met de potentie om te zondigen, samen met de mogelijkheid om te zondigen om vervolgens de verleider toe te staan om de zonde te veroorzaken. Het boek Genesis vertelt dit verhaal zonder enige gedachte aan verzet of argument. Echter wanneer we de goddelijke wet, zoals aan Mozes gegeven, bestuderen, vinden we een aantal ernstige morele bezwaren die overwonnen moet worden.

De meeste christenen bouwen hun filosofie omtrent de oorsprong van goed en kwaad op het argument dat God Adam niet tot zonde DWONG, maar dit slechts TOESTOND, en dat deze toestemming, vanuit de kant van God, nodig is om de integriteit van God en de vrije wil van de mens te bewaren. Er zit natuurlijk wel wat in deze redenering, zeker vanuit menselijk oogpunt bezien, zoals we reeds hebben uitgelegd. Wij waarderen het feit dat mensen de integriteit van God willen bewaren. Maar alleen het argument dat God de zonde slechts toegestaan heeft, lost het probleem niet echt op. Het VERKLEINT slechts het probleem. Jakobus 4:17 geeft ons een algemeen beginsel van het goddelijk recht dat van toepassing is op deze situatie:

Als iemand weet hoe het hoort maar er niet naar handelt, dan zondigt hij.

Het komt er op neer dat WIJ onze broeders hoeder ZIJN (Gen 4:9, SV) Als het binnen onze macht ligt om te voorkomen dat onze broeder gewond of op enige wijze schade lijdt en we niet helpen, dan zijn wij verantwoordelijk voor het verlies. Toegepast op de mens, wiens doel het is om te gehoorzamen aan de wil van God (thelema), is het overtreden van deze wet een zonde. Toegepast op God is het verhaal echter wel een beetje anders, omdat Hij opereert op boulema, het goddelijke plan, de algemene intentie, de blauwdruk van de geschiedenis. En dus moeten we in gedachten houden dat, hoewel God opzettelijk aansprakelijkheid is, dit binnen Zijn plan valt. Daarom is het geen zonde van Hem, zolang Hij niet faalt om Zijn grote doel te behalen.

Deze wet, inzake de preventie van het kwaad, wordt verder uitgebreid in de aansprakelijkheidswetten van Exodus 21.

1. DE RUND IN DE PUT

Exodus 21:33 en 34 zegt ons:

Wanneer iemand een put graaft of openlegt en hem daarna niet afdekt, en er valt een rund of een ezel in, 34 moet de eigenaar van de put de schade vergoeden: hij betaalt de eigenaar van het dier een bepaald bedrag en mag het dode dier houden.

De eigenaar van de put is aansprakelijk, zelfs als hij de rund niet met fysiek geweld in de put duwde. Het feit blijft dat hij het liet gebeuren door het graven van de put en deze niet afdekte. Hij is aansprakelijk op grond van het feit dat hij het had kunnen voorkomen, wat hij niet deed. Hij schiep de mogelijkheid voor de rund om in de put te vallen. De goddelijke wet zegt dat de man die de put schiep juridisch aansprakelijk is en dat hij een vergoeding moet betalen aan de eigenaar van het dier.

Door de geest van deze wet toe te passen op de situatie van Adam in de tuin, is God zowel de eigenaar van de put als de eigenaar van de rund (Adam). God groef als eerste een put, want hij creëerde een kans voor Adam om te zondigen. God dekte deze put niet af, want Hij schiep Adam met de mogelijkheid om te zondigen en Hij schiep de boom van kennis, die Hij binnen het bereik Adam plaatste. God creëerde de mogelijkheid voor Adam (de rund) om in de put te vallen (zonde en dood). Dat maakte God juridisch aansprakelijk door Zijn eigen wet en creëerde hierdoor een 'spanning' die een oplossing eiste.

De wettige oplossing is dat er een vergoeding moet plaatsvinden. Het uiteindelijke resultaat is dat Hij ‘het dode dier’ mag houden. Dus God kocht de dode rund (Adam en allen die in Adam gestorven zijn) en de rund werd Zijn eigendom. Is dit niet waarom Jezus is gekomen? Hij vervulde de wet tot op de letter door iedereen te kopen die in Adam stierf.

Deze wet gold niet alleen voor het regelen van aansprakelijkheden tussen mensen, God vaardigde deze wet opzettelijk uit om Zichzelf verantwoordelijk te maken, zodat Hij de wet kon vervullen en Hij de spanning in de schepping kan oplossen bij het laatste Jubeljaar.

2. HET NUTTIGEN VAN HET LAND

Dit beginsel van aansprakelijkheid wordt ook gevonden in Exodus 22:4,

4 Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen (opzettelijk) de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden.

De eigenaar van de rund is aansprakelijk. Hij kan zichzelf niet excuseren door te zeggen: “Ik heb de os niet GEDWONGEN om het gras bij de buren op te eten; de os heeft het helemaal zelf gedaan.” Nee, de eigenaar is verantwoordelijk, omdat hij eenvoudigweg de eigenaar is van de os.

Hoe moet nu de verantwoordelijke partij de schade vergoeden? De wet zegt: “een oog voor een oog,” in dit geval dus “een akker voor een akker”. Jezus zei: “De akker is de wereld” (Matteüs 13:38). God STOND HET TOE dat één van Zijn ‘beesten’ of schepselen (de slang) zichzelf voedde in de akker van een andere man. Sterker nog, de hele akker werd afgegrazen, omdat alle mensen door de zonde zijn worden verteerd.

Wat voor soort ‘gras’ heeft het beest opgegeten? Het waren Adam en Eva en uiteindelijk de gehele mensheid, omdat ‘de mens is als gras’ (1 Petrus 1:24). Hier was sprake van een ander tijdelijk onrecht, een spanning die moest worden opgelost. God eert en handhaaft Zijn eigen wetten van aansprakelijkheid en daarom werd ‘het beste van Zijn akker (Jezus) aan de mens gegeven als vergoeding.

3. DE BALUSTRADE OP HET DAK

In vroegere tijden hadden de huizen een trap die naar het platte dak leidde, waar mensen konden genieten van de wind in de koelte van de dag. Een balustrade was dus vereist als voorzorgsmaatregel. Deuteronomium 22:8 geeft ons deze wet:

Als u een huis bouwt, moet u het dak voorzien van een balustrade (hekwerk); anders bent u aansprakelijk wanneer iemand eraf valt.

Als u opzettelijk iemand van het dak afduwde en hij stierf als gevolg daarvan, zou u aansprakelijk zijn voor moord met voorbedachten rade en zou u de doodstraf verdienen. Maar wanneer men het naliet om een balustrade te bouwen en iemand viel van het dak en stierf, zou men aansprakelijk zijn voor doodslag. Deze straf is minder zwaar, maar u zou echter nog steeds aansprakelijk zijn en moeten vluchten naar de vrijstad, totdat de hogepriester gestorven was (Deut. 19:1–4).

Toen God Adam toestond om in zonde te vallen, en toen God de verleider toestond om Adam te verleiden, weerhield Hij de balustrade van het dak. Hij heeft niet de veiligheidsmaatregel getroffen, zoals Zijn Eigen wet vereist, die zou hebben voorkomen dat Adam en Eva zouden vallen. Toen God wandelde in de tuin ‘in de koelte van de avondwind’ (Gen. 3:8), zag Hij dat Adam en Eva van het dak waren gevallen. God werd aansprakelijk met als resultaat de spanning. Deze aansprakelijkheid zou moeten duren tot de dood van de Hogepriester. Jezus moest komen als de ware Hogepriester van de

tempel in de hemel en zou moeten sterven. Op deze wijze zou God worden ontslagen van Zijn aansprakelijkheid waardoor Hij opnieuw harmonie kon brengen in de sfeer van het universum.

Deze wetten van aansprakelijkheid zijn absoluut rechtvaardig in de ogen van God. We zouden er goed aan doen om ze ook op onszelf toe te passen. De wereld is al vol van mensen die staan te kijken hoe iemand vermoord wordt in de straten van de stad. De betrokken omstanders plegen niet het misdrijf zelf en zij denken dat ze ontheven zijn van elke vorm van aansprakelijkheid. Gods wet houdt ze echter aansprakelijk wanneer ze niets doen om het misdrijf te voorkomen. Zij zijn hun broeders hoeder.

Sommigen denken dat de wet teniet is gedaan. Maar in feite werd de wet nooit zo ernstig gehandhaafd als toen Jezus kwam om te sterven om de volledige prijs te betalen die de wet eiste. Toen Adam in de put viel die Hij had opengelaten, betaalde Jezus de prijs en kocht het dode dier. Toen de hele akker werd ‘afgegraasd’, gaf God het beste van Zijn eigen veld. Toen Adam van het dak van het huis viel dat God zonder balustrade had gebouwd, stierf Jezus, de Hogepriester, zodat God vrij was van de schuld aan de wet. Hoe kan iemand dan denken dat hij vrij van aansprakelijkheid is, als God Zichzelf zelfs verplicht te betalen?

We kunnen God niet ontslaan van Zijn aansprakelijkheid door te zeggen: "Hij heeft Adam nou eenmaal niet GEDWONGEN te vallen. Adam deed dit helemaal zelf door zijn eigen vrije wil.” Zelfs als het waar zou zijn, zou dit de aansprakelijkheid van God slechts verkleinen. Het ontslaat Hem NIET van alle aansprakelijkheid. Niet volgens Zijn eigen wet.

Sommigen verwijten de duivel (slang), en God houdt hem inderdaad gedeeltelijk aansprakelijk (Gen. 3:4). Maar nogmaals, de slang is net als alle andere ‘beesten’ die geschapen zijn en zodoende dus eigendom zijn van God door de wet van Schepping. Net als de rund, dat het veld van de buren opat, zo heeft ook de slang Gods ‘vruchten’ geconsumeerd (in dit geval, Adam en Eva). Men kan de schuld aan de duivel geven voor de werkelijke daad, maar men kan nooit God legaal ontslaan van alle aansprakelijkheid. Toch kunnen we niet zeggen dat God hierdoor heeft gezondigd. Zondigen is het falen om een doel te bereiken. God heeft niet gefaald. Dit alles was ingebouwd in het Plan. God schiep de spanning en Hij zal dit oplossen – en heeft het al opgelost door het Kruis.

4. DE STOTIGE OS

Er is nog een wet van God die op dit onderwerp toegepast kan worden. Exodus 21:28-31 zegt,

28 Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. 29 Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30 Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. 31 Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot.

De slang, of Satan, veroorzaakte de dood die over Adam en de hele mensheid kwam. De geest van de wet zegt ons dan dat het stotige beest moet worden bewaard (gebonden) om te voorkomen dat dit ooit weer gebeurd. Gebeurt dit niet, dan moet de eigenaar betalen met zijn leven. Heeft God Satan gebonden? Nee, Satan zal niet gebonden zijn tot aan het Loofhuttentijdperk (Op. 20:1–3). Er zijn mensen die geloven dat Satan gebonden werd toen Jezus aan het kruis stierf. Hoe dan ook, God heeft Satan niet voor duizenden jaren gebonden waardoor hij tijdens deze periode de mensheid probeert te verleiden om ze naar hun ondergang te brengen.

Nadat Adam en Eva sterfelijk werden veroordeelde God de slang tot het eten van stof en tot het kruipen op zijn buik. (Het is niet relevant voor deze studie hoe we deze veroordeling moeten interpreteren). God heeft de verleider niet aan banden gelegd. Satan sloeg al snel weer toe door Kaïn te gebruiken voor het doden van Abel. Dit maakte God aansprakelijk. Opnieuw viel er een wanklank op de snaren van de geschiedenis. Het

geeft spanning in onze muzikale oren en door de wet van de muziek ontstaat de behoefte

aan een harmonieuze oplossing – namelijk het herstel van alles dat verloren was in Adam door het bloed van Jezus Christus.

God maakte Zich bewust aansprakelijk, niet alleen voor de dood van Adam, maar ook voor de dood van de zonen en dochters van Adam (vs. 31). Werd er een ‘afkoopsom’ (vs.

30) geëist vanwege de aansprakelijkheid? Of dit nu wel of niet geëist werd, Jezus gaf

Zichzelf vrijwillig als een losprijs (afkoopsom) voor ALLEN (1 Timoteüs 2:6). De eis wordt in Exodus 21 gedefinieerd als ‘een leven voor leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand ', enz. En zo zien we Christus naar de aarde afdalen in de vorm van een mens om de prijs van ‘een leven voor een leven’ te betalen, in overeenstemming met de eis

van Zijn eigen wet.

Niets van dit alles maakt God tot een zondaar, want Hij heeft niet gefaald in het vervullen van AL Zijn plannen en Zijn doelstellingen voor de schepping. Hij heeft al deze spanning reeds vanaf het begin gepland. Hij maakte Zichzelf aansprakelijk voor de zonden van de hele wereld en heeft vervolgens de volledige losprijs Zelf betaald. Dit wordt duidelijk door het bestuderen van Zijn wet.

Als wij ons gaan afvragen WAAROM Hij dit op deze manier heeft gedaan, dan moeten we ons beroepen op onze onwetendheid en door het geloof Zijn ondoorgrondelijke wegen aanvaarden. Wanneer we toch bezwaar zouden maken moeten we Paulus’ antwoord uit Romeinen 9 opnieuw aanhalen,

20 Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’

Goed en kwaad zijn aan tijd onderworpen

God schiep de tijd alvorens iets fysieks te schapen. In de Bijbel is de tijd verdeeld in tijdperken en vervolgens is elk tijdperk onderverdeeld in Jubeljaren (perioden van 49 jaar), sabbatrustjaren (zeven jaar cyclussen), jaren, maanden en dagen. Deze ‘wereldorde’ is onderworpen aan tijd. Dit heeft echter niet alleen betrekking op de fysieke schepping, maar ook op de ideeën en concepten die ermee gepaard gaan, met inbegrip van gezag, rechtvaardigheid, goed en kwaad.

In de oude Griekse mythologie werd er van Chronos (‘Tijd’) gezegd dat het de zoon van de Aarde en de Hemel was. Hij zou uit de Hemel geboren zijn (d.w.z. door God geschapen), maar slechts door middel van de Aarde. Het was bedoeld om het idee te portretteren dat tijd tijdelijk is. In feite zei de mythologie dat Chronos zijn kinderen verslond, want al hetgeen in de tijd verwekt is, zal uiteindelijk ook door de tijd worden geconsumeerd.

Goed en kwaad zijn kinderen van de tijd en als zodanig zullen beide ook verdwijnen wanneer er geen tijd meer zal zijn. Aangezien goed en kwaad worden gedefinieerd door de wet van God, is het logisch dat ook de wet als zodanig voorbij zal gaan. Jezus refereert hieraan in Matteüs 5:18.

Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn.

Wanneer alles vervuld is op een later moment in de toekomst, dan en alleen dan zal de wet voorbijgaan. De wet is echter nu, vandaag de dag, nog steeds actueel; maar aan het einde van de tijd, zal het voorbij vergaan samen met de concepten van goed en kwaad.

Paulus vertelde Timoteüs dat de wet niet is gemaakt voor de rechtvaardigen, maar voor de onrechtvaardigen, de wettelozen, de zondaren. Aan het einde van de tijd zal de wet niet langer nodig zijn, omdat alle mensen dan instinctief zullen gehoorzamen aan God en Hem in elk opzicht zullen verheerlijken. In feite is dit het uiteindelijke doel van het Nieuwe Verbond. Hebreeën 8:10 en 11 zegt,

10 Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten – spreekt de Heer: In hun verstand zal ik mijn wetten leggen en in hun hart zal ik ze neerschrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11 Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: “Ken de Heer!”, want allen zullen mij kennen, van klein tot groot.

Goed en het kwaad zijn producten van de tijd, niet van de eeuwigheid. Zij geven een beeld van de definities van recht, die vergaan zal wanneer zij niet langer nodig is. Hetzelfde zal ook met het geloof gebeuren, dat voorbij gaat doordat men ‘ziet’. Hetzelfde zal ook met hoop gebeuren, dat voorbij gaat wanneer het doel gerealiseerd is. Van de drie grote begrippen zal alleen liefde de tijd overstijgen en voor altijd duren. (1 Kor. 13:13).

Goed en kwaad kunnen alleen samen bestaan

De vrucht aan de boom in de tuin van Eden bevat ZOWEL de kennis van goed EN kwaad. De mens leert niet het één zonder het ander. De toestand waarin Adam voor de val verkeerde wordt in het algemeen aangeduid met ‘onschuld’, dit omdat hij geen onderscheid wist tussen het goed en kwaad. Ten diepste impliceert het woord ‘goed’ het tegenovergestelde van kwaad en het bewustzijn van het één vereist een bewustzijn van het ander.

Dit is door de gehele schepping zichtbaar. Wat is rechtvaardigheid zonder het onrecht om het mee te vergelijken? Als alle mensen recht doen, dan is noch rechtvaardigheid, noch onrechtvaardigheid van enige relevantie en sommigen kunnen zelfs het bestaan van deze twee concepten bevragen. Wat is schoonheid zonder lelijkheid? Wat is licht zonder duisternis? Wat is vrede zonder conflict?

Dit is de spanning die God in de schepping heeft ingebouwd. De Perzen zagen het duidelijk en noemde het evenwicht, maar waren niet in staat om door de sluier van de tijd heen te zien. En zo konden ze alleen maar concluderen dat goed en kwaad gelijk in sterkte waren en beide (zoals ze veronderstelde) eeuwig zouden duren.

Het was de geopenbaarde thelema wil van God dat Adam en Eva NIET zouden eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. God vertelde hen duidelijk NIET te eten van deze boom (Gen. 2:17). Maar toch zijn wij van mening dat het in Gods boulema plan lag dat mensen zowel de kennis van goed en kwaad zouden kennen. Net zoals Farao niet Gods boulema plan kon weerstaan, konden ook Adam en Eva zich niet verzetten. Het omvatte het plan van God en om deze reden is Jezus het Lam dat geslacht is vanaf het begin van de wereld (Openbaring 17:8).

Wij kunnen, in ons tegenwoordige tijdperk, niet volledig begrijpen waarom God op deze wijze de geschiedenis schrijft, maar wij aanvaarden dit echter wel, omdat het de openbaring van de Schrift is. Bovendien is geopenbaard in de Schrift dat, aan het einde van de tijd, de vloek van het kwaad overvloedig zal worden gecompenseerd door de zegeningen van het goede (Romeinen 8:18). Dit kan alleen plaats vinden wanneer het kwaad wordt afgeschaft, met daarbij inbegrepen het grootste kwaad, de laatste vijand – de dood.

Wij worden zodoende gedwongen om te geloven dat alle dingen inderdaad bijdragen aan het goede, niet alleen voor de zogenaamde ‘uitverkorenen’ in beperkte zin, maar voor iedereen in de ruimste zin van het woord (Rom. 8:28). Het moet alle mensen omvatten, omdat alle mensen getroffen zijn door het eerste kwaad. De aansprakelijkheidswetten van God dwingen ons dit te geloven. God zou anders voor eeuwig onrechtvaardig zijn, hetgeen wij niet kunnen geloven.

Hoewel goed en kwaad altijd gelijktijdig aanwezig zijn, betekent dit niet dat ze gelijk zijn in kracht. Wanneer ze in kracht gelijk zouden zijn, zou de tijd nooit eindigen. Tijd kan alleen worden beëindigd als al het kwaad overwonnen is. Er zal geen plotselinge goddelijke stormloop plaatsvinden aan het einde van het tijdperk om zodoende het goede uit de kaken van een zegevierend kwaad te rukken. Er zal nooit enige twijfel zijn over de uitkomst van dit huidige conflict. Elk tijdperk heeft een progressieve openbaring en uitstorting van de Geest van God, die bij het einde in staat zal zijn om al het kwaad te overwinnen.

Wanneer die overwinning al het kwaad heeft afgeschaft, dan zal het goede ook ophouden te bestaan, want er zal geen kwaad meer zijn die betekenis geeft aan goed. Ook het goed zal worden opgeslokt door het BETERE verbond (Hebreeën 11:40).

Goed door het kwaad

Zelfs in de eerste paar tijdperken van de wereld, toen het kwaad het uiterlijk had van overwicht en macht, was zijn kracht slechts een illusie. Kwaad op zichzelf is echt, tenminste op aards niveau, maar het is slechts een voorloper van het goede. Zelfs de lever maakt gebruik van beta-caroteen voor de vervaardiging van vitamine A, zo gebruikt God ook het kwaad om het goede te scheppen. Het is allemaal onderdeel van Gods plan om het aan diegenen te openbaren die Zijn wegen kennen hoe Hij al het kwade tot het goede zal maken.

1. DE OORDELEN VAN DE WET

De oordelen van de wet zijn een noodzakelijk kwaad om het uiteindelijke goede aan de algemene bevolking te geven. Een natie moet rechtvaardige wetten met oordelen hebben voor hun overtredingen om stabiliteit te handhaven en onrecht te ontmoedigen. Zo is het ook met de wetten van God.

We hebben ook gezien dat Gods oordelen worden gegeven om de zondaar te herstellen. Wanneer de rechter eist dat de dief zijn slachtoffer dubbel moet terugbetalen, is dit niet alleen om het slachtoffer te compenseren voor zijn verlies, maar ook om de dief te leren dat het beter is te werken dan te stelen. Hierdoor krijgt de zondaar de mogelijkheid om zijn schuld te betalen aan het slachtoffer, zodat de zondaar een gevoel van vervulling en vergeving kan ontwikkelen. Daarom is het van het grootste belang dat het systeem de zondaar noch fysiek noch sociaal verlamd, zodat de dader niet zou kunnen werken om zijn schuld te betalen.

Een van de ergste onrechtvaardigheden van het huidige justitiële systeem is dat wanneer gevangenen worden vrijgelaten uit de gevangenis, zij het moeilijk hebben om werk te vinden. De maatschappij vergeeft hen hun zonde niet, omdat zij de zondaar geen kans geven om zijn misdaad te compenseren. Wij verwijten de moslims voor het afhakken van een hand van een dief omdat we dit erg wreed vinden. De zorg van de Bijbel is juist dat het ook voor gehandicapten moeilijk is om een wettige baan te vinden in de toekomst. Het is duidelijk dat de maatschappij deze zorg niet deelt, omdat wij onze overtreders sociaal gehandicapt maken in plaats van fysiek. Dit is een zonde die wordt gepleegd op de zondaren.

Er zijn natuurlijk bepaalde zonden waar, door menselijke handhaving van de wet, niet het kwaad het goede kan voortbrengen. Dit is waarom God de doodstraf heeft ingesteld. Het is immers niet mogelijk om bijvoorbeeld een slachtoffer van moord met voorbedachten rade, of ontvoering, te compenseren. Berechting van dergelijke zonden zal plaatsvinden bij een hogere rechtbank bij het laatste oordeel. Daar zal de opstanding plaats vinden van het slachtoffer van de misdaad en waar het uiteindelijk mogelijk is, zelfs voor de ergste zondaren, om restitutie te betalen aan haar slachtoffers. Op die dag zal het blijken dat het voor God geen probleem is om al het onrecht te buigen tot het goede, en meer zelfs, om het goede uit het kwade voort te brengen.

Een waarachtig goddelijke rechtbank op aarde zou het goede voor zowel het slachtoffer als de dader zoeken in elk denkbare zaak. Er zijn echter ook rechtszaken tijdens het leven van een persoon bekend waarin een beroep werd gedaan op de hogere rechtbank van God in dit huidige tijdperk, zonder op de definitieve uitspraak van de Grote Witte Troon te wachten. David, bijvoorbeeld, pleegde moord en overspel, maar zijn zaak werd direct beoordeeld door God, omdat David berouw toonde en direct een beroep op Hem deed. God oordeelde David met oorlogen en familieproblemen voor de rest van zijn leven. Het was een vuurpoel voor hem, een 'tweede dood', maar op de lange termijn zeker de moeite waard. Zijn huidige kwaad werd omgezet in het goed, omdat David het doel van de oordelen van God leerde. In onderwerping aan het oordeel en zuivering door God tijdens zijn leven, vermeed David het oordeel in het volgende tijdperk en God noemde hem ‘een man naar Zijn hart’ (1 Sam. 13:14).

Tijdens het Oordeel van de Grote Witte Troon zal de wet het arrest doen uitgaan van alle misstanden die nog in een toestand van spanning verkeren. Ook daar zal het een tweeledig doel dienen, namelijk: de vergoeding van het slachtoffer en het onderwijs van rechtvaardigheid aan de zondaar. Er zal recht worden gedaan aan het slachtoffer en vergeving worden teweeg gebracht voor de zondaar.

Het volgende is een heel basaal voorbeeld van hoe God het kwaad brengt over zowel boosdoeners als gelovigen voor het goede doel.

2. JOZEF EN ZIJN BROERS

Jozef had een heel bijzondere roeping. Zijn vader wist dat (Genesis 37:10,11); zijn broers wisten het (Genesis 37:8), en waarschijnlijk wist ook Jozef zelf het. Maar net als alle jongeren (en sommige oudere mensen ook) moest hij nog worden ‘toebereid’. God had hier het perfecte plan voor. Er gaat niets boven tegenspoed om ons te rijpen en in evenwicht te brengen, mits we niet bitter tegenover God worden. Tegenspoed brengt de verkorenen (zoals Jakob–Israël) tot volwassenheid en de niet-uitverkorenen (zoals Ezau– Edom) tot een toestand van bitterheid.

Jozefs broers verkochten hem als slaaf aan Egypte. Jozef rijpte in Christus gedurende twaalf jaar in een kerker als slaaf. Zijn vader rouwde om het verlies van zijn zoon met de gedachte dat hij dood was. De spanning in dit verhaal is adembenemend.

Uiteindelijk bracht God de zonen van Jakob in Egypte voor het kopen van graan tijdens de hongersnood, waar Jozef intussen minister-president van het land geworden was. Jozef openbaarde zich aan hen en het gezin verhuisde naar Egypte, waar Jozef voor hen zorgde. Maar toen Jakob stierf werden de broeders van Jozef onrustig, omdat ze dachten dat Jozef nog steeds een wrok tegen hen zou koesteren voor zijn verkoop destijds tot slaaf. Het antwoord van Jozef is een klassieker, waaruit niet alleen liefde blijkt, maar ook een diep begrip omtrent de Geest en het Plan van God. Genesis 50:19 en 20 zegt:

Maar Jozef zei: ‘Wees maar niet bang. Ik kan toch Gods plaats niet innemen? 20 Jullie hadden kwaad tegen mij in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd, om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft.

Jozef was geestelijk gerijpt en erkende de soevereiniteit van God in alle dingen. Hij wist uit persoonlijke ervaring dat God alle dingen tot het goede in zijn eigen leven had uitgewerkt. Jozefs broers hadden inderdaad ‘kwaad tegen hem gedacht’. Ze hadden opzettelijk tegen hem gezondigd door hem als slaaf te verkopen. Daarmee hadden ze dus op de thelema korte termijn wil van God gezondigd. Dit valt niet te ontkennen. Jozef erkende echter ook dit alles een noodzakelijk onderdeel was van Gods boulema lange termijn plan, om zodoende vele mensen het leven te schenken. Het was vanaf het begin Gods plan dat Jozef zou regeren in Egypte; maar om Jozef hiervoor te laten groeien (rijpen) en hem voor te bereiden voor deze roeping, zag God er op toe dat zijn broers hem kwaad zouden aandoen, waardoor God dit vervolgens tot het goede kon werken.

Als Jozef uit de gevangenis zou zijn ontsnapt vóór zijn tijd, of als hij vervroegd was vrijgelaten, zou hij zeker direct naar zijn vader zijn teruggekeerd. Hij moet immers hebben beseft dat zijn vaders hart, Jakob, was gebroken bij zijn verdwijning. Het spreekt boekdelen dat, na Jozefs benoeming tot premier, hij negen jaren lang geen enkele actie heeft ondernomen om zijn vader over zijn verblijfplaats te informeren. Gedurende de zeven jaren van overvloed bleef Jozef verborgen voor Jakob-Israel. In het eerste jaar van de hongersnood kwamen zijn broers graan kopen, maar hij openbaarde zich nog niet aan hen. Pas in het tweede jaar van de hongersnood, negen jaar na zijn benoeming, heeft Jozef zijn identiteit aan hen onthuld. Zijn stilte was een daad van geloof. Een dergelijk geloof en geduld kan alleen worden verklaard door geestelijke volwassenheid.

Toen Jozef nog in de gevangenis verbleef, voordat ze hem tot minister-president van Egypte hadden verheven, heeft God hem de beginselen van het geloof geleerd. Het duurde jaren voordat Jozef zijn omstandigheden had begrepen. Het moet jaren geduurd hebben om zijn broers te vergeven voor hun zonden tegen hem. Het moet heel wat tijd gekost hebben om God te vergeven voor al het kwaad dat hem overkomen was. Nadat hij eindelijk geleerd had dat het niet Gods doel was om hem te straffen, maar om hem te leren rusten in de disciplines van God, was hij klaar voor zijn roeping. Hij had geleerd dat God alle omstandigheden stuurt met het oog op het goede. Hij had God leren danken in alles. Hij kwam in overeenstemming met God en kon rusten in Hem, wetende dat hij precies op die plaats was waar God wilde dat hij zou zijn. Hij bezat toen het geloof dat vereist was voor een dergelijk hoge roeping.

Uit Jozefs verhoging tot premier bleek dat God al dit kwaad gebruikt had voor een goed doel. Jozef bitterheid tegenover zijn broeders was toen volledig overwonnen, want hij zou hun nu eigenlijk kunnen danken voor hetgeen ze hem gedaan hadden.

Er zijn veel christenen vandaag de dag die deze grote waarheid niet kennen. Ze zijn de hele dag tegen de duivel aan het strijden, in plaats van God te verheerlijken. Ze zien het kwaad van Jozefs broers en verliezen hun kalmte, omdat ze niet de hand van God zien die alle dingen laat bijdragen aan het goede voor de glorie van God. Zij zien de Satan als de schepper van het kwaad in de wereld, zonder het besef dat alle tegenstanders Gods dienstknechten zijn, om oordelen uit te voeren en de uitverkorenen te perfectioneren.

Iedereen van het volk van God ervaart op de een of andere manier het kwaad – sommigen meer dan anderen. In eerste instantie zijn wij geschokt en hebben de neiging om te reageren op het kwaad, in plaats van op God te zien voor de reden en het doel van het kwaad in ons leven. Als we nog geestelijk jong zijn zien we niet de hand van God in de kwade dingen en gaan we vechten met de boosdoeners of Satan. Door dit te doen halen we onze ogen af van Jezus, net zoals Petrus, en letten we op de wind en de golven om ons heen. Al snel zijn we dan overweldigd door het probleem zelf. Toch zien wij Jezus lopen op het water, Hij wordt helemaal niet door dezelfde wind en dezelfde golven beïnvloedt. Hij kalmeerde niet de zee om het lopen voor Petrus makkelijker te maken. Hij verlangde ernaar om Petrus te leren zich te richten op Hem zonder te worden afgeleid en te worden gemotiveerd door uiterlijke omstandigheden.

Focussen op het kwaad om ons heen maakt ons alleen maar bitter, omdat we al snel ontdekken dat er altijd meer kwaad is dan we kunnen overwinnen. De sleutel tot het uitbannen van alle bitterheid van het hart is door te begrijpen wat het doel is van het kwaad en om te weten waarom God het in ons leven heeft gebracht. Pas wanneer we Gods doel zien zal al de bitterheid wegsmelten. Zonder een ervaringsgerichte kennis van hoe God alles tot het goede laat bijdragen, kunnen christenen niet de volle rust in God ervaren. Ze kunnen God niet echt in alles danken, wanneer ze hun moeilijke omstandigheden zien als een vloek van Satan. Zij verblijven in hun eigen gevangenis totdat ze leren hoe ze het Jubeljaar moeten begrijpen en haar principes tot een manier van leven moet maken.

3. DAVID TELT HET VOLK ISRAEL

Toen Israël in zonde viel, gedurende het laatste gedeelte van Davids regering, lezen we het volgende in 2 Samuel 24.

1 Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: ‘Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.’

Hetzelfde verhaal wordt vertelt in 1 Kronieken 21:1, maar hier vinden we een interessant verschil in het verhaal:

Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.

We zouden kunnen vragen wie ervoor zorgde dat David zondigde? Was het God of Satan? Of was het David zelf, omdat we later zien dat David alle verantwoording neemt voor zijn zonde (2 Sam. 24:10). In feite zijn alle drie de partijen betrokken, echter op verschillende niveaus. David nam de juiste houding aan bij het nemen van zijn verantwoording voor zijn zonden. Op het niveau van Gods thelema

wil had David de wet overtreden door niet het losgeld van de soldaat te verzamelen (een halve sjekel per Israëliet, Exodus 30:12–16), om te voorkomen dat de telling hen noodlottig werd, dit zorgde ervoor dat de Heer hen niet zou vergeten. Door hen aan levensgevaar bloot te stellen, zondigde hij en was berouw noodzakelijk. Maar toch laat 1 Kronieken 21:1 ons zien dat Satan David verleidde tot zondigen. Op het hoogste niveau was het Gods boulema plan waar God dan ook alle verantwoording voor nam (2 Samuel 24:1).

Dit is geen andere tegenstrijdigheid dan waar een verslag zegt: “De president won de slag,” waar vervolgens een ander zegt: "De generaal won de slag,” en een derde rapport rapporteert: “Onze dappere soldaten hebben de strijd gewonnen.” Alle drie de uitspraken zijn correct, maar op verschillende niveaus van waarheid.

In dit geval wilde God dat het werk gedaan werd en dat deed Hij door Satan. Satan was het die David in de verleiding bracht om werkelijk te zondigen. En opnieuw werd Gods plan perfect uitgevoerd. David zondigde omdat hij niet de goddelijke wet naleefde; God zondigde NIET omdat Hij in Zijn plan slaagde.

Wat was dan dat plan? Het eerste doel was om Israël te oordelen voor haar zonde. Het tweede doel was om Davids gebrek aan kennis van de zonde bloot te stellen, zodat hij dit kon corrigeren. Ten derde werd de gelegenheid voor David gecreëerd om de dorsvloer van Ornan te kopen, dat de toekomstige locatie van de tempel van Salomo zou worden. Nogmaals, God had een plan, een overkoepelend doel. Hij zou er ook zijn gekomen zonder het probleem en het conflict met het kwaad, maar Hij deed dit niet. Het kwade ten goede keren was ook onderdeel van het plan.

4. DE LES VAN JOB

Het boek van Job is de verhandeling waarbij God ons de onderdanigheid van Satan leert. Hoewel sommigen van mening zijn dat ‘Satan’ hier slechts een mens is, doet weinig onder voor onze doeleinden. Het principe blijft immers gehandhaafd. Satan had toestemming nodig van God om Job ook maar iets aan te doen. God gaf hem ook een dergelijke toestemming in Job 2:6 en 7.

6 Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven.’ 7 Hierop vertrok Satan en overdekte Job van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren.

Wat volgt is een commentaar op de reden en het doel over het lijden op aarde. Job had drie vrienden die ieder vanuit een ander standpunt dit grote vraagstuk beargumenteerde. Geen van hen begreep echter de geest van God.

Elifaz beargumenteerde dit onderwerp vanuit de menselijke ervaring. Je oogst wat je zelf zaait, daarom worden Jobs problemen veroorzaakt door zijn eigen zonde.

Bildad zei dat zijn probleem bestond uit een slechte karma. Jobs problemen zouden veroorzaakt zijn door zijn zonde in een vorig leven en Hij moet er in dit leven voor boeten.

Sofar beargumenteerde het vanuit de menselijke verdienste. Alle mensen zijn opstandig geboren en zijn zelf verantwoordelijk om hun hart te zuiveren om zo de oordelen van God te voorkomen. Wijsheid en zuiverheid verdienen Gods gunst.

Bijna alle mensen zouden op een van deze manieren een antwoord vormen. Oosterse religies voeren het pleidooi zoals Bildad. Griekse filosofen en veel christenen redeneren vaak zoals Sofar. Het Farizeïsme en veel van het moderne christendom redeneren ook vaak als Elifaz. Elke denkrichting heeft een gebrek aan inzicht in de geest van God, omdat ze noch het plan, noch het doel van God begrijpen. Alleen Elihu had het antwoord, die we zullen samenvatten:

“Je denkt dat je rechtvaardiger bent dan God. Je hebt gezegd dat er geen verdienste ligt in het vertrouwen in Zijn gerechtigheid. Je hebt jezelf afgevraagd of er misschien meer winst ligt in het niet volgen van Hem. Wanneer mensen door een tiran onderdrukt worden schreeuwen ze het uit om hulp, maar niemand lijkt God te vragen om antwoorden. Wanneer ze het wel doen geeft Hij hun geen antwoord op grond van hun hoogmoed, waarin ze denken dat God hen onrechtvaardig en oneerlijk behandelt. Wanneer de rechtvaardigen worden beproefd is het dat Hij hun daden en hun zonden, die

uit trots voortkomen, kan laten zien. Op deze manier opent hij hun oren en instrueert hen om zich te bekeren van hun ongerechtigheid. Als ze Zijn stem verstaan zullen ze bloeien in vrede en gerechtigheid. Wanneer ze Zijn stem niet verstaan zullen zij omkomen door het zwaard en sterven zonder te weten waarom. Dus, luister naar Hem, vertel God niet: “U heeft het verkeerd gedaan.” Vergeet niet Zijn werk te verheerlijken, in plaats van Hem te vertellen hoe Hij het universum moet te besturen.”

Uit het verhaal blijkt dat Jobs problemen zijn ontstaan, omdat God wilde dat we zouden begrijpen dat we niet bitter tegen God moeten worden zodra we tegenslag hebben. We moeten God niet beschuldigen van oneerlijkheid of onrechtvaardigheid tegen ons.

Wanneer het kwaad ons overkomt, komt onze trots meteen aan de oppervlakte. Wij behandelen dan God alsof Hij onrechtvaardig zou zijn. Een dergelijke houding veronderstelt dan dat we het beter weten dan God inzake rechtvaardigheid. Daarom zendt God ons tegenspoed, zelfs tot ons breekpunt, zodat we een beter begrip verkrijgen van de rechtvaardigheid van God. We leren dat Zijn ‘onrecht’ slechts tijdelijk is en dat Hij weet hoe deze ‘kwaden’ bijdragen aan het goede.

Zodra we dit echt beginnen te geloven begeven we ons op het werkelijke leven van het geloof, waardoor we al onze tegenstanders zien als instrumenten van God om ons te trainen tot Zijn zonen en dochters. Dat is de plaats van rust, die God ons vandaag nodigt in te gaan.

5. DE DOOD VAN JEZUS

Men zou kunnen zeggen dat de dood van Jezus het ergste kwaad was dat ooit in de wereld bedreven is. Maar als christenen kunnen we weerleggen dat het ook het grootste goed was. Zou er enige twijfel kunnen bestaan over het feit dat God het grootste kwaad in het grootste goed zou kunnen veranderen? De kruisiging werd het instrument voor de redding van de hele wereld.

Opnieuw werd Gods thelema wil verijdeld om Zijn verborgen boulema plan te vervullen. Gods wil was dat alle mensen Hem als de Messias zouden aanvaarden. Het was Gods plan dat Hij door ons zou worden ‘verguisd en geminacht’ (Jesaja 53:3). Zijn dood was een integraal onderdeel van Het Plan. Zonder Zijn dood aan het kruis zou het hele plan hebben gefaald en zou God een zondaar geworden zijn.

Kajafas kon het niet weigeren om Jezus te kruisigen, net zoals Farao Israël moest laten gaan. Het was allemaal onderdeel van het plan. Natuurlijk is Kajafas aansprakelijk, net zoals Farao, Ezau en zelfs David aansprakelijk waren. Toch is de aansprakelijkheid beperkt tot het niveau van de thelema wil. God alleen neemt de verantwoordelijkheid voor het boulema plan.

Heeft Kajafas door zijn daad gezondigd? Ja, natuurlijk heeft hij dat. Heeft God gezondigd? Absoluut NIET. God heeft niet gefaald in Zijn doel dat door de raad van Zijn eigen Wil was vastgesteld. In het goddelijke plan was Jezus al gekruisigd sinds de grondvesting van de wereld.

Als de mens kwaad doet (zoals gedefinieerd door de goddelijke wet), is dit hun zonde omdat ze de norm schenden die God aan de mensheid heeft gegeven. Wanneer God het kwaad doet, is dit altijd in overeenstemming met Zijn plan, hetgeen Zijn eigen standaard is. Wanneer dit oneerlijk of onrechtvaardig klinkt, moeten we de lezer eenvoudigweg naar het boek Job verwijzen voor een les in misplaatste trots. We zijn niet aan God gelijk, wij zijn niet altijd in staat om het goede uit het kwade te laten voortkomen, zoals Hij wel doet. Ons concept van rechtvaardigheid is door de dood, die in ons huist, kromgetrokken. We moeten bovenal het vertrouwen in Hem hebben, dat Hij weet wat Hij doet en dat Hij alle dingen laat bijdragen aan het goede.

De spanning opgelost

Universele verzoening is Gods definitieve oplossing voor de spanning in de schepping als gevolg van het ‘tijdelijke onrecht’ dat Hij zelf heeft ingesteld. De goddelijke wet definieert de gerechtelijke vraag door er op aan te dringen dat God de verantwoordelijkheid heeft voor al het ‘onrecht’ dat Hij werkt of toelaat. Het Bijbelse verslag laat ons geen andere mogelijkheid dan om God te rechtvaardigen door de universele verzoening. Geen andere oplossing is voldoende om de spanning, die hij op de schepping legde door het te onderwerpen aan zinloosheid, op te heffen. Pas wanneer we dit erkennen kunnen we het grootste filosofische vraagstuk ooit – de oorsprong, het doel en het einde van al het kwaad – oplossen.