Printable version  Printable version
Beeldspraak
    Babylon uitgaan
    Babylon, een gehe...
    De komst des Heren
    De Morgenster
    Gedenk de sabbatdag
    Geroepen uit Egypte
    Gezindheid van Chr...
    Hand a/d ploeg slaan
    Het getal van het ...
    Het hemelse Jeruza...
    Jezus' wondertekenen
    Licht uit schaduwen
    Oud en nieuw
    Van dood tot leven
    Van Pascha tot Lo ...
Commentaren
Getallensymboliek
Woordenlijst

Van pascha
tot loofhutten

"Dit zijn de feesttijden van de Heer" (Lev.23:2, NBG-Vert.)
"Dit zijn de hoogtijdagen van de Heer" (NBVert.)
"Dit zijn de hoogtijden des Heren" (St.Vert.)

Overgenomen van: In Geest en Waarheid

INLEIDING

De feesttijden van de Heer typeren op schitterende wijze Gods verlossingsplan. Ze worden uitvoerig besproken in Leviticus en in Deuteronomium. De jaarlijkse cyclus ziet er als volgt uit:

In de eerste maand:
1.
Het pascha (Ex.12:1-23, Lev.23:4-5)
2.
Het feest van de ongezuurde broden (Ex.12:18, Deut.16:3-4)
3.
Het bewegen van de eerstelingsgarve (Lev.23:10-14)

In de derde maand:
4.
Het pinksterfeest (Ex.23:16, Lev.23:15-21, Deut.16:9-12)

In de zevende maand:
5.
Het blazen op de bazuinen (Lev.23:24-25)
6.
De grote verzoendag (Lev.16, Lev.23:27-32)
7.
Het loofhuttenfeest (Ex.23:16, Lev.23:34-44)

In de Hebreeënbrief staat, dat alles in de bijbel een schaduw is van nog te komen realiteiten (Hebr.10:1). Eerst komt het natuurlijke, dan het geestelijke (1Cor.15:46). Eerst zichtbare typologie, dan realiteit in de geest (2Cor.4:18).

Overal in de bijbel is dat een duidelijk principe. Eerst de oude schepping, dan de nieuwe. Eerst Eden met de boom des levens, dan het nieuwe paradijs met de Christus als geboomte des levens. Eerst een zichtbare tempel op aarde, dan een hemels heiligdom. Eerst aardse hogepriesters, dan Jezus als hemelse hogepriester.

Dit principe geldt natuurlijk ook voor de feesten van de Heer. Eerst het Joodse pascha met als offerdier een lam, dan de vervulling ervan met Jezus als Lam. Eerst het pinksterfeest met Joodse rites, dan de uitstorting van Gods Geest. Eerst het loofhuttenfeest in type, dan de nieuwe betekenis en inhoud ervan voor Gods kinderen. Dit alles brengt Zijn Geest tot stand in wie het Lam volgt waar Hij ook heengaat (Op.21:5,14:4).

HET PASCHA

Eerst het pascha in de eerste maand. Het was een nieuw begin voor Israël, een bevrijding (Ex.3:8, 12:1-2). Voorgoed zou het gedaan zijn met al dat slavenwerk voor farao. Ze gingen op weg naar een beter land. Onderweg zou er dagelijks brood uit de hemel komen en water uit de Rots (Ex.16, 1Cor.10:4). De wolk van Gods aanwezigheid zou hen leiden van de ene plaats naar de andere (Ex.13:21-22). Hij had namelijk gezegd: "Ik heb de ellende van Mijn volk in Egypte gezien en hun gejammer over hun drijvers gehoord. Ik ken hun smarten. Daarom ben Ik neergedaald om hen te redden" (Ex.3:7-8). Israël zou niet meer voor een farao hoeven te zwoegen, maar voortaan Hem mogen dienen als een afgezonderd, heilig volk (Ex.4:22-23).

Op identieke wijze staat iedere gelovige aan een nieuw begin, als hij uit "Egypte" wordt geroepen. Dan wordt hij bevrijd en uitgeleid uit de slavernij van het vlees en begint er een "nieuw" leven met de Rots om "in dienst te komen van de gerechtigheid" (Rom.6:18). Dan begint het leven "in Christus", als lid van een "heilige natie" (Ef.2:5, 2Petr.2:9).

Wat moesten de Israëlieten doen om te worden verlost van Egypte? Per gezin een lam in huis nemen en het daarna slachten (Ex.12:3-6). Het kon alleen een gaaf, mannelijk, volwassen dier zijn, als beeld van Jezus, ons vlekkeloze paschalam (Ex.12:5, 1Cor.5:7, Joh.1:29, 1Pet.1:18-19). Het bloed ervan moest aan beide deurposten en de bovendorpel gestreken worden en het vlees moest in de nacht gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden.

En wat deed God toen Hij dat zag? Hij gaf de doodsengel die alle eerstgeborenen in Egypte moest doden, geen toestemming om de huizen van de Israëlieten binnen te gaan (Ex.12:23). De Almachtige was over hun huizen gekomen als een beschuttende schaduw (vgl. Ps.91:1-10). Hij kwam als het ware over hen heen als een beschermend schild. Daarom kon de plaag hen niet treffen (vgl. Ps.91:10). De verderfengel ging aan hen voorbij! En hij gaat ook ons voorbij als wij het bloed van Jezus aanwenden en Hem eten. De Heer zegt: "Wie Mij eet, zal leven" (Joh.6:51,53,54,57,58). Dan zijn we veilig en is de Heer ons schild. Dan kan ook onze uittocht uit "Egypte" beginnen.

We weten uit de wet van Mozes, dat bloed van offerdieren zonden bedekt. Dat doen zondoffers (Lev.4, 5:1-13, Hebr.9:22). Jezus is voor ons tot zondoffer gemaakt. Zijn bloed is echter niet alleen een bedekking, maar een volledige vergeving en verzoening van alle zonden (2Cor.5:21, Mat.26:28, Joh.1:29, Hebr.9:26, Rom.3:25).

Maar nu: het pascha-lam is geen zondoffer. Het laat een heel ander facet zien: de verlossing van "Gods volk" als "zoon" uit "Egypte". Het bloed van het pascha-lam werd niet als een zondoffer uitgegoten bij een altaar. Het werd gestreken aan ieders eigen huis (Ex.12:7). En het vlees ervan moest worden gegeten in de "nacht". Voor ons geldt dat in ons door Jezus' "vlees" en "bloed" de "eerstgeborene" in leven blijft (1Cor.5:7, Joh.6:53-55). Het gaat hier niet om vergeving van zonden, maar om de weg van zoonschap.

Wat zei Jezus op de avond van Zijn laatste pesachmaaltijd tegen Zijn leerlingen? Dit: "Ik heb vurig begeerd dit pascha met jullie te eten, eer Ik moet lijden" (Luc.22:15). Waarom? Omdat Hij spoedig van de Joodse riten met "brood" en "wijn" de vervulling kon geven: Zijn "vlees" en "bloed". "Denk dan niet meer aan de verlossing uit Egypte, maar denk voortaan aan Mij. Ik verlos jullie uit het ware "Egypte" en dan zijn jullie pas echt vrij (vgl. Joh.8:36). Hij gaf inhoud aan het pascha. Hij maakte de ceremonieën "nieuw", verhief ze tot geestelijke realiteiten. "Hij nam een brood, dankte en brak het, gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis. En deze beker is het nieuwe verbond met Mijn bloed" (Luc.22:19-20). Het oude pascha werd vervuld. Jezus maakte het nieuw (vgl.Hebr.10:9).

De heilige Geest openbaart de waarheid zodanig aan de Zijnen, dat er geen "leugen meer wordt gevonden in hun mond" (Op.14:5). Dat betreft natuurlijk ook de waarheid van het eten van de Heer. Want wie heeft Hem eigenlijk al nieuw leren eten? Paulus zei al tegen de Corinthiërs: "Wanneer jullie bijeenkomen, is dat niet het eten van de Heer" (1Cor.11:20). Zij aten en dronken wel samen, maar deden dat nog oud, Egyptisch, vleselijk, als onmondigen in Christus (1Cor.3:1). Er was dan ook geen waarachtige eenheid en gemeenschap met elkaar (1Cor.10:14-22). Ze hadden dan ook correctie nodig (1Cor.11:29). En dat geldt nog steeds voor ieder christen die "oud" en ceremonieel blijft denken en handelen en de ware "maaltijd van de Heer" niet kent.

Er zijn gelovigen, die de uiterlijke tekenen niet meer nodig vinden om Jezus' vlees te eten en Zijn bloed te drinken. Ze worden daar doorgaans zwaar op bekritiseerd. Ze hoeven zich niet schuldig te voelen: uiterlijke riten "zijn niet ver van verdwijning", als "het nieuwe is gekomen" (Hebr.8:13 en 8:7). "Want zo dikwijls u dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt" (1Cor.11:26). Totdat Hij in ons komt! "Want", zegt Hij Zelf, "Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij" (Op.3:20). Zo eet en drinkt Hij met ons nieuw (Mat.26:29). En dat is méér dan een ceremonie.

Tijdens de viering van het pascha moesten de Israëlieten klaar staan om meteen Egypte te verlaten (Ex.12:11). Wie Jezus eet en drinkt moet ook bereid zijn meteen te vertrekken uit het slavenhuis en al het oude de rug toe te keren. Alleen als we ons volkomen toewijden en de Goede Herder gehoorzamen, dient het bloed van het Lam ook ons als teken aan ons "huis" en zal de "eerstgeborene" in ons leven (Ex.12:13, Joh.6:54). Het is dus aan ons om niet alleen pascha te vieren met ons geslachte Lam, maar om ook meteen op weg te gaan.

Wie dat doet, zal uiteindelijk "het Lam zien op Sion" (Op.14:1). Met vele anderen zal hij het lied van Mozes zingen (Ex.15, Op.14:2, Op.15:3). "Eypte" ligt achter hem! Hij heeft geluisterd naar de Goede Herder, die werd gezonden om Gods geknechte volk uit te leiden uit de ban van het "vlees". Nogmaals: Gods volk is in Egypte. Hij roept Zijn zonen uit (Hos.11:1). Hoe die uiteindelijk zullen zijn, staat er duidelijk: losgekocht van de aarde, doordrenkt van het verlossingswerk, onberispelijke eerstelingen voor God en voor het Lam, vrij van alle leugen en overwinnaars van het beest (Op.14:4-5). En dat bedoelt God niet voor later. Het is voor hier en nu!

HET FEEST VAN HET ONGEZUURDE BROOD

Tegelijk met het pascha begon het feest van het ongezuurde brood (Ex.12:17). Ze vormden samen één geheel. Zo lezen we b.v.: "Het feest van de ongezuurde broden, dat pascha genoemd wordt, naderde" (Luc.22:1). Het pascha duurde één dag, het feest van de ongezuurde broden zeven dagen (Lev.23:5-6). Beide moesten worden onderhouden van jaar tot jaar (Ex.13:10).

Eerst iets over de betekenis van "oud zuurdeeg" en "gezuurd brood". Paulus zegt: "Weten jullie niet, dat een beetje zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Doe het oude zuurdeeg weg, opdat jullie een vers deeg mogen zijn; jullie zijn immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. Laten we dus feest vieren, niet met oud zuurdeeg of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid" (1Cor.5:6-8).

Oud zuurdeeg wijst ook op "oud" (=aards) religieus denken. Paulus past de term toe op de invloed van "oude" leringen, in dit geval die van het judaïsme: "Die overreding (om aan de besnijdenis van het vlees waarde toe te kennen in het nieuwe verbond) kwam niet van Hem, die u roept. Dat beetje zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur" (Gal.5:8-9).

De Heer Zelf waarschuwde Zijn leerlingen ook voor "oud" zuurdesem, dat van de religieuze leiders in die dagen. "Hij zei: Hoed je voor hun zuurdesem" (Luc.12:1). Dat Hij waarschuwde voor de leer van de Sadduceeën, ligt voor de hand (Mat.16:6). Hun ideeën waren pertinent onschriftuurlijk. Ze loochenden de opstanding en geloofden niet in het bestaan van engelen en demonen. De bovennatuurlijke wereld was voor hen taboe, hoe religieus ze ook waren. Maar de Farizeeën waren zuiver in de leer, zó zuiver, dat Jezus Zijn eigen discipelen opdracht gaf, te doen wat ze zeiden (Mat.23:3). Waarom moesten zij zich dan hoeden voor hun zuurdesem? Om deze eenvoudige reden: "Ze zeggen het wel, maar ze doen het zelf niet" (Mat.23:3). Hun zuurdesem was hun gehuichel (Luc.12:1). Wat ze leerden was wel waar, maar ze leefden er niet naar. Ze verwierpen zelfs Hem waarvan de schrift zo duidelijk getuigt: Jezus.

Dit alles is niet vreemd in het hedendaagse christendom. Er zijn talloze moderne Sadduceeën, die geen oog hebben voor geestelijke realiteiten. Daarnaast zijn er de moderne Farizeeën. Met voorliefde spreken ze over de kracht van de eerste gemeente. Wat ze zeggen is waar. Maar ze doen zelf niet wat ze zeggen. En net als toen veroordelen hedendaagse Farizeeën iedereen, die wél in geest en waarheid verder gaat. Zodra een oprecht gelovige zich nu ten volle durft richten op het hemelse rijk Gods, zijn er meteen de protesten van "Farizeeën". Dan wordt hun ware aard openbaar: hun leer is waar, hun leven nét echt, hun denkwijze aardsgezind, hun houding vijandig.

Nu is ieder mens van nature aardsgericht en alleen de weg van het Lam maakt daarvan vrij. Ook nu zijn veel gelovigen nog doortrokken van "oud zuurdesem". Maar God wil, dat ook hun "anker veilig en vast is, en dat het reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus als voorloper is binnengegaan" (Hebr.6:19-20). Als hun anker vast blijft liggen in leringen van mensen, blijft het oude zuurdeeg zijn verderfelijke werking doen. Als ook zij zich in "Gods heiligdom" ankeren, zullen ook zij voortdurend "hoger" gaan in de wereld van de Geest op het pad des levens.

Direkt bakten de Israëlieten dus ongezuurde brood (Ex.12:39). Door hun overhaaste vertrek uit Egypte was er trouwens geen tijd om het te laten gisten (Deut.16:3). Hadden ze getreuzeld, dan had dat wel gekund. Zo is het met elke volgeling van Jezus: wie treuzelt in "Egypte", kan weer verzuren door "oud zuurdeeg". Wie meteen "Egypte" uitgaat en "het ongezuurde brood van reinheid en waarheid" blijft eten, wordt vrij van alle invloeden van "Egypte". Maar wie draalt, blijft kwetsbaar voor de subtiele werking van het "oude". Dit geldt ook voor gemeenten of groepen gemeenten: meteen vindt verzuring plaats, als er zelfvoldaanheid en voldoening heerst over de bereikte resultaten of over de tot op heden geopenbaarde waarheid. De wolk van Gods zegenende aanwezigheid gaat verder en wie die wolk blijft volgen, zal niet verzuren door "oud zuurdesem". Want tijdens de hele "woestijnreis" geeft God "nieuw brood": ongezuurd "brood uit de hemel" (Joh.6:51).

Pascha nieuw betekent dus voor ons, dat we denken aan hét Lam als wij geestelijk "eten" en "drinken", "Doe dit tot Mijn gedachtenis. Denk aan Mij!" (1Cor.11:24-25). Zo eten we nu "Zijn vlees" en drinken we nu "Zijn bloed". Zo worden we volkomen één met Hem en verlost van alle vleselijke en zielse invloeden. De vervulling van het feest van het ongezuurde brood is daarmee onlosmakelijk verbonden: al het "oude zuurdeeg" doen we weg om voortaan "zeven dagen lang het ongezuurde brood van reinheid en waarheid" te eten. "Zeven dagen". Totdat "wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem zijn toegegroeid, die het Hoofd is" (Ef.4:15).

HET BEWEGEN VAN DE EERSTELINGSGARVE

Op de morgen na het pascha werd de eerst geoogste gersteschoof in de tempel omhoog bewogen (Lev.23:10-11). De feesten in de eerste maand vielen samen met het begin van het oogstseizoen (Lev.23:10). Gerst werd het eerst geoogst. In de eerste maand werden de eerste aren ervan al rijp. Deze vroegrijpe stengels werden van het land gezocht: zij vormden de eerstelingsgarve.

In het omhoog bewegen van deze eerste bos gerst zagen de Israëlieten waarschijnlijk alleen maar een belofte van een goede oogst later. In type spreekt deze handeling van wat er gebeurde bij de opstanding van "Christus als eersteling" (1Cor.15:20,23): "De graven gingen open en veel lichamen van ontslapen heiligen werden opgewekt. En ze gingen uit hun graven na Zijn opstanding en verschenen in de stad" (Mat.27:52-53). Toen Jezus opstond, voerde Hij dus "rijpe vruchten" met Zich mee (vgl. Dan.12:13, Ef.4:8). Samen waren zij de eerste rijpe schoof. En net zo zeker als de eerste schoof voor de boeren van toen heen wees naar de oogst later in het jaar, zo getuigt de opstanding van "de Schoof" van een geweldige opstanding als de volle oogst komt (Mat.13:39).

Over die oogst het volgende: er waren enkele godvrezende Grieken, die voor het pascha naar Jeruzalem waren gekomen en die ook Jezus wilden zien (Joh.13:20-36). Toen zei Hij: "Voorwaar, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze op zichzelf; maar als ze sterft, brengt ze veel vrucht voort". Als Hij niet stierf, kon er geen volle oogst komen. Hij moest eerst sterven en opstaan uit de dood, voordat het hun beurt was Hem te "zien". "Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh.12:32). "In Hem zullen allen levend gemaakt worden" (1Cor.15:22). Dat gold ook voor deze Grieken. Het geldt namelijk voor iedereen, maar ieder op zijn beurt, ieder "in zijn eigen rangorde" (1Cor.15:23). Want de volle oogst is dat iedereen Hem zal zien! Want “Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien" (Op.1:7).

HET PINKSTERFEEST

In de derde maand vierden de Israëlieten een oogstfeest: pinksteren, ook wel het feest der weken genoemd (Ex.23:16, Deut.16:10). De hele gerstoogst was binnengehaald. "Pinksteren" is de nieuwtestamentische benaming en betekent "vijftigste": het begon op de vijftigste dag na de paschasabbat of "op de dag na de zevende sabbat" (Lev.23:15-16).

Dit alles loopt weer parallel met de nieuwtestamentische vervulling. Want "na Zijn lijden heeft Jezus Zich veertig dagen levend vertoond" (Hand.1:3). Daarna voer Hij ten hemel en tien dagen later stortte Hij de heilige Geest uit op de wachtende discipelen, precies dus op het Joodse pinksteren in de derde maand (Hand.2:1).

Het feest van de oogst (Ex.23:16)! De gerst was binnen. Vijftig dagen tevoren was de eerste schoof al omhoog bewogen voor de Heer, de oogst aankondigend. En wat een geweldige oogst zien we beschreven in het boek Handelingen! Nu moeten we niet alleen letten op het aantal mensen, dat tot geloof kwam, maar op wat er geestelijk gebeurde. Wat een gezindheid werd er openbaar! "De menigte gelovigen waren één van hart en ziel, en niet één zei dat iets van wat hij bezat zijn persoonlijk eigendom was; ze hadden alles gemeenschappelijk" (Hand.4:32). Wat een oogst! Net zo reëel als Jezus "Zijn plaats innam aan Gods rechterhand in de hemelse gewesten" (Ef.1:20), zo reëel werden deze gelovigen "mede opgewekt en mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten" (Ef.2:6). Het gevolg was eenheid in de Geest, onbaatzuchtigheid, volharding en trouw. Wat een dag! Niet alleen voor Joodse gelovigen, ook voor Samaritanen (Hand.9:31). En ook voor heidenen (Hand.10:45).

Tijdens dit feest werden er door de priester twee broden bewogen (Lev.23:17). Dit heeft een diepe betekenis. Het getal "twee" duidt altijd op de volheid van Christus, van de Zoon en de zonen. Dat is het lichaam, waarin Jood en niet-Jood zijn één gemaakt. Efeziërs 2:14 zegt: "Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt". Daarom lezen we van twee stenen tafelen (Ex.31:18), twee rijen toonbrood (Lev.24:6), twee cherubs die één zijn met het verzoendeksel (Ex.25:18-19), twee zilveren trompetten (Num.10:2), twee goede verspieders (Num.14:6), twee olijfbomen (Zach.4:3), twee stallen (Joh.10:16), twee getuigen (Op.11:3), het geboomte des levens aan beide oevers (Op.22:2).

Deze "twee" broden werden gemaakt van de eerstelingen van ieders land (Lev.23:17). Ze werden "gezuurd", "gebakken" en daarna omhoog "bewogen". Met andere woorden: het ware Lichaam van Christus zal een proces doormaken van "groei" en "rijping". Het gaat door "dors-, wan- en maal"-ervaringen. Het wordt tot "één deeg" gekneed, van een "zuurdesem" doortrokken, "gebakken" en "bewogen" naar "de hemelse gewesten".

Nu rijst meteen de vraag: wat voor zuurdesem wordt hier bedoeld? Dat van de Farizeeën en Sadduceeën? Oud zuurdesem van natuurlijk denken? Natuurlijk niet! Nadrukkelijk had God bepaald: "U zult een nieuw spijsoffer aan de Heer brengen" (Lev. 23:16). Er moest nieuw zuurdesem in deze "twee broden" zijn: dat van het Koninkrijk der hemelen. Jezus zegt: "Het Koninkrijk Gods is gelijk aan een zuurdesem dat een vrouw (=de ekklesia) nam en in drie maten meel deed (=geest, ziel en lichaam), totdat het geheel doorzuurd was" (Mat.13:33, Luc.13:20-21). Wat een perspectief! Het Lichaam van Christus wordt geheel doortrokken van het Koninkrijk Gods en "omhoog bewogen"! Van "het oude" wordt niets een plaats gegeven in de hemelse gewesten: dat hoort te zijn weggedaan bij de viering van het pascha (1Cor.5:6-8). Alleen wat is doortrokken van "het nieuwe" wordt verhoogd.

Deze gerstebroden waren eerstelingen voor de Heer (Lev.23:17). Jezus was dé Eersteling. Pinksteren is "het feest van de eerstelingen van uw vruchten" (Ex.23:16). Gerst was de eerste vrucht van het land. Veel andere vruchten zouden volgen in de loop van het jaar. En er komt een tijd, dat alle "vruchten" van het "land" zullen zijn binnengehaald. Dan is het loofhuttenfeest aangebroken. Wij moeten er dan ook naar jagen pinksteren te beleven met grote vreugde (Deut.16:9-11), in volle rust (Lev.23:21), zorgend "voor de arme en de vreemdeling" (Lev.23:22), en worden opgetrokken tot de ongekende dingen die de gemeente van Jezus Christus te wachten staan als de volheid van het loofhuttenfeest aanbreekt in de "zevende" maand.

Dorstige zielen hebben ontdekt, dat ook pinksteren persoonlijk kan worden ervaren. Velen van hen geloven, dat wij terug moeten naar de kracht van de eerste gemeente. Dit is niet het doel. Wat wij in het boek Handelingen lezen was het begin van de pinksterdag. Jezus stuwt nu Zijn gemeente niet terug naar het begin, maar naar de volle pinksterdag en naar het loofhuttenfeest, waarvan de heerlijkheid alles in het verleden zal overtreffen.

Natuurlijk is deze weg slechts stap voor stap te gaan. Wij kunnen nooit iets van het loofhuttenfeest ervaren, als wij pascha en pinksteren veronachtzamen of aards blijven interpreteren. Dan kunnen wij nooit tot volheid komen. Dan wordt weer "jonge wijn" in "oude zakken" gedaan. Die "zakken" zullen weer scheuren, "de nieuwe wijn" gaat dan weer verloren, omdat velen van ons er geen notie van hebben, wat de Heer bedoelt met "nieuwe wijn" en "nieuwe zakken" (Luc.5:37-38).

Het spijsoffer, dat de Israëlieten op het pinksterfeest aan God brachten was dus nieuw (Lev.23:16). Het spreekt van "nieuw" leven. Door de vernieuwing van ons denken worden wij hoe langer hoe meer "een levend, heilig en Gode welgevallig offer" (Rom.12:1-2). De apostelen aanvaardden dat "nieuwe". Ze lieten zich door Hem die alle dingen nieuw maakt veranderen. Ze gingen wandelen in "nieuwheid des levens". Ze namen het "nieuwe kleed" aan, zonder daar stukken van af te knippen om het "oude" weer op te lappen (Luc.5:36). In hen was pinksteren een geestelijke realiteit geworden.

HET BLAZEN OP DE TROMPETTEN

De zevende maand werd ingeleid door trompetstoten. God had Mozes opdracht gegeven twee zilveren trompetten te laten maken (Num.10:2). Zoals wij al gezien hebben, is het getal "twee" het beeld van de volheid van Christus. Zilver duidt op verzoening (zie b.v. Ex.30:12-16).

Die "twee zilveren bazuinen" zijn dan ook die dienstknechten van God, die het verzoeningswerk van Jezus geheel in zich hebben toegelaten. Zij spreken op "de eerste dag van de zevende maand" woorden als trompetstoten van de Geest, om het volk van God voor te bereiden op de komende climax: het loofhuttenfeest. "Op de eerste dag van de zevende maand moet u een sabbat houden en die aankondigen met bazuingeschal" (Lev.23:24). Die "zilveren trompetten" doen hun taak als de Heer Jezus: zonder uiterlijke grootheid. Daarom ontvangt de religieuze wereld hen precies zoals het orthodoxe Jodendom Jezus ontving: vijandig. Want "een discipel staat niet boven zijn meester" (Mat.10:24).

Het is waar, dat pinksteren zijn hoogtepunt nog niet heeft bereikt. Toch is het blazen op de "twee zilveren trompetten" al te "horen". Geestelijke perioden overlappen elkaar vaak, net zoals wet en genade elkaar een korte tijd overlapten tijdens de bedieningen van Johannes de Doper en Jezus. De bazuinen klinken! Ze kondigen de komst van het laatste feest aan, het loofhuttenfeest, terwijl pinksteren naar háár climax groeit.

In Numeri 10 lezen we, waarom de trompetten moesten worden geblazen. Allereerst om het volk bijeen te roepen (Num.10:2). De Heer wekt knechten op die zullen uitbazuinen: "Bedenk de dingen die boven zijn" (Col.3:2). "Bereid de weg voor de Heer, voor onze God" (Jes.40:3). "Draaf niet langer, ieder voor zijn eigen huis" (Hag.1:10). "Verhef uw stem als een bazuin en maak Mijn volk zijn overtredingen bekend" (Jes.58:1). De tijd is voorbij voor mooie preken en sussende woorden. Het is tijd ons te bekeren van alle werken van dood formalisme en ons te verzamelen in geest en waarheid.

De trompetten dienden ook om het volk op te roepen om verder te trekken (Num.10:2-8). God zei tot Jozua: "Mijn knecht Mozes is gestorven. Jozua. maak je gereed en trek over de Jordaan hier met dit hele volk naar het land dat Ik geef" (Joz.1:2). Als nooit tevoren roept God nu Zijn volk op, verder te gaan. De bazuinen klinken! Maar alleen wie "oren hebben om te horen" vernemen blij verrast hun geluid. Ze weten, dat grotere dingen staan te wachten. Ze waren blij met de wolk en het manna in de woestijn. Maar nu komt er meer: een land met rivieren, beken, bronnen en meren. Geen barre droogte meer, maar regen op zijn tijd en elke morgen frisse dauw. In plaats van hitte en onvruchtbaarheid is er leven en overvloed. Breek op! We hebben lang genoeg gedraald.

Als de Israëlieten ten strijde moesten trekken werd er ook op de trompetten geblazen (Num.10:9). Joëls profetieën zijn zulke trompetstoten. "Blaas de bazuin op Sion en maak alarm op Mijn heilige berg! Dat alle inwoners van het land sidderen, want de dag van de Heer is nabij" (Joël 2:1). Er komt "oorlog in de hemel" (Op.12:7). En "het zal zijn als in de dagen van Noach" (Mat.24:37).

Hoe het was in de dagen van Noach wordt dus vervuld. Nu! Een grote "vloed van vuur" zal "de aarde en haar bewoners" overspoelen. Alleen zij die "in Christus Jezus gedoopt" zijn en in die Ark "de schuilplaats van de Allerhoogste" hebben gevonden, ontkomen eraan (Ps.91:1-9). Ze worden niet alleen gered: door het "vuur" worden zij zó gelouterd, dat in hen de volle heerlijkheid van God openbaar zal worden (1Pet.4:12-13). Alle anderen worden door de "vloed" weggenomen, verrast "als in een strik" (Mat.24:39, Luc.21:34). "Zij zagen niet toe op zichzelf" en zeiden tegen elkaar: "Het is alles vrede en rust" (Luc.21:34, 1Thes.5:3). Ja, ze verlangden zelfs naar de dag van de Heer en hun mond was daar vol van. "Maar wat zal die dag voor hen zijn? Duisternis en geen licht!" (Amos 5:18).

Hoe weinigen begrijpen dat de dag van de Heer duisternis is én licht. Hij is duister voor elke vorm van aardsgericht, aardsgezind christendom, voor "hen die op de aarde wonen" (Op.3:10). Maar hij is licht voor wie in "de Ark" gaat. Christus is de schuilplaats in alle gerichten. God beschermt de Zijnen! Overal werd Egypte getroffen door plagen, maar niet in het land Gosen, waar Israël woonde (Ex.7-11). De drie Hebreeërs in de vurige oven wandelden door het vuur mét de Engel van de Heer (Dan.3:1-30). Voor iedere rechtvaardige is die dag geen duisternis (vgl. Mat.7:24-25). Op die dag "verheft de Heer Zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar de Heer is een schuilplaats voor Zijn volk" (Joël 3:14-16).

Kan het nog duidelijker? Er komt "oorlog in de hemel" (Op.12:7). Er komt donkerheid, het "beven van hemel en aarde", het "wegvallen van elke steun en stut" (Jes.3:1-7). Maar in "de Schuilplaats" is er nieuwe "wijn", "melk" en "levend water" (Joël 3:17-18). "Blaas de bazuin in Sion en maak alarm!" (Joël 2:1). "Wees krachtig in de Heer. Doe de wapenrusting Gods aan om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel". Want daartegen moeten wij strijden! "Niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden, tegen machten en boze geesten" (Ef.6:10-13). Blaas de bazuin! Vecht niet langer tegen vlees en bloed. "Wees vervuld van de Heer en vol van Zijn kracht" (Ef.6:10). De bazuin roept ons op om de geestelijke strijd te strijden.

De profetieën van Joël zijn trompetstoten van begin tot eind. Zij roepen niet alleen het volk op zich te bekeren en zich gereed te maken voor de strijd, maar ook om de feesten van de Heer weer te gaan vieren (Num.10:10). "Blaas de bazuin op Sion en heilig een vasten. Roep het volk bijeen en heilig de gemeente. Laat de priesters tussen de voorhal en het altaar wenen en zeggen: Spaar Heer, uw volk en geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad. Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God? Toen nam de Heer het op voor Zijn land en kreeg medelijden met Zijn volk. Hij zei: Ik zal u koren, most en olie geven en u ermee verzadigen. Ik zal u niet meer prijsgeven tot een smaad onder de volken. Vrees niet, o land, jubel en verheug u, want de Heer heeft grote dingen gedaan. Vrees niet, dieren van het veld, want de woestijn zal als een weide gaan groenen. Het geboomte draagt vrucht, vijgeboom en wijnstok geven hun rijkdom. En jullie, kinderen van Sion, juich en verheug u in de Heer, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid. Ja, regenstromen laat Hij voor jullie neerdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen" (Joël 2:15-24). De hele passage spreekt van het komende loofhuttenfeest, van de volle oogst van "koren, most en olie".

Het is geen wonder dat Joël de bazuin blaast en oproept tot berouw en bekering: "Verwoest is het veld, de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken. De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren, over de tarwe en over de gerst (=de oogst van pinksteren), want de oogst van het veld is verloren gegaan. De wijnstok is verdord, de vijgeboom is verwelkt" (Joël 1:10-13). Er kon in die dagen dus geen loofhuttenfeest komen! De oogst was verloren gegaan. Ook de "gerst". En is dit niet de situatie heden ten dage in veel kerken en gemeenten? Als u oren heeft om te horen, geef gehoor aan het bazuinsignaal en herstel de feesten van de Heer!

In onze dagen hebben er vanuit verschillende kanten rompetten geklonken. Maar weinigen maakten zich volkomen klaar. Hoe kwam dat? Omdat alleen "priesters" op de trompetten mogen blazen (Num.10:8). Alleen zij geven een helder signaal af. Paulus zei: "Als een bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie maakt zich dan klaar voor de strijd?" (1Cor.14:8). En waar een krachtiger geluid te horen was, bleek vaak bij nadere kennismaking niet op een "zilveren" bazuin te worden geblazen: het geluid was van een liefdeloos "schallend koper" (1Cor.13:1).

God Zelf zal voor "zilveren" herauten zorgen! Hij geeft Zijn niet aan menselijke maatstaven gebonden ekklesia "apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars tot opbouw van het lichaam van Christus" (Ef.4:11-13). Hun woord zal zijn "met gezag en niet als dat der schriftgeleerden" (Mat.7:28-29). Ze ontvangen hun bediening van de heilige Geest. Zij worden niet door mensen aangesteld of uitgezonden (vgl.Gal.1:1). Ze spreken een taal, die alleen verstaan wordt door wie "hongert en dorst naar de gerechtigheid" (Mat.5:6). Maar wie geestelijke realiteiten op aardse wijze willen blijven uitwerken en wéér het hemelse in een "oud vat" willen doen, zullen in afgrijzen hun oren afwenden en schreeuwen: "Kruisigt hen".

DE GROTE VERZOENDAG

Op de tiende van de zevende maand deed de hogepriester verzoening over alle zonden van heel Israël (Lev.16 en 23:27). Behalve de offers voor hemzelf werden er twee bokken genomen om verzoening te doen voor het volk. De ene bok werd geslacht, het bloed ervan in het heilige der heiligen gebracht en gesprenkeld op het verzoendeksel. De andere bok werd de woestijn ingezonden, nadat de hogepriester met zijn handen op de kop van het dier alle ongerechtigheden van Israël had beleden. Zo werd verzoening gedaan voor alle zonden van het volk (Lev.16:34). Opnieuw zien we het getal twee, dat wijst op de volheid van Christus, naar de Zoon en de zonen.

Het geslachte offerdier, waarvan het bloed werd gesprenkeld, is duidelijk een beeld van de Zoon, van Jezus. Hij is "met Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft eeuwige verlossing verworven" (Hebr.9:12). Hij bracht "Zichzelf als een smetteloos offer aan God" en sprenkelde als eeuwige hogepriester Zijn eigen bloed in het "ware heiligdom in de hemel" (Hebr.9:14,24). Door Hem is volledige verzoening mogelijk geworden. "Het heeft God behaagd in Hem woning te maken en door het bloed van het kruis alle dingen weer met Zich te verzoenen" (Col.1:20).

Maar dit grote verzoeningswerk is nog lang niet ten volle openbaar geworden in de gemeente van Christus, laat staan daarbuiten. Dat gebeurt echter wél, als de "tweede bok" (=de zonen) zich "de woestijn" in heeft laten sturen als "levende, heilige en Gode welgevallige offers" (Rom.12:1). Die zonen vormen een priesterlijke natie en zullen "de ongerechtigheid tegen het heiligdom en de ongerechtigheid in hun priesterambt begaan wegdragen" (Num.18:1). Zij "lijden voor het volk en vullen in hun vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus ten behoeve van de gemeente" (Col.1:24). God heeft hun "de bediening van de verzoening gegeven" en hun "het woord van de verzoening toevertrouwd" (2Cor.5:18-19). Zij geven zich "om het woord van God en om het getuigenis dat ze hebben" (Op.6:9). "Zij zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heen gaat" (Op.14:5). En "als het getal van deze mededienstknechten vol is" , breekt de ware grote verzoendag ten volle aan (Op.6:11). Dan zijn alle ongerechtigheden van het volk verzoend. Dan is het "de vrouw gegeven zich te kleden met blinkend en smetteloos fijn linnen" (Op.19:8).

De gedachte, dat van "zonen" verwacht wordt, dat ze volkomen "het Lam volgen" en zich met Hem vereenzelvigen, wordt op een andere wijze uitgedrukt in Leviticus 10:16-20: zij "eten het zondoffer". Toen de "zonen van Aäron" daarin nalatig waren, zei Mozes: "Waarom hebben jullie het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Want de Heer gaf het jullie om de ongerechtigheid van het volk weg te nemen en over hen verzoening te doen. Het bloed ervan is nu niet binnen in het heiligdom gebracht. Jullie hadden het in het heiligdom moeten eten".

Er zijn veel bijbelteksten, die de toestand zonder zonde en nederlaag beloven. "U zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is" (Mat.5:48). "Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één" (Joh.17:21-23). "Ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich gelijk Hij rein is" (1Joh.3:3). "Een ieder die in Hem blijft, zondigt niet" (1Joh.3:6). "Ieder die uit God geboren is doet geen zonde; want het zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren" (1Joh.3:9). Zonder Jezus is deze verlossing onmogelijk. Hij is de enige weg tot die volmaakte toestand bij de hemelse Vader (Joh.14:6). Wie op Hem, ootmoedig en door alle beproevingen heen, zijn geloof bouwt, komt nooit beschaamd uit (Ps.25:3).

De grote verzoendag vond plaats op de tiende van de zevende maand (Lev.23:27). De tijd tussen het blazen op de trompetten en de grote verzoendag is tien dagen en duidt op een periode van grote beproevingen. Het getal tien wordt vaak in de bijbel gebruikt in verband met beproeven en testen. Enkele voorbeelden? De grootste test aller tijden is de wet van Mozes, die bestond uit tien geboden. In Daniël 1 vers 12 lezen we: "Neem toch met uw dienaren gedurende tien dagen de proef". Jezus zegt tot de gemeente van Smyrna (=mirre, bitterheid): "U zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven" (Op.2:10). De discipelen wachtten tien dagen op de uitstorting van de heilige Geest. Het lijdt dan ook geen twijfel, dat er een tijd aanbreekt, waarin lijden, testen en beproeven de volgelingen van Jezus niet zullen worden bespaard. God zal de Zijnen ziften, als voorbereiding op de grote verzoendag en het loofhuttenfeest.

Israël werd opgeroepen zich op de grote verzoendag te verootmoedigen (Lev.23:27). Ook nu dient het volk van God zich te verootmoedigen. Het moet erkennen, dat het een "grote verzoendag" nodig heeft. Het is waar: door Jezus' bloed zijn wij gerechtvaardigd (Rom.5:9). Maar is deze rechtvaardiging praktisch volkomen doorgewerkt in het volk van God? Is zij in de gelovigen vlees en bloed geworden? Kennen en ervaren wij ware heiligheid en reinheid in gedachten, woorden en daden? Leven wij een leven als Jezus? Natuurlijk is overwinning over het vlees mogelijk. Velen hebben dit gepredikt en getuigden van overwinning. Maar tot op heden heeft de grote verzoendag haar vervulling in de gemeente nog niet gevonden. Daarom roept God Zijn volk op zich te verootmoedigen, opdat het de volmaakte overwinning die de bijbel belooft, uit Zijn hand kan ontvangen.

Bij verootmoediging hoort bezinning: hoe vindt God, dat ik bezig ben geweest, aards of hemels? In hoe verre ben ik hervormd (Rom.12:2)? Hoe is het gesteld met de gedaanteverwisseling die ik moet ondergaan? Heb ik mij lang genoeg als "aardse" "rups" ingepopt, om "vlinder" "van boven" te worden? Een "rups" kan zich niet reproduceren, een "vlinder" wel. Hij heeft wel alle mogelijkheden in zich om "vlinder" te worden. Daartoe moet ze zich "inpoppen". De enige manier om de metamorfose te ondergaan is in absolute afzondering: alleen met Jezus (vgl. Gal.1:12-17). Wie wil worden veranderd, moet alles wat hij geestelijk bezit in de stilte uitsorteren (Mat.13:52). Het goede moet verwerkt en het ondeugdelijke moet worden weggedaan (Mat.13:48). Wie blijft rennen "voor zijn eigen huis, terwijl Gods huis verwoest ligt" kan deze gedaanteverwisseling niet ondergaan. Voor wie zich niet verootmoedigt en niet alle vleselijke werken staakt, blijft de volheid van verzoening uit.

Daarom moeten allereerst wij christenen ons bekeren van elk dood werk, van elk traditiegebed en elk gewoonteoffer en van elk ijdel woord (Hebr.6:1, Jesaja 1 en Mat.12:36). De waarheid moet in ons gestalte krijgen. Wie waarheid wil zijn, moet de stilte in, alleen met de Heer. Alleen Gods Geest kan ons in alle waarheid leiden. Is dit voor u te moeilijk? Zijn de mensen of het werk te belangrijk? Broeder of zuster, aanbid toch niet langer "het werk van uw handen!" De grote verzoendag komt! En dan komt het er op aan wat we zijn, aards of hemels.

Laten dan nu wie ogen hebben om te zien en oren om te horen, zich verheugen in het plan, dat God ontvouwt: het tot volmaaktheid brengen van de Gemeente (Col.3:10, Hebr.6:1). Nogmaals: het gaat hier niet om een leven dat is vrijgemaakt van een bepaalde zonde of gebondenheid, van een onplezierig humeur of een slechte gewoonte. Het gaat hier om een leven, dat identiek is aan dat van Jezus, in "aarden vaten" van menselijk leem. Laat uw gebed zijn: "Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede in de hemel, maar ook op aarde, ook in mij". Stel u open voor de komst van Zijn koningschap! Laat het leven van Jezus in u groeien tot volle rijpheid. Dit is het leven van (en niet de kennis omtrent) het Koninkrijk der hemelen. Het is "Christus in u, de hoop der heerlijkheid", die nu "in u gestalte krijgt" (Col.1:27, Gal.4:19).

"De grote verzoendag" komt niet door vleselijke inspanning. Ook niet door alleen gebed, verootmoediging en het zoeken van Gods aangezicht. Dit alles is natuurlijk noodzakelijk en God zal oprechte gebeden verhoren en de weg tot volmaaktheid tonen. Gods wijze is het offer van "twee" bokken: van Jezus, het Hoofd, en van de priesterlijke zonen. Om "alles tot volheid te brengen" geeft God overwinning door het bloed van het Lam én door het getuigenis van "apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, totdat wij allen de volheid van Christus bereiken" (Ef.4:10-13, Op.12:11). God heeft aan de ekklesia Zijn Zoon gegeven én de bedieningen van zonen. Zo verschijnt "het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van Zijn Gezalfde" (Op.12:10). Zo komt de ware grote verzoendag.

HET LOOFHUTTENFEEST
Het feest van ware eenheid

Op de vijftiende van de zevende maand begon het loofhuttenfeest. Op die dag verzamelden de Israëlieten palmtakken, twijgen van loofbomen en wilgen en bouwden daar hutten van. Want God had bepaald: "Allen die in Israël geboren zijn, zullen in loofhutten wonen" (Lev.23:40-42).

Het loofhuttenfeest is een prachtig beeld van de gemeenschap der heiligen. Elke Israëliet moest het zijne verlaten: zijn woning, zijn kudde, zijn zaak, zijn boerderij, zelfs zijn nieuwe oogst. Ieder moest zich richten naar "de plaats die de Heer verkiezen zou" (Deut.16:15). Dat was Jeruzalem. Dáár moest men zich verzamelen. Op de hoofdwegen ernaar toe en in de stad zelf woonden ze zeven dagen lang in loofhutten, want "uw geslachten moeten weten, dat Ik de Israëlieten in hutten heb laten wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde" (Lev.23:43). Niemand hoefde te vrezen, dat de vijand hun huizen tijdens hun afwezigheid zou aanvallen en leegplunderen. Wie gehoorzaamde, was veilig. God had namelijk beloofd: "Niemand zal uw land begeren, wanneer u opgaat om voor het aangezicht van de Heer uw God te verschijnen" (Ex.34:24).

Als wij nu eens beseften wat dit allemaal betekent, dan zouden wij ons niet zo druk maken over onze groepjes en kerkjes. Wij zouden blij "opgaan" naar "het hemelse Jeruzalem" om ons daar te "verzamelen". Want ook voor nu geldt: wie gewillig is en gehoorzaamt, heeft niets te vrezen. Het is nu de "de zevende maand". Als God nu Zijn volk oproept tot eenheid in de Geest, is ook nu gehoorzaamheid het enige dat telt. De Heer zal zorgen voor onze geestelijke "huizen" en alles wat we "bezitten". Wat werkelijk door Hem gewild is, zal Hij voor ons beschermen. Amen!

God wil dus, dat ook wij "opgaan naar Jeruzalem" in "de zevende maand". Wat we moeten leren, is als leden van de ware ekklesia in de geest te functioneren en niet als leden van een bepaalde kerk of groep. Wij moeten leren de ware gemeente van Christus te onderscheiden, waarvan het Hoofd "boven" is. Een andere oplossing om te komen tot blijvende eenheid is er niet. Jezus formuleerde het zo: "Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn heerlijkheid te aanschouwen, die U Mij gegeven hebt" (Joh.17:24). En: "Heilige Vader, bewaar hen in Uw naam, dat zij één zijn zoals Wij. En Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor wie door hun woord in Mij gaan geloven, opdat ze allemaal één zijn, zoals U in Mij bent en Ik in U" (Joh.17:11,20).

Velen houden deze eenheid voor onmogelijk. Maar zijn ook wij niet "in de zevende maand" gekomen? Mogen wij nóg langer de heilige Geest blijven onderschatten? Bij Hem zijn alle dingen mogelijk. Want Hij heeft het middel gegeven om tot die eenheid te komen: de bedieningen van ware apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. God wekt "goede herders" op, "om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon" (Ef.4:12). Stap voor stap brengen deze onbaatzuchtige dienstknechten van God de "afgezonderden" verder op de weg naar volmaaktheid. Ze ontvangen steeds meer sleutels van het Koninkrijk der hemelen, "totdat ze allemaal de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben" (Ef.4:13). Dan is in allen "de gezindheid die ook in Christus Jezus was" (Fil.2:5). Dan zijn allen "één van zin en één van gevoelen" , "één in liefdebetoon, één van ziel en één in streven" (1Cor.1:10,2:16. Fil.2:2).

Velen zullen de knechten van God die op deze manier bijeenbrengen, niet ontvangen (Joh.1:11, Mat.23:34-35). Ze geven de voorkeur aan anderen, met sensationele activiteiten of met een goed gemeentemanagement. Ze bewandelen liever andere wegen: veel gebed, lang vasten, veel bijbelstudie. Dat kan natuurlijk nodig zijn om het hart van een gelovige toe te bereiden, maar in zichzelf leiden deze dingen niet tot volmaakte eenheid. God geeft bedieningen des Geestes aan dienstknechten naar Zijn hart! Niemand kan zo'n bediening kiezen. God geeft ze. "En zij zullen Mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig, en het verschil doen kennen tussen onrein en rein" (Ez.44:23).

Voor oprechte gelovigen is het dan ook een moeilijke tijd. Enerzijds moeten ze de goede herders ontvangen, anderzijds de misleiders, waarvan er "velen zijn uitgegaan in de wereld" van de hand wijzen (2Joh.7). Ze moeten het verschil leren zien tussen echt en namaak, tussen bedieningen des Geestes en "geestelijk" werk op menselijk initiatief en op ziels niveau (vgl.Fil.1:9).

Lang geleden merkte Oswald Chambers dit verschil al op. Hij schreef: "Heden ten dage wordt er te veel nadruk gelegd op praktisch werk. Heiligen die elk plan gevangen nemen worden bekritiseerd: men zegt, dat zij geen ernst maken met God of met de zielszorg. Ware ernst openbaart zich in gehoorzaamheid aan God en niet in de geneigdheid om Hem te dienen op een ongedisciplineerde, menselijke wijze. Het is onbegrijpelijk maar waar, dat herders niet elk plan gevangen nemen, maar steeds naar weer werk doen voor God, gedreven door hun eigen menselijke natuur, die niet vergeestelijkt is geworden door een vastberaden tucht" (uit "Geheel voor Hem", 9 september, vgl. ook 2Cor.10:5).

Veel christenen zijn dan ook als de menigten, die Jezus volgden: als schapen die geen herder hebben (Mat.9:36). Jezus vergiste Zich niet toen Hij dat zei. Er waren wel veel schriftgeleerden, Farizeeën en Sadduceeën, maar het waren geen goede herders (Mat.23). Ze stonden met hun grote godsdienstigheid goedwillenden juist in de weg (Mat.23:13). Ze brachten "niet bijeen, maar verstrooiden" (Luc.11:23, vgl. Fil.2:2).

Goede herders hebben geleerd om onbaatzuchtig te zijn. Zij hebben zuivere motieven, geen enkel bijoogmerk. Ze zoeken niet hun eigen belang en eer (Joh.7:18). Zij verzamelen geen mensen om zich heen, maar wijzen net als Johannes de Doper op Jezus (Joh.1:35-37). Zij hebben geleerd, dat God voorziet. Het uitzenden van gebedsbrieven om financiële steun is voor hen taboe. Zij zijn bereid hun leven neer te leggen voor de schapen, die naar buiten zijn geleid (Joh.10:3,15). Aan hun vruchten worden ze gekend, aan hun waarachtige "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal.5:22). Het zijn herders die bijeenbrengen bij Jezus, totdat "het zal worden één kudde, één herder" (Joh.10:16).

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van volle vreugde

God wilde dat het volk blij was op het loofhuttenfeest: "U zult u verheugen op het feest, u met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen" (Deut.16:14).

Zo lang de Israëlieten God gehoorzaamden, leefden ze in vrede en voorspoed. Zodra ze ongehoorzaam waren, kwam er een sprinkhanenplaag (zoals ten tijde van Joël), of droogte en dus hongersnood. Voor hen had het loofhuttenfeest dan geen betekenis meer. Er was geen oogst, dus ook geen feest.

Hoewel de gemeente van Christus als geheel dit feest nog niet heeft gevierd, waren er toch wel perioden in haar vroege geschiedenis, waarin ze een voorsmaak heeft ervaren van de vreugde ervan. Maar doorgaans geldt ook nu voor haar: "Verwoest is het veld, de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken. De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren over de tarwe en over de gerst, want de oogst is verloren gegaan. De wijnstok is verdord en de vijgenboom verwelkt. Granaatappelboom, ook palm- en appelboom, alle bomen zijn verdord. Ja, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht" (Joël 1:10-12).

"Wat klinkt dat negatief!", zullen sommigen denken. Maar wees eerlijk: is het niet zo, dat heden ten dage de blijdschap in veel gemeenten de vrucht van de heilige Geest niet kan zijn? Velen "ontsteken eigen vuur" (Jes.50:11). Dat is enthousiasme, een vrucht van de menselijke ziel, van "het vlees". Zo worden veel gelovigen afgeleid van hun erfenis in de geest. En waar slaat dit nu niet aan? Waar wordt "het lied van de Heer" niet vervangen door in Babel gezongen liederen?

Met "Babel" bedoelen we hetzelfde als wat het voor Israël betekende: gebondenheid in een vreemd land. Toen Israël ongehoorzaam was, verloor het alles, de tempel incluis. De gemeente van Christus ging dezelfde weg. Ook zij verloor haar heerlijkheid. Van haar verheven positie als "heilige natie en koninklijk priesterschap" verviel ze tot een natie van zondeslaven. Ze werd weggevoerd naar het "land" van háár ballingschap: naar "het vlees" en "de wereld". Haar ware blijdschap is weg.

De Israëlieten kwamen dus in Babel terecht. En daar vroegen de Babyloniërs: "Zing voor ons eens een lied van Sion" (Ps.137:3). Men verlangde vreugdebetoon. Het godvrezende overblijfsel echter weigerde dit te doen, omdat er niets was om zich over te verheugen. Ze treurden en weenden als ze aan Sion dachten. Hun heilige stad lag in puin. De tempel was een ruïne. En "hoe zouden ze het lied van de Heer zingen op vreemde grond?" (Ps.137:4). Het lied van de Heer was een tempellied! En die tempel lag in puin. Vreugde was ongepast! Het volk zat in zak en as en vroeg zich af: "Waar is koren en wijn?" (Klaagl.2:10-12).

Een parallel met onze tijd is niet moeilijk te trekken. Hoe is nu de situatie van Gods volk? Waar is nu koren en wijn? Waar is de gezindheid van Christus? Waar de reinheid van gedachten en gedrag die in Jezus was? Waar de afzondering van de wereld zoals Jezus die kende? Waar is nu de overwinning over zondige gewoonten, begeerten, bitterheid en huichelarij? Waar is het verlangen om God te aanbidden in geest en waarheid (Joh.4:23-24)? Wie wil voor Zijn naam op de bres staan en anderen bevrijden van het juk dat drukt? Kijk toch eens rond! Allereerst in uw eigen leven! Ziet u dode werken? Religiositeit zonder vitale waarheid? Gewoontegodsdienst? Dode opwekkingssleur? Namaak? Geestelijk stand ophouden? Herken Babel.

God zegt: "Ga uit van haar, Mijn volk, opdat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel" (Op.18:5). Babel is niet de stad van God. Het is de geraffineerde namaak van Zijn hemelse stad. Alles is er nét echt. Maar haar lot is bezegeld: ze is in wezen al ingestort (Op.18:2). Vandaar Gods oproep: "Ga uit, Mijn volk. Ook jullie hebben van haar wijn gedronken" (Op.18:3). Ontvlucht al het nét echte. "Sta op en vertrek, want dit is het land van de rust niet" (Micha 2:10). Schud alle aardsgerichtheid af! "Houd niet vast aan het onreine" (2Cor.6:17).

Velen dachten gehoor te hebben gegeven aan deze oproep. Ze verlieten hun kerken, verbraken vele banden, terwijl ze niet volkomen "de binnenzijde van de beker" reinigden. Jezus zegt: "Reinigt eerst de inhoud van de beker" (Mat.23:26). Het uittrekken uit Babel is allereerst een geestelijke zaak. Het heeft geen zin om een kerkelijk istituut waarin we zijn teleurgesteld, vol afkeer de rug toe te keren om ons aan een andere te binden. Als wij uittrekken, moeten we opgaan naar "Sion, de stad van de levende God", naar "het hemelse Jeruzalem". Als wij ons willen hergroeperen, moet dat nu gebeuren in geest en waarheid. Dan zal God overvloedig vergeven (Jes.1:2-20). Dan keert ware vreugde terug (Jes.65:18-19). Dan zullen liederen als Psalm 126 weer worden gehoord: "Toen de Heer de gevangenen van Sion deed terugkeren, was het of we droomden. Toen werd onze mond vervuld met lachen, onze tong met gejuich. Toen zei men onder de heidenen: "De Heer heeft grote dingen bij hen gedaan!" De Heer heeft grote dingen bij ons gedaan! Wat waren we blij! Halleluja!"

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van de volle oogst

Voor de Israëlieten was het loofhuttenfeest "het feest van de inzameling aan het eind van het jaar, wanneer alle vruchten van de akker ingezameld zijn" (Ex.23:16).

Het is voor velen niet duidelijk, wat de akker is, die "koren, wijn en olie" zal voortbrengen. "De wijngaard van de Heer is het huis Israëls" (Jes.5:1-7). De aarde waarin het zaad gezaaid wordt, zijn zij die in Jezus geloven (Marc.4:1-20). En Paulus zegt: "Gods akker zijn jullie" (1Cor.3:9).

We weten, dat "de Vader de landman is" (Joh.15:1). Als wij Zijn akker zijn, dan zal Hij alles doen om ons tot grote vruchtbaarheid te brengen. Hij zorgt voor Zijn land als geen ander. Hij is verantwoordelijk voor de oogst. Daarom "troost de Heer Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de tuin van de Heer. Blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang" (Jes.51:3).

God schept altijd licht uit duisternis, leven uit dood, kracht uit zwakheid, vruchtbaarheid uit onvruchtbaarheid. We mogen ons daarom verheugen in het werk van de Heer. De dorheid en verlatenheid van Sion zal veranderd worden in een lusthof. "De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; ze zal welig bloeien en juichen, ja juichen en jubelen" (Jes.35:1-2). Er zal vreugde zijn om de grote opbrengst. "De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen" (Joël 2:18-27). Letterlijk staat er: overstromen van nieuwe wijn en olie, beelden van de vruchten van de Geest in de heiligen.

Deze grote inzameling van geestelijke vruchten is de oogst, waarop de Landman wacht. God wacht niet totdat Zijn volk zich eindelijk eens open stelt voor al Zijn gaven. Hij geeft die aan iedereen die ze wil ontvangen. Maar met vruchten is dat anders. Vruchten moeten groeien. Het is altijd Gods bedoeling geweest, dat de gemeente vruchten zou voortbrengen door een aanhoudende groei in de geest. Daarom geeft God de geestesgaven, die de groei in Zijn akker stimuleren.

Elk lid van de gemeente moet "in elk opzicht naar Hem toe groeien" (Ef.4:15). Als de Heer komt, komt Hij niet om te zoeken naar gaven die Hij Zelf heeft gegeven, maar naar geestelijke vruchten. Dat is Zijn loon (Jes.62:11-12, Op.22:12). Tot op heden kwam de Landman naar Zijn hof om te enten, te snoeien en te begieten, zonder iets terug te verwachten. Nu de oogsttijd nadert, zal Hij tot Zijn akker komen met uitsluitend één doel: Hij komt om Zijn loon, om de vruchten van de Geest in Zijn volk. Hij komt in het volste vertrouwen, dat Zijn tedere zorg edele vruchten heeft opgeleverd (vgl. Jes.5:4-5).

Wat men doorgaans voor vruchten aanziet, zijn vaak niet de vruchten die God verlangt. Mensen zien graag vruchten van het werk, van de boodschap, zichtbare resultaten van inspanning (Luc.16:15). God wil goede vruchten (Mat.3:10). Dat zijn vruchten van de Geest. Maar al te vaak worden produkten van menselijk werk aangezien voor goede vruchten. Ze worden, als Kaïns "vruchten der aarde" door God niet geaccepteerd (Gen.4:3).

Goede vruchten kunnen alleen worden voortgebracht na een bijbelse bekering. Het Griekse woord, dat wij als bekering hebben vertaald, is metanoia. Het betekent in eerste instantie een verandering van denken. Het "oude" denken "van beneden" brengt dode, religieuze, traditionele, formele gebruiken voort en sleur, lege en ijdele woorden. "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen: iedere boom, die geen goede vruchten voortbrengt, die aan de metanoia beantwoorden, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen" (Mat.3:8-10). Vandaar dat Jezus zegt tot alle gemeenten: "Ik ken jullie werken" en dat Hij tot vijf van de zeven gemeenten moet zeggen: "Bekeer je" (Op.2 en 3). "Ga toch nieuw denken". "Bedenk de dingen die boven zijn" (Col.3:2). "Word hervormd door de vernieuwing van denken" (Rom.12:2).

Wat een heerlijke tijd staat de gemeente te wachten: een volle oogst van goede vruchten. "Zie, Ik zal koren, most en olie zenden, zodat u daarmee verzadigd wordt" (Joël 2:19). Dat is wat! Verzadigd met "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal.5:22).

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van volmaakte rust

Alle feesttijden van de Heer stonden in verband met de sabbat (Lev.23:3,7,16,23,28). Het waren tijden, dat de Israëlieten rustten van het werk en zich verblijdden in de rust van de Heer. Loofhutten wijst heen naar de volkomen rust, die nog moet komen. Het was het zevende feest, in de zevende maand. En zoals de Israëlieten rustten aan het eind van de week, op de zevende dag, zo is het loofhuttenfeest het einde van het werken van de gemeente van Christus.

De eerste dag van het feest was op de vijftiende van de maand. Het werd zeven dagen gehouden (Lev.23:39). De laatste dag was de éénentwintigste. Daar 21 het drievoud is van zeven, betekent dit stellig, dat de "volmaakte rust die blijft voor het volk van God" is aangebroken (vgl. Hebr.4:9). De daaropvolgende dag (de tweeëntwintigste) was wéér een sabbat (Lev.23:39). Die dag hoorde eigenlijk niet bij de zeven feestdagen. Het getal acht verwijst in de bijbel naar het nieuwe leven in Christus. Ongetwijfeld duidt deze achtste dag op het feit, dat Gods doel met de mens bereikt is: er is een nieuwe "dag" begonnen, een nieuwe periode van ongekende rust.

In het oude testament vinden we talrijke heenwijzingen naar de rust van God. Enkele voorbeelden: De zevende scheppingsdag is een beeld van de "sabbatsrust, die blijft voor het volk van God" (Gen.2:2-3, Hebr.4:9-10). De naam Noach betekent rust en de duif die hij uitzond vond uiteindelijk een rustplaats voor haar voet (Gen.8:8-12). Na grote omzwervingen vond de ark van het verbond eindelijk een rustplaats (1Kron.6:31). Bij de inwijding van de tempel tijdens het loofhuttenfeest was Salomo's gebed: "Here God, sta op naar uw rustplaats, U en de ark van uw sterkte. Laten uw priesters zich bekleden met heil en uw gunstgenoten zich in het goede verheugen" (2Kron.5:3, 6:41).

Hoe komen wij tot dat punt? Wij gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid, van rust tot diepere rust, totdat we komen in Zijn rust. Dat is: in de rust die in God Zelf is (Hebr.4:1,6-7,10-11). Als dit ons verlangen is, vraagt God van ons een nauwgezette wandel in de geest, vol geloof, volharding en geduld. Zonder nauwkeurig te luisteren naar Zijn stem vallen we absoluut in dezelfde fouten als het natuurlijke volk lsraël. Daarom zegt Hebr.4:1-2: "Laten wij op onze hoede zijn, dat niemand van ons, terwijl nog een belofte van tot Zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. Want ook aan ons is het evangelie verkondigd, net als aan hun, maar het woord van de prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging".

Het is duidelijk, dat het hier gaat over het ongeloof van het volk van God. Vanaf de berg Horeb had de reis naar Kanaän maar elf dagen geduurd. Twaalf verspieders werden uitgezonden en verkenden het beloofde land veertig dagen lang. Ze zagen, dat het ongelooflijk rijk en vruchtbaar was. Zij die op hen wachtten in de woestijn zouden nooit geloven, wat ze hadden gezien. Vandaar dat ze wat vruchten van het land meenamen: een druiventros, een paar granaatappelen en vijgen. En bij hun terugkeer zeiden ze: "Ja, dit land vloeit van melk en honing en dit is zijn vrucht" (Num.13:1-27).

Wie zou durven beweren, dat de verspieders het land in bezit hadden genomen, toen ze met fruit terugkwamen? Wij zingen in opwekkingsliederen van de vruchten van Kanaän en horen vaak prediken, dat Gods volk al in Kanaän zou zijn. Maar in feite trekt het nog steeds door de woestijn! Het is waar, dat God ons Zijn Geest wil geven. Door de heilige Geest kunnen wij de diepten Gods doorvorsen, zoals de verspieders Kanaän doorzochten( 1Cor.2:10). Wij ontvangen dan het "onderpand van onze erfenis" (Ef.1:4). Of "de eerste vruchten van de Geest" (Rom.8:23, letterlijk vertaald).

Hoe blij we ook zijn met het werk van Gods Geest van de laatste jaren, maar ook dat was een "tijd van eerste rijpe druiven" (Num.13:20). We kwamen terug van verkenningstochten met enkele vruchten van het land. Ze waren heerlijk! Jezus wil ons nu verder leiden, het "land van melk en honing" in. Want pas als we in het "land" zelf "wonen", is er "leven in overvloed" (Joh.10:10). Dan is er volop "water" uit de "Bron des Levens" en wonen we in een "Huis" dat we niet zelf hebben gebouwd (Joh.14:2). Daar is een overvloed van "nieuwe" "vruchten". Daar heerst de rust die blijft voor het volk van God. Daar zijn de woningen, die Jezus heeft bereid (Joh.14:2).

Elke keer weer stelt God Zijn kinderen in staat het koninkrijk der hemelen te zien en het binnen te gaan. Velen laten zich uitleiden uit het formalisme van traditionele instellingen. Ze verlangen meer dan het leven in de woestijn. Ze zien uit naar het land der belofte. En de Heer is goed! Hij geeft "druiven van Eskol, vijgen en granaatappelen" aan ieder die gelooft als een Jozua en een Kaleb. Ze ontdekken, dat het een goed land is, vloeiend van melk en honing. Ook zij weten, dat God wil, dat ze dit rijk zullen binnengaan (Joh.3:5). Maar ook nu weigeren velen te geloven, dat ze daartoe de kracht en de autoriteit hebben. Tien verspieders, allen "hoofden van de Israëlieten", vertellen het volk ook nu, dat het land niet kan worden ingenomen (Num.13:3,31). Ze "verspreiden zelfs een kwaad gerucht over het land" (Num.13:32). Ze bekijken alles met menselijke ogen (Num.13:33). Daarom moeten verreweg de meesten terug, de woestijn in, om daar te sterven. Ze keren terug naar historische systemen en structuren. Zo versteent het werk van de heilige Geest tot steeds weer nieuwe denominaties. Zo wordt het nieuwe leven van de oneindige Geest Gods wéér op aardse wijze uitgewerkt en in oude vaten gedwongen.

Tegelijkertijd heeft de Heer een nieuwe generatie op het oog, die naar de "twee" (Jozua en Kaleb) zullen luisteren: "Laten we gerust optrekken" (Num.13:30). "Wees niet opstandig. De Heer is met ons; vrees niet" (Num.14:6-9). Maar Israël wilde destijds niet naar hen luisteren. Men wilde hen zelfs stenigen (Num.14:10). Wie dat voorbeeld volgt en Gods ware dienstknechten blijft afwijzen, gaat dus terug de "woestijn" in, "veertig" jaar lang, om verootmoedigd en op de proef gesteld te worden "ten einde te weten wat er in hun hart is, of ze al dan niet Zijn geboden zullen onderhouden" (Deut.8:2). In die "veertig" woestijnjaren blijft de Heer, liefdevol als Hij is, goed voor Zijn volk zorgen. Dagelijks geeft Hij manna. Hij zorgt voor water uit de Rots, voor kleding en schoeisel. Hij geneest hun zieken, als Hij wordt aangeroepen. Maar het is een onloochenbaar feit, dat het geslacht, dat weigert in te gaan, sterft in de woestijn.

Daarna spreekt de Heer tot "Jozua": "Mijn knecht Mozes is gestorven, welnu, maak u gereed, trek met dit volk de Jordaan over naar het land dat Ik hun geven zal" (Joz.1:1-2). "Mozes" had plaats gemaakt voor "Jozua" (Hebreeuws voor Jezus). Onder zijn leiding zou het land veroverd worden. De vorige generatie had alleen genoten van de vruchten, die waren meegenomen door de spionnen, maar wilde niet voorgoed de "Jordaan" door. Zo willen ook nu velen niets horen van een dagelijks sterven met Jezus en van "de openbaring van Jezus Christus" in hun eigen leven. Dit alles is voor later, zeggen ze. Natuurlijk doopt de Heer met Zijn Geest. Maar een mens kan toch niet "Christus Jezus in gedoopt zijn" en geheel in Hem opgaan! Wel kunnen we wat druiven uit Eskol halen, maar het is onmogelijk in Eskol te gaan wonen! Wel kunnen we een zalving van de Geest krijgen en af en toe heilige gedachten van God ontvangen, maar je kunt toch niet in zo'n mate de gezindheid van Christus verkrijgen, dat je Zijn gedachten denkt, Zijn woorden bezigt, Zijn daden doet! Dat zou gelijkvormigheid aan Jezus betekenen! Volmaaktheid!

Toch is dat Gods doel met de ware gemeente (Ef.3:17-21). Niet door een sterven aan het einde van ons leven, maar door een sterven met Jezus Christus tijdens ons leven. Dit is het sterven van alle werkingen van het vlees, alle begeerten, lusten en hartstochten die ingaan tegen de Geest (Gal.5:17). Dit is voor ons het "door de Jordaan gaan". De vraag is dus: wat gaan wij doen? Blijven we waar we zijn? Of staan we op uit het "stof" van de "woestijn", om onze "Jozua" te volgen, door de "Jordaan" heen naar het "beloofde land"? God roept ons op om in te gaan in Zijn rust. "Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet" (Ps.95:8-11, Hebr.4:7). Er is veel tegenstand, dat is waar. Maar God belooft: "lk zal u niet verlaten. Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef ik u" (Joz.1:3,5,6,9). Laten we dat toch geloven! Laten we het land van Zijn rust binnengaan. Want dáár zijn de grazige weiden aan rustig water met leven in overvloed. Dáár ervaar je het loofhuttenfeest met de ongekende innerlijke rust die nooit meer zal worden onderbroken.

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van volle heerlijkheid

Sommigen menen dat de charismatische beweging van de laatste decennia de vervulling is van het oudtestamentische loofhuttenfeest. Dit kan niet waar zijn. De Heer gaf de vervulling van het pinksterfeest, het feest van "de derde maand". Hij gaf "het onderpand van onze erfenis" (Ef.1:14). De erfenis zelf wordt verkregen in "de zevende maand".

Wie een onderpand ontvangt en er niets mee doet, ontvangt de erfenis dus nooit. Wie zijn geestelijke talent in de grond verbergt, verliest alles (Mat.25:14-30). Wij moeten daarom boven de sfeer van het zichtbare uitstijgen om te komen tot de hogere kennis van het hemelse (Joh.3:12). Enerzijds "zal de heilige Geest ons de weg wijzen tot de volle waarheid (Joh.16:13). Anderzijds moeten we het "onderpand" gebruiken en "Hem geen rust gunnen, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde" (Jes.62:7). De heerlijkheid, die de Vader aan Jezus gaf, moet als het ware geërfd worden door de "twaalf", door "zonen" (vgl. Joh.17:22). De "ekklesia" moet die "zoon" voortbrengen (Op.12:5, Op.2:27).

We kunnen verwachten, dat met de weeën van de heiligen om deze "zoon" voort te brengen, er ook de weeën zullen zijn van een stervend priesterschap, dat de "oude" orde wil laten voortbestaan en ook een "zoon" wil voortbrengen. Een prachtig beeld daarvan vinden wij in 1 Samuel 1 tot 4, waar het gaat over de geboorten van Samuël en Ikabod.

Eerst Samuël. Hanna bad God voortdurend en vurig om een zoon. Ze was onvruchtbaar en beloofde, dat als ze die zou krijgen, hij zijn leven lang een Nazireeër Gods zou zijn. God gaf haar een zoon. Ze noemde hem Samuël, wat betekent: "Van God gebeden". Deze "van God gebedene" zou het tanende priesterschap van het huis van Eli opvolgen (zie b.v. 1Sam.7:8-12). Vanwege de wetteloosheid van Eli's zonen had God besloten het priesterschap van hen weg te nemen en het aan "de zoon van de onvruchtbare" te geven.

En zo gebeurde het. Hofni en Pinehas, die beiden recht hadden op het priesterschap, sneuvelden op dezelfde dag dat de ark in handen van de Filistijnen viel. Hun vader Eli stierf bij het vernemen van de onheilstijding. Toen Pinehas' vrouw hoorde, dat de ark was buitgemaakt, overvielen haar weeën en baarde ook zij een zoon. Stervende gaf ze hem de naam "Ikabod" wat betekent: "Geen heerlijkheid" of "Waar is de heerlijkheid?"

Aardsgezind christendom kan proberen wat het wil, maar het brengt alleen maar "Ikabods" voort. "Geen heerlijkheid", Het stervende priesterschap zal een "zoon" baren, maar "Ikabod" is zijn naam. God heeft een ander aangewezen. Zijn naam is "Samuël". Hij is "van God gebeden". De gebeden van Gods volk worden verhoord! "Een mannelijke zoon" wordt geboren (Op.12:5). "Ikabods" mogen dan "priesters" zijn naar aardse maatstaven. Maar God stelt anderen aan, naar de "ordening van Melchizedek" (Hebr.6:20).

Dat priesterschap naar de ordening van Melchizedek bestaat niet uit aardse priesters. Het is een onvergankelijk priesterschap "krachtens een onvernietigbaar leven" (Hebr.7:16). Alles van het tijdelijke doet hier geen nut. Natuurlijke voordelen, menselijke bekwaamheden en verworvenheden, aardse verschillen in ras, opvoeding of kerkelijk succes, dit alles heeft hier geen waarde. Dit priesterschap heeft geen weet van vader, moeder, geslacht, begin of eind (Hebr.7:3). Het is een priesterschap in geest en waarheid, van Melchizedek, "Koning van de gerechtigheid, Koning van Salem" (=Vredevorst, Hebr.7:2). Dat soort koninklijke priesters brengen gerechtigheid en vrede en hun koninschap "bestaat in gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Geest" (Rom.14:17).

Door de Geest die in Jezus was kan dit koninklijk priesterschap ook ons deel worden. "Hij is voor ons als voorloper binnengegaan en naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in eeuwigheid" (Hebr.6:20). Hij is de "nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft" (Hebr.10:20). Voor ons! Niet alleen voor de kerk in het verleden, voor een komende bedeling of voor een speciaal volk, maar voor ieder die Gods Woord hoort en het verstaat. Als u Zijn stem hoort, verhard u dan niet (Hebr.3:15). Aanvaard deze nieuwe orde. Ze is "van boven" (Joh.8:23).

Ieder christen die de stem van de goede herder hoort en Hem volgt, de "stal" uit naar de "groene weiden aan stille wateren", zal op den duur een waar koning en priester worden. Het is namelijk een wordingsproces. Tot het priesterschap behoren, als kind of jongeling, is iets anders dan priester zijn (vgl.1Pet.2:9). Van koninklijke bloede zijn of koning zijn is niet hetzelfde. Wij horen inderdaad tot een koninklijk priesterschap, maar op het loofhuttenfeest wordt geopenbaard "wat wij zullen zijn" (1Joh.3:2). Dan zal blijken wie er zijn "gemaakt tot priester om als koning te heersen op aarde" (Op.5:10). Koningen! Volwassen priesters! Gewassen, in linnen gewaden, gezalfd, geheiligd (Ex.40:12-16). Het zijn ware knechten van God, die "de ark van de Heer dragen, die voor Hem staan om Hem te dienen en die zegenen in Zijn naam!" (Deut.10:8). Dit priesterlijk volk zal Sions puinhopen herstellen. "Hij zal de tempel van de Heer bouwen, met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon. En hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn" (Zach.6:13).

Wat betekent dat, "tussen hen beiden? "Beiden" slaat op Jozua, de hogepriester, gekroond met kronen en op "een man wiens naam is Spruit" (Zach.6:11-12). Het heeft betrekking op Jezus (de Griekse vorm van Jozua) en Zijn Lichaam. De Spruit is hij, die zal uitspruiten tot een koninklijk-priesterlijk "lichaam" (vers 12-13). Dat zijn zij, die "in elk opzicht naar Hem toegroeien" (Ef.4:15). Beiden! Het hogepriesterschap van de Zoon en het priesterschap van de vele zonen. Zacharia bemoedigde niet alleen de herbouwers van de tempel in zijn tijd, maar profeteerde ook over onze dagen (1Pet.1:10-12). Hij kondigde een nieuw priesterschap aan, dat zowel Jezus Christus als Zijn Lichaam behelsde, zowel de Zoon als de zonen. En er zal "heilzaam overleg tussen hen beiden zijn".

Een beeld van de heerlijkheid die dan geopenbaard wordt, vinden wij in 1 Koningen 8. Toen Salomo de tempelbouw voltooid had, werd de ark in het heiligdom gebracht en "toen de priesters naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de Heer, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen: de heerlijkheid van de Heer had de tempel vervuld" (vers 10 en 11). Dit alles vond plaats op het feest in de maand Ethanim (=de zevende, die van het loofhuttenfeest, vers 2). Zo zal God Zijn huis, dat niet met handen is gemaakt, vervullen met Zijn heerlijkheid op het échte loofhuttenfeest.

"Troost daarom Mijn volk, zegt God. Bereid in de woestijn de weg voor de Heer. Dan zal Zijn heerlijkheid zich openbaren en zal iedereen dit zien" (Jes.40:1,4-5). Want meer dan Salomo is Jezus (Mat.12:42). Grotere heerlijkheid wordt openbaar, als Christus verschijnt in Zijn heiligen. De "ark van God" vindt dan zijn "rustplaats". Na een lange "woestijnreis" komt Gods volk eindelijk tot haar bestemming. Niet na een leven van nederlagen om te rusten bij de reeds ontslapen heiligen. Maar door in te gaan in het "land der belofte", stap voor stap, hier en nu.

Broeder, zuster, wees waakzaam. Mijd namaak. Vraag Jezus om onderscheidingsvermogen. Want Gods heerlijkheid wordt niet openbaar zonder dat het aardsgezinde christendom iets dergelijks zal trachten te bewerkstellligen in vleselijke kracht. Alleen een gehoorzame wandel en uiterste toewijding kunnen een discipel behoeden voor dat bedrog. Onderscheid het lichaam. Ontvang de ware dienstknechten Gods. Herken de bedieningen die God aan de gemeente geeft. Niet aan wonderen, tekenen, publiciteit, organisatievermogen of succes zijn ze te kennen; alleen aan hun vruchten (Mat.7:15-23).

Een beeld van die namaak vinden wij in 1 Koningen 12. Door Salomo's ongehoorzaamheid viel het rijk uiteen. Jerobeam kreeg tien stammen en werd koning van Israël. Rehabeam hield Juda en Benjamin. Het grote nadeel voor Jerobeam was, dat Jeruzalem niet in zijn rijk lag en stel je voor dat zijn onderdanen naar de tempel daar zouden gaan voor de feesttijden van de Heer. Zijn positie was in gevaar. "Toen maakte de koning "twee" "gouden" kalveren en zei tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Israël, dit zijn de goden die u uit Egypte hebben geleid" (1Kon.12:28).

Als mensen dorsten naar God en het werk van de Geest herkennen, zal de duivel alles proberen om iets te creëren wat er op lijkt. Als Jezus geneest, dan zal ook een Jerobeam genezen. Komt er een beweging van de heilige Geest, dan zal de antichrist trachten dit perfect te imiteren in zijn geest. Alleen zal hij nooit belijden, dat Christus (nu) komende is in het vlees (2Joh.7). Elke manifestatie van de geestelijke wereld zal hij trachten na te doen. Zonder onderscheidingvermogen wordt iedereen misleid.

Geloofde Israël koning Jerobeam? Reken maar! Het volk aanbad de kalveren in "Bethel" (= huis Gods) en "Dan" (=richter). De namaak was zo goed als perfect. Want "ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand (op een later tijdstip dus), voor de vijftiende van die maand, overeenkomstig het feest in Juda" (1Kon.12:32). Dat was zijn loofhuttenfeest. Zonder Gods heerlijkheid dus (1Kon.13:1-10).

Dit zijn treurige waarheden, die helaas ook van toepassing zijn op onze dagen. Ook nu willen "Jerobeams", die niet "in Jeruzalem wonen", verhinderen dat discipelen van Jezus opstaan om het loofhuttenfeest te vieren in de hemelse stad. Hún doel is de eenheid te bewaren in hún belangensfeer. "En dit werd een oorzaak tot zonde" (1Kon.12:30). Daarom komt Gods oordeel onherroepelijk over alle showbusiness. "Ze hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om. Van hun zilver en goud hebben ze zich afgodsbeelden gemaakt. Mijn toorn is tegen hen ontbrand. Voorwaar, tot splinters zal dat kalf van Samaria worden" (Hos.8:4-6).

Ziet u, hoe subtiel de duivel werkt en hoe gemakkelijk hij Gods volk kan verlagen tot het verheerlijken van "het maaksel van een werkman?" (Hos.8:6). Ja, zelfs het werk voor de Heer kan zo allesbetekenend worden, dat het een voorwerp van afgoderij wordt. Dan is het een onzuiver bestanddeel dat moet worden verwijderd door een corrigerend vuur (Jes.1:22,25). "Want Hij komt, zegt de Heer en Hij zal zijn als het vuur van de smelter. Hij zal het zilver smelten en reinigen. Hij zal de zonen van Levi reinigen en hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen" (Mal.3:1-3). "Hij komt tot Zijn tempel" (Mal.3:1). En zijn wij niet Zijn temepel? (2Cor.6:16). Hij komt in volle heerlijkheid! Als het Hoofd! En in hen "die met Hem zijn, die én geroepen, én uitverkoren, én trouw zijn" (Op.17:14, letterlijk vertaald).

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van volledig herstel

Nu doen wij enkele grepen uit de boeken Ezra, Nehemia, Haggaï en Zacharia. Die waren alle vier nauw betrokken bij het herstel van de tempel en van Jeruzalem.

Toen Gods Geest Kores (=herder) ingaf, de Joodse ballingen te laten terugkeren naar Jeruzalem, nam lang niet iedereen de kans waar (Ezra 1). Het merendeel wilde in Babel blijven: ze waren er opgegroeid en wisten weinig van de heerlijkheid, die eens op de tempel in Jeruzalem rustte. Ze hadden het goed in Babel en wilden niets te maken hebben met het waagstuk, waaraan een paar fanatici waren begonnen. Stel je voor: een groep arme ballingen, dat naar een land wilde, dat ze nog nooit hadden gezien en waarvan de hoofdstad helemaal in puin lag. Om de glorieuze tempel van Salomo te herbouwen? Dat kan toch niet! Uiteindelijk vonden maar 50.000 man het de moeite waard om op weg te gaan naar Jeruzalem (Ezra 2:64-65).

Ondanks dat de tempel tot en met haar fundamenten verwoest lag, was deze minderheid vastbesloten om de tempeldienst te herstellen volgens het oorspronkelijke patroon (Ezra 3:4,6). Toen dan ook "de zevende maand aanbrak, verzamelde men zich als één man in Jeruzalem" om het loofhuttenfeest te vieren( Ezra 3:1).

In onze dagen is of wordt ieder kind van God voor dezelfde keus geplaatst. En net als toen willen velen liever in "Babel" blijven. Slechts een minderheid gaat op naar het hemelse Jeruzalem om zich daar te "verzamelen als één man". Ze hebben "gezien" dat Babel de blijvende stad van God niet is. Dat is het nieuwe Jeruzalem dat aan het neerdalen is van God. En om dat te zien moet men geestelijk wakker worden en het volgende doen: "Ontwaak, ontwaak Sion, en bekleed je met kracht! Klop het stof van je af en sta op. De ketenen om je hals zijn los! Je wachters (=profeten) verheffen hun stem en zien met eigen ogen, dat de Heer terug keert naar Sion. Weg! Ga weg! Ga daar weg! Raak niets aan dat onrein is! Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de Heer troost Zijn volk: Hij koopt Jeruzalem vrij!" (Jes.52:1-12).

Meteen begon men aan de herstelwerkzaamheden. Er werd eerst een altaar gebouwd (Ezra 3:1-7). Een jaar later was het fundament van de tempel klaar (Ezra 3:8-13). Wat was men blij, dat het werk zo voorspoedig verliep (Ezra 3:10-11).

Dergelijke herstelwerkzaamheden vinden ook nu plaats. Bij velen is het fundament van Hebreeën 6:1-2 min of meer hersteld. Er zijn er, die zich bekeerden van dode werken van formalisme. Velen lieten zich dopen met water en met de heilige Geest. Enkele anderen maakten het fundament volledig door de laatste pijlers te leggen: de leer van handoplegging, van opstanding vanuit de doden (in het heden) en van een eeuwig oordeel (nu in ons beginnend). Dit bracht grote vreugde, want het ging zo goed. We verwachtten dat er steeds meer "gezien" zou worden van het "nieuwe" Jeruzalem door steeds meer mensen" (Op.21:9-22:5).

Maar toen het werk vorderde, "kwamen de tegenstanders van Juda en Benjamin tot Zerubbabel en zeiden: Laat ons met jullie mee bouwen, want wij zoeken jullie God evengoed als jullie" (Ezra 4:2). Zerubbabel weigerde hun hulp: ze hoorden niet tot het volk van God (2Kon.17:24). Uit lijfsbehoud waren zij de Heer gaan vereren, naast hun afgoden (2Kon.17:25-34). In feite "vereerden ze de Heer niet", maar "bleven doen naar hun vroegere gewoonten" (2Kon.17:34,40). Daar kun je toch niet mee samenwerken! Al spoedig bleek hun ware aard: "Ze ontmoedigden het volk van Juda en schrikten hen af van het bouwen" (Ezra 4:4). Ook stuurden ze brieven naar de koning van Perzië, met daarin o.a. dit: "Als deze stad herbouwd is, betaalt men vast geen belasting meer aan de koning" (Ezra 4:13). Ze slaagden erin het werk lam te leggen.

Zeventien jaar later pas kon de tempelbouw worden hervat. Dat kwam vooral door toedoen van de profeten (Ezra 5:1-2). Gods volk was, net als velen nu, van mening, dat "de tijd was nog niet gekomen om het huis van de Heer te herbouwen" (Hag.1:2). Het antwoord van de profeet was: "Is het voor u de tijd om in weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl de tempel verwoest ligt?" (Hag.1:4).

O, die weldoortimmerde "huizen"! Er zijn er talloze: kerken, kapellen, goed georganiseerde gemeenten, enthousiaste samenkomsten, enz. enz. enz. Wat een tijd wordt er besteed om dat alles in stand te houden! Maar wie geeft zijn tijd voor Gods uit levende stenen bestaande Huis? (1Petr.2:5). Wie wordt verteerd door de ijver voor het eeuwige, hemelse "huis in Jeruzalem"? (Ps.69:10). "Daarom, zo zegt de Heer, bedenk toch wat u is overkomen" (Hag.1:5). Ja, ieder moet zich eens goed realiseren, hoe het met hem of haar is gesteld. "Jullie hebben veel gezaaid, maar weinig binnengehaald, jullie hebben gegeten, maar zonder verzadigd te worden ....." (Hag.1:6).

Ja, we hebben van alles en nog wat georganiseerd: grote samenkomsten en weekenden, massale campagnes, vreugde-, gebeds- en familiedagen. Hoe veel bleven er na enige beproeving over na een campagne? Hoe velen bleven er samen bidden na een Nationale Gebedsdag? We "hadden op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit. Toen jullie de oogst binnengehaald hadden, blies Ik erin. Waarom? Om Mijn Huis dat verwoest ligt, terwijl jullie allemaal maar blijven draven voor je eigen "huis" (Hag.1:9). Eigen kerken, groepen of beweging kregen voorrang op "het Huis" in geest en waarheid. Bijna iedereen probeerde de eigen groep op te bouwen met de nieuwe bekeerlingen die gezamenlijke campagnes hadden opgeleverd. We lieten het hemelse huis voor wat het was. We meenden, dat het de tijd nog niet was om op te gaan naar het hemelse Jeruzalem. Vandaar dat God op ons werk blies met het vuur der beproeving. En daarom is er tot op dag van heden droogte en gebrek aan geestelijke kracht. Daarom is er zo weinig eenheid in de geest, zo weinig gemeenschap der heiligen. Daarom is de late regen niet gekomen, ja, is er zelfs geen dauw en is er geen "koren, most en olie" (Hag.1:10-11).

Zerubbabel (=in Babel gezaaid), Jozua, de hogepriester en het volk gehoorzaamden Haggaï"s oproep wel. Ze "kwamen bijeen en begonnen het werk aan het huis van de Heer" (Hag.1:14). Langzamerhand verrees er een nieuwe tempel uit het puin van de eerste. Maar hoe kon dit zwakke groepje getrouwen een tempel bouwen die gelijk was aan die van Salomo? De heerlijkheid van die tempel was niet te overtreffen, vooral niet onder de gegeven omstandigheden.

Toen kwam wéér het woord van de Heer tot Haggaï (=feest van de Heer). Dat was op het hoogtepunt van het loofhuttenfeest, op de laatste dag ervan (Hag.2:2, vgl. Joh.7:37). Hij zei: "Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Is het niet daarbij vergeleken als niets in uw ogen? Maar nu, wees sterk Zerubbabel, wees sterk Jozua, en wees sterk volk van het land. Ga aan het werk, want Ik ben met julle. Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heer. En de toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige!" (uit Hag.2:4-10).

Wat een beloften! Beloften die niet vervuld zijn in de tempel van Zerubbabel of in die van Herodes. God sprak niet van een aards huis. Hij sprak van een hemelse tempel, waarvan wij levende stenen kunnen zijn. Het gaat God om de heerlijkheid van dát huis. Gods bedoeling is een eeuwige, onzichtbare tempel, waarin Hij Zijn heerlijkheid kan openbaren op het ware loofhuttenfeest. Dat is het heil dat Hij ons wil geven (Hag.2:10). Dan zullen stromen van levend water uit ons binnenste vloeien (Joh.7:38). Dan zal de heerlijkheid van de Heer zich in mensen openbaren (Rom.8:19).

Ook Zacharia profeteerde woorden van bemoediging voor de tempelbewoners: "De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien" (Zach.4:9). Zacharia diende echter niet alleen zijn tijd, maar profeteerde van de voor ons bestemde genade (1Pet.1:10). Toen hem dan ook de hemel geopend werd, zag hij de "volheid van Christus" in de vorm van "twee" olijfbomen (Zach.4:1-3). En "dit is het woord van de Heer: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest. Wie ben jij, jij grote berg? (=Babel). Je zult een vlakte worden!" (Zach.4:6-7).

Zacharia begreep niet wat hij zag (Zach.4:11-12). De engel gaf hem een nadere verklaring: "Dat zijn de twee gezalfden (letterlijk: de "twee zonen van olie"), die voor de Heer staan" (Zach.4:14). Zij zijn de "twee" gezalfde zonen, die tot volle heerlijkheid worden gebracht (Hebr.2:10). Zij zijn de "twee" gezalfde getuigen (Op.11:4). De Geest zal door hen zó kunnen werken, dat de hele schepping zal worden bevrijd van de slavernij van Babel (Rom.8:18-21). Die "berg" wordt een "vlakte"!

Ondanks de vele beloften van God (zie alleen al Zacharia 8) ging het volk na het herstel van de tempel al spoedig de verkeerde kant op. Jeruzalem bleef een kwetsbare stad, omdat haar muur niet geheel hersteld werd. De tempeldienst werd ernstig veronachtzaamd (lees Maleachi). De wet werd niet nauwgezet onderhouden. Talloze mannen namen zich heidense vrouwen (Ezra 9 en 10). Kortom: er brak een tijd aan van grote geestelijke nood, ondanks de grote zegeningen tijdens de reis uit Babel en tijdens de tempelbouw.

Ook in onze dagen is er gewerkt om het "altaar" weer op te richten. Er werden geestelijke "fundamenten" hersteld. Velen staakten hun werk met hout, hooi of stro, met hun vleselijke bekwaamheden en natuurlijke middelen, die de vuurproef niet kunnen doorstaan (1Cor.3:12-15). Ze lieten zich als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis voor God (1Pet.2:5). Maar ook nu is er grote nood. Er is verwarring. Er zijn partijschappen. De dienst in de hemelse tempel is veronachtzaamd. En wie heeft Gods wet in zijn binnenste? In wiens hart kan de Heer Zijn wil schrijven? (vgl. Jer.31:33). Maar God houdt ons vast. Hij laat ons niet omkomen. Hij stuurt knechten om orde op zaken te stellen. Vandaar dat Ezra (=hulp) een tweede tocht naar Jeruzalem ondernam, vele jaren na de tempelbouw (Ezra 7-10). Hij vertrok vanaf de rivier Ahava (=stromend water). Ook Nehemia (=trooster) ging in diezelfde tijd naar Jeruzalem met het doel de stadsmuur te herstellen. Ezra was bij aankomst verbijsterd over de geestelijke toestand van het volk (Ezra 9:3). Nehemia vond enorme puinhopen, waaraan lang niets was gedaan (Neh.2). Beiden deden belijdenis van wat men had nagelaten (Ezra 9:6-15, Neh.1:5-11). En Ezra confronteerde het volk met de wet Gods (Ezra 10:1-14). Gelukkig werd besloten aan Gods eisen te voldoen. Tevens werd de muur hersteld, zij het onder grote tegenstand (Neh.4 en 6).

Toen brak de zevende maand aan. We lezen, dat toen iedereen die "de wet kon begrijpen, als één man bijeen kwam voor de Waterpoort" (Neh.8:1-3). Ezra las de wet voor (Neh.8:4). Anderen "gaven uitleg, zodat men het voorgelezene begreep" (Neh.8:9). Dit deed de harten ineenkrimpen: hoe ontstellend was Gods wet veronachtzaamd! De leiders echter zeiden tot het volk: "Deze dag is voor de Heer heilig: bedrijf geen rouw en ween niet. Ga heen, eet lekkernijen en drink zoete dranken en geef aan wie niets heeft een deel, want deze dag is voor onze Heer heilig. Wees dus niet verdrietig, want de vreugde in de Heer, die is uw kracht" (Neh.8:10-11). Toen ging het volk heen en deed wat hun gezegd was: "zij hadden begrepen, wat men hun had bekendgemaakt" (Neh.8:13).

Is dit niet een heerlijke boodschap voor vandaag? Als wij echt beseffen, hoe wij gefaald hebben, huilen wij van ellende. Maar God wil niet, dat we in zak en as blijven zitten, zoals in Babel. Hij zegt: "Dorstigen, kom tot de wateren" (Jes.55:1). Verzamel u als één man bij de Waterpoort! Jezus zegt: "Wie dorst heeft, laat hij bij Mij komen drinken" (Joh.7:37). Hij zei ook: "Ik ben het levende brood" (Joh.6:51). We moeten heel bewust van Hem gaan eten en drinken. Dat is waarachtig pascha vieren. Dán kan ook in ons het ware loofhuttenfeest aanbreken (vgl. Neh.8:14-15,18).

Toen Ezra in de wet las, dat ook dit feest moest worden gevierd, werd meteen het volgende bevel uitgevaardigd: "Ga naar het gebergte en haal het loof van de olijfboom, van de olijfwilg, van de mirt, van palmen en van loofbomen, om loofhutten te maken, zoals geschreven staat" (Neh.8:16). "En het hele volk maakte loofhutten en woonde erin" (Neh.8:18). Wat een schouwspel! Overal duizenden en nog eens duizenden hutten van takken: op de daken van de huizen, op de straten van Jeruzalem, op het tempelplein, zeven dagen lang.

Die looftakken hebben allemaal hun symbolische betekenis. Ze spreken van voorspoed, vreugde, overvloed en geluk. Er komt een "dag van zeer grote vreugde" voor ieder, die uit zijn "huis" gaat om die feesttijd van de Heer te vieren (Neh.8:18). Dan zal "de kracht van Christus een tabernakel, een loofhut, over hen spreiden" (2Cor.12:9, letterlijk vertaald). Ervaart u er al iets van?

HET LOOFHUTTENFEEST
het feest van Zijn verschijning

Toen "het feest der Joden, loofhutten, nabij was", presten de broers van Jezus, dat Hij naar het feest in Jeruzalem zou gaan (Joh.7:2-4). Hij bleef echter waar Hij was (vers 6-9). Later, "toen Zijn broers al naar het feest waren gegaan, ging Hij Zelf ook, niet openlijk, maar verborgen" (vers 10). Al deze gebeurtenissen zijn door Johannes vermeld, omdat ze een beeld zijn van de komst van Christus. Hij "trekt in het verborgene op" naar "het hemelse Jeruzalem", om daar te verschijnen op het ware loofhuttenfeest.

Veel gelovigen zien de komst van Jezus alleen als een historisch gegeven. Als ze aan Hem denken, dan is dat aan Hem zoals Hij was, toen. Maar "de opstanding en het leven" is méér! Hij is nu Geest en verschijnt nu als zodanig in onze harten. Hij was dus niet alleen de opstanding en het leven. Hij is ook onze opstanding en ons leven. Velen denken nog als Martha en Maria in Johannes 11. Ze wisten best, dat Lazarus zou opstaan ten jongsten dage (vers 24). Ze wisten ook, dat God aan Jezus alles gaf wat Hij begeerde (vers 22). Beiden geloofden, dat Jezus de Christus was (vers 27). Maar ze hadden geen geloof voor het heden (vers 32). Steeds trachtte Jezus hun duidelijk te maken, dat Hij de "Ik ben de opstanding" is, de "Ik ben". Een latere opstanding? Jezus de Messias? Natuurlijk geloofden ze dat! Maar dit geloof alleen is ontoereikend om iemand in het heden naar opstandingsleven te leiden. Daarom antwoordde Jezus: "Ik ben de opstanding en het leven" (vers 25). Tegenwoordige tijd! En: "Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven" (vers 25). En dan vervolgt Hij met: "Een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven: geloven jullie dat?" (vers 26).

Wat betreft de komst van Christus is er dus veel misverstand. Maar na lezing van de bijbel onder de tucht van de heilige Geest is het duidelijk, dat de komst van de Heer niet alleen het weerkomen is van Jezus persoonlijk, maar ook een "komen" in de heiligen. Eén van de zes Griekse woorden, die door "komst" zijn vertaald, is "parousia". Het wordt gebruikt voor het nu in het verborgene komen van de Heer Jezus Christus in de Zijnen. Het woord parousia betekent eigenlijk niet komst, maar aanwezigheid, het gekomen zijn, nu.

In 2Petr.1:16-17 spreekt Petrus over de parousia van Christus op de berg der verheerlijking. Jezus was al lang daarvoor gekomen. Lange tijd was Hij met Zijn leerlingen samen geweest. Toen nam Hij drie van hen met Zich mee, de stilte in, een berg op. En daar zagen ze wie Jezus eigenlijk was. De verborgen aanwezigheid (parousia) van de Zoon van God werd zichtbaar voor hun ogen. Ze zagen hoe Hij veranderde. De "in doeken gewikkelde" (=de "in het vlees verborgene") werd openbaar! Vandaar dat Petrus zegt: "We zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst (parousia) van onze Heer hebben verkondigd. We zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit, van de eer en heerlijkheid die Hij van de Vader heeft ontvangen". Ziet u, hoe Petrus "de kracht en de aanwezigheid van Christus" gelijk stelt met "de eer en de heerlijkheid van de Vader" die zichtbaar werd? Ze hadden iets van het Koninkrijk der hemelen gezien. Jezus zei, dat er onder de Zijnen waren, die dit ook zouden meemaken, tijdens hun leven (Mat.16:28, Mar.9:1, Luc.9:27).

We weten van Stefanus, dat ook hij de parousia van de Heer ging zien (Hand.6:5-15). En die zal gezien worden in de zonen Gods, in de "twee" getuigen, de "Mozes en Elia" (Op.11:3-6). In hen zal de parousia van Christus' heerlijkheid zo volkomen zijn, dat ook zij de dood niet zullen smaken, voordat zij in zichzelf "de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid" (Mat.16:28). Zij zijn de "twee olijfbomen", de "twee zonen van olie" (Zach.4:14). Ze leven, wandelen, denken, spreken en werken als hun Heer. Als Hij verschijnt, zullen zij met Hem verschijnen in heerlijkheid (Col.3:4).

Aan het begin van Jezus' bediening getuigde de Vader: "Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb" (Mat.3:17). Later, op de berg der verheerlijking, toen een lichtende wolk Jezus, Mozes en Elia overschaduwde, was er dezelfde stem: "Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem" (Mat.17:5). Het eerste getuigenis betrof Jezus persoonlijk (Joh.5:37). In Matthéüs 17 verschenen ook Mozes en Elia: daar betreft het Jezus én de "twee getuigen" (Op.11:3:4-6), de Zoon en de zonen, het Hoofd en het lichaam.

Het gebeuren op de berg der verheerlijking was dus een aankondiging van de heerlijkheid, die komen zou als het ware loofhuttenfeest aanbreekt. Want "wanneer Christus verschijnt die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Col.3:4). Zoals Mozes en Elia de heerlijkheid van Christus uitstraalden, zo hebben dan de "twee getuigen" deel aan Zijn volle heerlijkheid. Jezus wil, dat wij "veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Heer die Geest is" (2Cor.3:18, Col.3:10). Want we kunnen nu "veranderd worden door de vernieuwing van ons denken" (Rom.12:2). En als "dit (deze verandering naar Zijn beeld, dus niet wat de NBG vertaling zegt: Hij) zal geopenbaard zijn, zullen we Hem gelijk wezen; want we zullen Hem zien, zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is" (1Joh.3:2-3).

Jezus ging dus niet openlijk, maar in het verborgen naar het loofhuttenfeest (Joh.7:10). Hij komt op het ware loofhuttenfeest eerst in het verborgen in de heiligen. Zijn komst is een verborgenheid. Zijn parousia is Zijn verborgen aanwezigheid. "Christus in ons, de hoop der heerlijkheid" is een heerlijk, rijk geheimenis, zegt Paulus (Col.1:27). Hij is komende. Steeds tracht de heilige Geest ons deze komende dingen (niet: de toekomst) aan te kondigen (Joh.16:12-15). En dan, na de apokalupsis (=openbaring) van Zijn parousia (=aanwezigheid), zal Hij verschijnen (epiphaneia) en komen (erchomai) met de wolken, persoonlijk, en in hen die in Hem hebben geloofd zoals de Schrift zegt. Wat een geheimenis!

Paulus zegt, dat het God behaagde hem dit geheimenis bekend te maken. De Zoon deelt het mee aan al Zijn intieme vrienden. Hij zegt: "Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand weet wie de Zoon is, dan de Vader en wie de Vader is, dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren" (Luc.10:22). En ook: "Ik kom tot jullie" en "jullie zullen Mij zien" (Joh.14:15-20). Zo verschijnt de Heer in eerste instantie in de levens van de Zijnen. "Nog een korte tijd en de wereld kan Mij niet meer zien, maar jullie zullen Mij zien" (Joh.14:19). "Dan zullen jullie weten, dat Ik in Mijn Vader ben en jullie in Mij en Ik in u" (vers 20). "Wij zullen tot je komen en bij je komen wonen" (vers 23). In het verborgene.

Dan, wanneer de volheid van Christus bereikt is, zal Zijn verborgen heerlijkheid worden ontsluierd. Dan verschijnt de Christus. Niet alleen Jezus Christus, het Hoofd, maar ook Christus, het lichaam. Dát is onze "zalige hoop: de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus" (Titus 2:13).

De grote dag van het loofhuttenfeest was de laatste (Joh.7:37). Het is bekend, dat op die dag de hogepriester naar het badwater Siloam ging met een gouden kan. Die vulde hij met water en onder veel vreugdebetoon droeg hij die terug naar de tempel. Daarna werd onder grote belangstelling het water uitgegoten op de droge grond naast het altaar.

Natuurlijk dachten de toeschouwers tijdens deze ceremonie aan profetieën als: "Met vreugde zult u water scheppen uit de bronnen des heils" (Jes.12:3). En "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge" (Jes.35:6-7, 43:19-20, 44:3). Slechts één van de toeschouwers wist de ware betekenis van wat er gebeurde. Hij wist van de komende geestelijke realiteiten, waarvan deze ceremonie slechts een beeld was. Dat was Jezus. Hij wist, dat Hij de eeuwige hogepriester was en dat Hij levend water kon uitgieten op elke dorstige ziel. Tijdens de ceremonie keek iedereen in grote stilte naar wat de aardse hogepriester deed. Toen wist Jezus dat de tijd gekomen was om de betekenis ervan bekend te maken. "Hij stond op en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen drinken! Dan zullen, als hij in Mij gelooft, stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien" (Joh.7:37-38). Letterlijk staat er: "Wie in Mij gelovende is". Wie bij voortduring in Hem gelooft gelijk de Schrift zegt, zal niet alleen levend water indrinken, maar op den duur zullen uit hem stromen van levend water stromen. Hij wordt dan een bron. Dat is een loofhuttenfeestervaring! "Wie gedronken heeft van het water dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14).

Broeder of zuster, maak ernst met de feesttijden van de Heer. Daarmee bedoel ik niet, dat u de Joods-wettische manier in ere moet herstellen. Het gaat om de persoonlijke beleving ervan. Ga het land binnen dat vloeit van melk en honing. "Hef uw hoofden omhoog" (Ps.24). "Bereid in de (=uw) woestijn de weg van de Heer, effen in de (=uw) wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht. Want de heerlijkheid van de Heer zal zich openbaren en alles wat leeft zal het zien, want de mond van de Heer heeft het gesproken" (Jes.40:3-5). Herstel alle feesten van de Heer. "Want de winter is voorbij, de regen is over, verdwenen. De bloemen vertonen zich op het veld. De zangtijd is aangebroken en het gekir van de tortel wordt gehoord in ons land. De vijgenboom laat zijn vroege vrucht zwellen en de wijnstokken in bloei geven geur. Sta op, kom, mijn liefste, mijn schone, kom!" (Hoogl.2:11-13). De oogsttijd is nabij (Joh.4:35). Het loofhuttenfeest kan spoedig worden gevierd (Joël 2:19). Maar dan in geest en waarheid.