123456789012345678901212345678901234567890121234567890123456789012123456

12345678901234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890123456781234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890123456789012345678123456789012345678901234567890123456789012345678901234567890123456789012345678901234567812

Satan

Grieks: satan = tegenstander.

De slang in het paradijs was de eerste tegenstander van de mens. Velen geven satan teveel eer. Zijn werk in de hof van Eden was niet het werk van een zeer slimme, sluwe tegenstander, maar het uitvoeren van Gods wil. Ook hij is een werktuig in Gods hand. Velen denken: "Ja, maar, het was toch allemaal het werk van die slimme slang. Die strooide toch roet in het eten!" Gelooft u dat echt? Is de waarheid niet, dat er bij "de Vader der lichten geen verandering is of zweem van ommekeer" (Jac 1:17)? Is Hij niet almachtig, alwijs en alomtegenwoordig? Weet Hij niet alles? Had Hij bij toeval het Lam apart gesteld, "dat geslacht was sedert de grondlegging (=terneerwerping) van de wereld"? (Ope 13:8). Is satan niet een instrument in Zijn hand? Weet u, satan is geen partij voor de Almachtige. God had hem alleen nodig, omdat ook in Genesis geldt: "Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze op zichzelf; maar indien ze sterft, brengt ze veel vrucht voort" (Joh.12:24).

Het rijk van Salomo is een heenwijzing naar de "grote dag van de Heer", die gekarakteriseerd wordt door vrede, wijsheid, rust en voorspoed. Salomo zei zelf: "Nu heeft de Heer mij overal rust gegeven: er is geen tegenstander meer" (1 Kon.5:4). Voor er is geen tegenstander staat er in het Hebreeuws letterlijk er is geen satan. Dit komt opmerkelijk overeen met wat er gebeurt in het komende vrederijk: "Ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel, de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren" (Op.20:1-3). Er is geen satan meer op "de grote dag des Heren"!

Nu komen wij tot een volgend punt: de rol van satan. Satan betekent tegenstander. De vraag is nu: wiens tegenstander? Want meestal wordt hij beschouwd als Gods tegenstander. Maar wees nou eerlijk: wie zou tegenstander kunnen zijn van de Almachtige, de alwetende Schepper van hemel en aarde? Niemand toch? En zeker satan niet! (zie Jes.54:16).

Nee, hij is onze tegenstander. Satan kan zich niet met God meten, maar is wel geschapen om de mens te toetsen. Dat begon al in het paradijs. En dat is overduidelijk in Job en in het leven van Jezus (Mat.4:1-11). Het vuur van satan's beproeving hoort bij ieder kind van God (1Pet.1:6-7). Zonen worden zelfs "als in een oven gloeiend gemaakt" (Op.1:15).

God is goedheid, liefde, licht. Nergens staat, dat Hij het kwade is, maar wel, dat Hij het kwade schept en gebruikt als louteringsvuur. "Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, de Heer, doe al deze dingen" (Jes.45:7, 54:16). Wie dat beseft, weet dat satan alleen maar een instrument is in Gods hand (2:3). God heeft het voor het zeggen. Hij werkt "en wie zal het keren?" (Jes.43:13). Satan is onze tegenstander. God gebruikt hem om ons toetsten, opdat ook wij als puur goud te voorschijn zouden komen (23:10).

"... en onder hen kwam ook de satan ..." (1:6)

Hoe moeten wij ons dat nu toch voorstellen? Kwam satan als slang (Gen.3:1)? Of als een afschrikwekkend wezen met hoorntjes op zijn kop, met een hooivork in zijn klauwen? Als een groot monster?

Nee, satan is geest, "de geest, die werkt in ongehoorzamen" (Ef.2:2). Hij komt niet tot ons als een griezelig gedrocht, maar als geest die appelleert op ons begerige ego met zijn "kennisboom". "Zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte. Als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde ..." (Jac.1:14).

Wat is dat, begeerte? Doorgaans denkt men aan sensuele gedachten. Maar begeerte is gewoon verlangen. Iedereen heeft verlangens van allerlei aard. Die hoeven lang niet altijd verkeerd te zijn. Als ze maar niet ingaan tegen wat de Geest verlangt (Gal 5:17).

Een voorbeeld: nadat Jezus "veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger" (Mat.4:2). Het verlangen om te eten kwam dus bij Hem op. Als mens moet Hij hebben gedacht: "Een Zoon van God zou van stenen brood kunnen maken, toch?". Daar haakte de geest van ongehoorzaamheid op in en zei: "Als je Gods Zoon bent, zeg dan, dat deze stenen broden worden. Gebruik je macht als Zoon van God maar, om dat hongergevoel te stillen" (Mat.4:3).

Met Jezus' verlangen om te eten was niets mis. Maar was het in deze tijd van vasten de wil van Zijn Vader? Wie stelde het voor? Juist! En daarom verwierp Hij meteen het idee, voordat het wortel kon schieten in Zijn wil. Want als verlangen en eigen wil één worden, brengt dat zonde voort (Jac.1:14-15). De Heer zei dan ook: "Er staat geschreven: niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit God komt" (Mat.4:4). Met andere woorden: "Ik doe alleen wat God zegt. Als Hij Mij zegt van stenen brood te maken, dan zal Ik dat zeker doen. Maar komt het in Mij op als een lichamelijk verlangen, dan zeer zeker niet". Zo werd de wil van de Vader en Zijn wil één en ervoer Hij leven en vrede, ondanks de honger.

Satan tracht bij de mens altijd in te haken op drie terreinen: de begeerte van de ogen, de begeerte van het lichaam en de begeerte naar status. Eva "zag, dat de boom een lust was voor de ogen, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden". Eva gaf toe (Gen.3:6). Jezus overwon.

Hij overwon op alle fronten (Mat.4:1-11). Hij heerste over de tegenstander, die ook bij Hem van binnenuit voortdurend als een belager aan de deur lag. Steeds dacht Hij: "Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede" (Luc.22:42). Hij liet zich leiden door de Geest en heerste over de gezindheid van het vlees (Joh.17:2). En het heerlijke is, dat door Hem de Zijnen Hem daarin zullen en kunnen volgen (Op.14:1). Want ook in hen zal de oude mens koninklijk dienstbaar gemaakt worden aan de nieuwe mens (vgl.Gen.25:23, Rom.9:12).

"en de Heer zei tot satan: waar kom je vandaan? En hij zei: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb" (1:7).

Als God iets vraagt is dat niet, omdat Hij iets niet weet. Hij is alwetend. Hij weet, waar satan rondgaat: hij doorkruist onze aarde, onze zielse en lichamelijke verlangens, ons aardse denken van oost tot west, van noord tot zuid. De belager aan onze deur verlaat ons geen moment, want hij zoekt voortdurend "stof" om te eten (Gen.3:14). Hij vond dat in Eva. Hij vond dat niet in Jezus (Joh.14:30). En ook in mensen als Job vindt hij niets.

God toetst dus al Zijn zonen: Adam, Job, Jezus, de zonen Gods. Juist daarvoor had Hij satan geschapen, als middel in Zijn hand. "Ik heb de smid geschapen, die het kolenvuur aanblaast, Ik ben het ook, die de verderver schiep" (Jes.54:16). Daarom zei de Heer tot de "smid", tot satan: "Met alles wat van hem is, mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan" (1:12, 2:6).

"... toen ging de satan van de Heer weg en sloeg Job" (2:7).

Job werd getoetst op Gods initiatief (23:10). Hij vroeg satan: "Vanwaar kom je vandaan?" en toen antwoordde hij: "Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb" (1:6-7). Hij zei dus niet: "Ik kom van Job. U moet hem eens zien!".

Nee, de Heer zei: "En heb je al gelet op Mijn dienaar Job? Zoals hij is er niemand op aarde, zo rechtschapen en onberispelijk. Hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad" (1:8).

Natuurlijk had satan Job gezien. Wat had hij hem kunnen doen? Niets! Hij zei: "U Zelf hebt hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut" (1:9-10). Job zat in de schuilplaats van de Allerhoogste (Ps.91:1). Die was zijn bewaarder, zijn toevlucht, zijn vesting (vgl. Ps.91:2, 121:3-5). "Ik kan hem niets aandoen", moest satan erkennen. "U beschut hem aan alle kanten" (1:10). "Toen zei de Heer: 'Goed, met alles wat van hem is, mag je doen wat je wilt, maar raak hem zelf niet aan'" (1:12). Hierop vertrok satan, om te proberen hem van God af te trekken (1:11). Zo overkwam Job al dat leed, zonder oorzaak (2:3b).

God echter "is een rechtvaardige toetser, die nieren en hart doorziet" (Jer.20:12). "Hij kent de Zijnen" (2Tim.2:19). Hij heeft hen tevoren gekend, tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan Zijn Zoon, en geroepen, en gerechtvaardigd, en verheerlijkt (Rom.8:29-30). Hij weet, wie de toets al kan doorstaan (Jac.1:12, 2Tim.3:8). Hij doet alles op Zijn tijd en test de Zijnen uit, maar nooit boven vermogen. Hij zorgt met de verzoeking ook altijd voor de uitkomst (1Cor.10:13).

Daarom zei Hij tot satan: "Zie, al wat hij bezit is in je macht; alleen tegen hemzelf zul je je hand niet uitstrekken" (1:12). "Hij is in je macht, maar spaar zijn leven" (2:6).

Uit: Verborgen Manna