Printable version  Printable version
Alles gelooft zij
Amalek en Agag
Een nieuwe Meester
Het bewijs van de doop
Plaats v. krusigi...
Uitvoerder van Go...
Vloek en tegengif

Het tegengif voor de vloek op de aarde

Overgenomen van
dr. Stephen Jones
www.gods-kingdom-ministries.net

Enkele vragen die beantwoord worden in dit artikel, zijn: Wat was de natuur van de aarde die vervloekt was om Adams zonde, wat is het wettige proces hierachter, hoe zijn alle naties en mensen van de aarde hierdoor aansprakelijk geworden, en ... hoe wordt deze vloek nu teruggedraaid door het Nieuwe Verbond?

De aarde vervloekt omwille van Adam

Toen Adam zondigde, werd de gehele aarde daardoor negatief beïnvloed vanwege de Wet op het Hoofdschap. Door deze zelfde wet werd de gehele aarde positief beïnvloed door Christus zijn rechtvaardige daad toen Hij stierf voor de zonden van de wereld. Paulus legt dit uit in Romeinen 5.

Een van de sleutelverzen in de bijbel waarin dit wettige proces uiteengezet wordt, staat in Gen. 3:17-19, waar God zegt,

“… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 18 en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.”

De meeste mensen denken bij deze vloek op de aardbodem alsof het een vloek op Adam is, want nu moest hij zweten en zwoegen om te kunnen eten. Maar er is een wettelijke reden voor deze vloek die voor de meeste bijbelleraren verloren is gegaan.

De Wet op Lossing

De Wet op Lossing wordt uiteengezet in Lev . 25. Als een man een schuld oploopt, vanweg zonde of natuurlijke oorzaken, moest hij vaak zijn landerfenis/eigendom verkopen en als een knecht werken voor degene die het eigendom gekocht had. Hij behield altijd het recht op lossing in het geval dat hij zo voorspoedig was dat hij zijn schuld kon afbetalen en het land terugkopen. Maar, indien dit voor hem niet mogelijk was, zou het land alsnog in zijn bezit terugkomen tijdens het Jubeljaar.

In de tussentijd, desondanks, moest hij als een knecht werken voor zijn nieuwe meester. De wet op lossing is van toepassing op deze tussenperiode, vóór het aanbreken van het Jubeljaar. Wanneer de bazuin in het Jubeljaar klonk, was lossing niet meer relevant, want alle schulden werden dan geannuleerd en iedere man keerde terug naar zijn erfenis.

Bijbelse Lossers

Alle zonde wordt volgens de goddelijke wet gezien als schuld. Want, indien een man zondigde, kwam hij in een schuld te staan bij zijn slachtoffer. Hij moest het dubbele terugbetalen, of soms zelfs het vier- of vijfvoudige bedrag dat hij had gestolen (Exo 22:1-4).

In een bijbelse rechtzaak, als de zondaar (schuldenaar) zijn schuld niet kon terugbetalen, moest “hij verkocht worden om wat hij gestolen heeft” (Exo 22:3). Degene die de schuldenaar kocht, werd een Losser genoemd, want hij nam de aansprakelijkheid voor de schuld over, om de schuld van de schuldenaar te betalen. In ruil daarvoor kreeg de losser het recht volgens de wet om de schuldenaar te houden als zijn slaaf/knecht gedurende een bepaalde periode, die door de rechtbank bepaald werd.

Op de ultieme manier was Jezus onze Losser, want Hij nam op Zich de aansprakelijkheid voor de zonden van de hele wereld, toen Hij stierf aan het kruis. In ruil daarvoor gaf de wet Hem het recht om gediend te worden door de hele aarde.

Echter, voordat het zover was dat Jezus de schuldbrief overnam (*), was er eigenlijk nog een tussenstap in deze transactie. Dit wordt onthuld in Gen 3:17, in de uitspraak, “om uwentwil is de aardbodem vervloekt.

De natuur van deze vloek is de schuld van Adam die hij opgelopen had vanwege zijn zonde. De aarde werd aansprakelijk voor zijn zonde, omdat Adam uit de aarde genomen was. De aarde kreeg wel heerschappij over Adam, immers God had gezegd, “stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” (*), maar dit betekende ook dat de aarde nu verantwoordelijk werd voor de schuld van Adam. Dit betekent dat Adam, zijn familie en zijn eigendom, verkocht werden aan de aardbodem en moesten werken voor de aardbodem.

Met andere woorden, de schuldbrief werd eerst gegeven aan de aarde en wettelijk gezien werd de aarde daarmee Adams losser, want de aarde werd verantwoordelijk gemaakt voor Adams schuld. Op hetzelfde moment kreeg de aarde ook het recht om te heersen over de mensheid, om gediend te worden door alle mensen.

Als de aarde de middelen had gehad om de schuld van Adam te betalen, zou deze uitspraak van het goddelijke gerechtshof wellicht een zegen zijn geweest voor de aarde. Echter, omdat de aarde niet in staat was te betalen, werd het ontvangen van de schuldbrief een vloek voor de aarde.

Andere lossers

Toen Israël het beloofde land binnenging, probeerden ze het Koninkrijk te vestigen onder het Oude Verbond. Als een natie faalden ze, vanwege zonde. Het thema van het boek Richteren is “ieder deed wat goed was in zijn ogen” (Ric 21:25). Met andere woorden, ze volgden hun eigen geweten, niet wetende dat “soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood” (Spr 14:12).

Ons geweten moet geleid worden door het woord (wet) van God, want de dood werkt in ons en kan ons gemakkelijk misleiden. We hebben het geschreven woord nodig om ons te corrigeren en ons geweten te onderwijzen gehoorzaam te zijn en om de dingen te zien zoals God ze ziet.

De Israëlieten vielen vele malen in zonde terwijl ze in het beloofde land waren, en daarom “verkocht” God hen aan verscheidene andere naties. Hij verkocht hen aan de koning van Mesopotamië in Rich 3:8, aan de koning van Kanaän in Ric 4:2, en aan de koning van de Filistijnen in Ric 10:7.

Iedere keer gebruikt de schrijver wettelijke terminologie, gebaseerd op Exo 22:3, waar staat dat de zondaar/schuldenaar verkocht moest worden vanwege het gestolene aan de losser. Met andere woorden, deze andere naties die Israël in gevangenschap hielden, kregen de schuldbrief toebedeeld en functioneerden als wettelijke lossers. Het was hun beurt om te proberen de schuld te betalen. De zonde van Israël voor zijn zonde werd gelost door Mesopotamië, Kanaän en Filistea, en iedere keer werd Israël voor een seizoen hun knecht/slaaf. Het probleem was dat die buitenlandse naties wel over Israël wilden heersen, maar niet in staat waren om Israëls schuld te betalen. Dus ook in hun geval werd de schuldbrief een vloek voor hen.

Op dezelfde manier verging het de aarde, die niet in staat was om de schuld van Adam te betalen. Daarom zei God: “Vervloekt is de aarde om uwentwil.” De aansprakelijkheid voor Adams zonde was verschoven van Adam naar de aardbodem (adamah).

De schuldbrief houdt de verantwoordelijkheid in om de de vruchten van het Koninkrijk voort te brengen, wat God altijd heeft gewild. Maar God had van te voren vastgesteld dat Christus (als laatste Adam) deze eis moest vervullen (en ook de overwinnaars op een tweede niveau). Israël was als een natie geroepen om deze rol te vervullen, maar zoals Paulus schrijft, “hetgeen Israel najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen [van de Israëlieten, die NIET uitverkoren waren] zijn verhard” (Rom 11:7).

Israël heeft als natie geprobeerd te beloften te vervullen, maar faalde. De vleselijke natie Israël faalde, maar “het uitverkoren deel heeft het verkregen.Het overwinnende overblijfsel is het werkelijke ‘uitverkoren volk’ . De rest was wel geroepen, maar niet uitverkoren.

Wat betreft de wet op lossing zijn de overwinnaars de enige echte Israëlieten, zoals God de term definieert. Deze ware Israëlieten – niet volgens genealogie, maar volgens de wet van de Geest – heeft gedaan wat de vleselijke natie Israël niet kon doen. Zij zijn lossers onder hun Hoofd-Losser, want zij zijn Zijn lichaam en Zijn getuigen (i.e. “martelaren”). Christus is het Woord, en Zijn ‘Israël’-overwinnaars zijn Zijn getuigen.

Dit is het ‘Israël’ dat genoemd wordt in Jes 41:8-9,

Maar gij, Israel, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost [zerah, ‘zaad’] van mijn vriend Abraham, 9 gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad;

Paulus vertelt in Gal 3:29 dat “Abrahams zaad” diegenen zijn die van Christus zijn, niet diegenen die Hem verwerpen. In feite, in Rom 9:8 zegt Paulus,

Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht [sperma, ‘zaad’].

Doordat Paulus onderscheid maakt tussen vleselijk Israël en “het uitverkoren deel”, wordt het duidelijk dat de profetie van Jesaja toegepast moet worden op de overwinnaars en niet op de vleselijke natie Israël. Het is de overwinnaarsnatie die God gegrepen heeft en roept uit de uithoeken van de aarde.

De aardbodem en het vlees

Toen Adam in den beginne geroepen werd om de aarde te beheren en te onderwerpen, was hij een geestelijk wezen in een aards lichaam. Zowel hijzelf als de aarde (Adam en de adamah) waren geschikte vaten om een woning te zijn voor de heerlijkheid van God. In die zin was de hemel op aarde, hoewel de manifestatie van de hemel nog niet volledig was.

Toen Adam zondigde daarentegen, ontving de fysieke aarde heerschappij over Adam, en op een iets persoonlijker niveau, het aardse/natuurlijke deel van Adam kreeg ook heerschappij over zijn geest. Zo werd Adam ‘vleselijk’. En toen hij kinderen kreeg werden zij ook vleselijk geboren.

Het praktische resultaat hiervan is dat we geboren worden onder de heerschappij van het vlees, wat óns “stof van de aarde” is. De enige manier om dit terug te draaien is door een tweede keer geboren te worden, van boven door de Heilige Geest. Wanneer de Nieuwe Mens begint op te groeien, begint het het heersersmandaat van de aarde (stof/het vlees) terug te pakken en het doet zich gelden. Met andere woorden, deze Nieuwe Mens begint het heersersmandaat uit te oefenen welke verloren was gegaan, toen Adam verkocht werd aan de aardbodem (stof/het vlees) vanwege zijn zonde.

Zij, die bestemd zijn om naar geestelijke volwassenheid te groeien, zijn het overwinnende overblijfsel. Zij zijn degenen die geroepen zijn om de aarde te regeren en het te onderwerpen onder de voeten van Christus. Dit overblijfsel wordt genomen uit iedere generatie. Het volledige overblijfsel wordt zodoende niet eerder genomen dan na de volledige zes dagen van werk – dat is de 6000 jaar Koninkrijksgeschiedenis – wanneer de laatste van het overblijfsel van boven geboren is.

Het overblijfsel staat getuige

Jesaja 43:10 spreekt van het overwinnende overblijfsel met de woorden, “Gij zijt Mijn getuigen”. Een getuige is iemand die iets gezien of gehoord heeft. Zulke getuigen kunnen niet blind of doof zijn, en daarom zegt Paulus dat het merendeel van de Israëlieten niet het overwinnende overblijfsel zijn. Zij wáren doof en blind en zodoende gediskwalificeerd als getuige.

In het Nieuwe Testament is het woord voor ‘ getuige’ martys (Han 26:16). Het engelse woord ‘martyr’ is hiervan afgeleid. Een martelaar is niet per definitie iemand die gedood wordt om zijn geloof. Het is iemand die zijn leven niet liefheeft, tot in de dood (Ope 12:11). Hij is geen overlever. Of hij nou leeft of sterft, hij getuigt van de waarheid.

Het overwinnende overblijfsel is een lichaam van getuigen die overinnen “de grote draak, ... die genaamd wordt duivel en de satan” (Ope 12:9). Vers 11 zegt,

En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood.

Zij overwinnen door twee dingen: Het bloed van het Lam en het woord van hun getuigenis (martyria), dat is hun getuigenis van de waarheid over het bloed van het Lam.

Het bloed van de martelaren

De wet op de Getuigen in Deu 19:15 vertelt ons dat “op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan.” Jezus bevestigde deze wet in Mat 18:16 en Paulus bevestigde het in 2Co 13:1.

Het bloed van Christus was de eerste getuige en het bloed van het overwinnende overblijfsel is de tweede getuige. Door deze twee getuigen wordt de grote draak neergeworpen. Het is daarom belangrijk om op te merken dat Ope 6:9 spreekt van het bloed van de martelaren in dezelfde termen als bij het bloed van Christus zelf.

En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis [martyria], dat zij hadden.

Welke zielen zijn dit? Waarom is er sprake van zielen en niet van lichamen? Omdat, wanneer een dier geslacht werd in de tempel, zijn bloed uitgegoten werd onder het altaar. Het bloed is de zetel van de ziel, en dus werd gezegd dat bij het uitgieten van het bloed, de ziel uitgegoten werd. In de Wetten op Bloed staat geschreven dat niemand bloed mocht eten (drinken), omdat het doel ervan was om verzoening te doen voor onze zielen. Dit is wat we lezen in Lev 17:11,

Want de ziel [nephesh] van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel [nephesh].

Met andere woorden, de ziel gaf aan het bloed de mogelijkheid om verzoening te doen voor de zonden die onze ziel had begaan. Het bloed is de drager van de ziel en heeft geen verzoeningswaarde los van de ziel die er in zit.

Wanneer we spreken over het bloed van het Lam of het bloed van Jezus, moeten we Zijn bloed zien zoals het gezien wordt in Jes 53:12, waar erover geprofeteerd was dat “hij zijn leven [nephesh, ‘ziel’] heeft uitgegoten in de dood.” Toen Hij Zijn bloed vergoot aan het kruis, was het niet slechts bloed dat werd uitgegoten, maar Zijn ziel.

Wanneer martelaren getuigen van Hem, zetten zij hun leven op het spel, zelfs tot het punt dat hun eigen bloed uitgegoten wordt onder het altaar van God. Het bloed van een martelaar draagt zijn ziel en God beschouwt dit als dat zijn ziel uitgegoten wordt onder het altaar. De ziel van een martelaar wordt daarom uitgegoten als een offer voor de zielen van anderen. Rom 8:36 citeert Psalm 44:22, zeggend,

Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.

Wanneer een martelaar vervolgd wordt of gedood om het getuigenis van de waarheid, haalt dit een wondelijke en schitterende wet naar voren. Het is de Wet op de Rechten van Slachtoffers. Alle martelaren zijn per definitie slachtoffers van onrecht. Daarvoor worden er aan hen rechten toegekend in het hemelse gerechtshof.

Het hemelse gerechtshof veroordeelt alle onrecht en geeft dan het slachtoffer het recht om het lot van de overtreder te bepalen. Alle slachtoffers hebben het recht om óf de volle straf te eisen of de zonde te vergeven waardoor ze slachtoffers waren geworden.

Volgens deze wet koos Jezus te vergeven, toen Hij aan het kruis hing, als de ultieme Martelaar van het getuigen van de waarheid (Luk 23:34). Volgens deze zelfde wet ontvangen de martelaren (als collectief) de sleutels van het Koninkrijk, i.e. het recht om te binden of te ontbinden. Als getuigen van het bloed van Christus, doen zij wat Hij deed. Ze vergeven de mensen, maar veroordelen ook het onrecht en de wereldsystemen die de mens in gebondenheid houdt aan zonde en onwetendheid over de waarheid.

Abels bloed spreekt nog steeds

Abel was de eerste martelaar. Heb 11:4 zegt “hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.” Dit refereert aan het feit dat nadat hij gedood was, God tegen Kaïn zei in Gen 4:10 ... Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem. Zijn dood deed de stem van zijn ziel niet verstommen. Integendeel, juist zijn martelaarschap gaf een stem aan zijn ziel in de hemelse gerechtshoven.

Zonder twijfel was zijn ziel een van hen die het uitriepen om gerechtigheid in Ope 6:10. Hen werd verteld om geduldig te zijn, omdat er andere stemmen waren die nog gehoord moesten worden, als ze gedood worden vanwege de waarheid. Ze moesten als één stem spreken en dit kon alleen nadat het bloed van de laatste martelaar zijn ziel gebracht had naar de plaats onder het altaar.

De zielen onder het altaar vroegen, “Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen?

Het woord voor ‘oordelen’ is krino, en betekent ‘scheiden, onderscheiden, oplossen’. Ze wilden dat God hun zaak zou oplossen.

Ten tweede, het woord ‘wreken’ is ekdikeo en betekent ‘iemands gelijk halen, recht doen’.

Hier moeten we denken met een Hebreeuwse manier van denken, en niet te veel afhankelijk zijn van de betekenis van Griekse woorden. In de wet gaf God hoofden van een huishouden de macht om het huis te vertegenwoordigen. Het was zijn plicht om de familie te beschermen en hen te vertegenwoordigen in wettige zaken om te verzekeren dat ieder van hen hun recht zouden krijgen.

Zij stonden bekend als ‘verwante lossers’ (Deu 19:6,12 en Joz 20:3,5). Helaas gebruiken de meeste vertalingen ‘bloedwrekers’, waarmee ze de term een klank van wraak geven in plaats van recht halen of oplossen. De bijbelse term is ga’al, wat een losser is, geen wreker. ‘Bloed’ is hetzelfde als bloedlijn of iemand die een bloedverwant is. Zodoende was hij een verwante losser, die goddelijk recht zoekt, geen vleselijke wraak.

De zielen onder het altaar riepen om gerechtigheid, geen wraak. Ze wilden hun zaak tot een oplossing brengen. Als de rechter eenmaal zijn oordeel uitgesproken heeft, de schuldigen veroordelend en de onschuldigen in hun gelijk stellend, dan krijgen de slachtoffers zelf het recht om compensatie te ontvangen of om te vergeven.

De wet op het drinken van bloed

Lev 17:12 verbiedt alle mensen, ongeacht van welk ras, om bloed te eten (drinken).

Daarom heb Ik tot de Israelieten gezegd: Niemand van u zal bloed eten. Ook de vreemdeling, die in uw midden vertoeft, zal geen bloed eten.

Vers 13 zegt dat hij “zal het bloed daarvan uitgieten en dat bedekken met aarde.”

Bloed drinken is bloeddorstig zijn. De Edomieten werden veroordeeld in Ezechiël 35:6 omdat ze geen hekel hadden aan bloed vergieten. Bloed drinken betekent in Hebreeuws denken, een man van geweld zijn. Toen Abels bloed vergoten was, werd gezegd dat Kaïn de aarde had gevoed met het bloed van zijn broeder. Gen 4:11 zegt,

En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen.

De vervloekte grond was bloeddorstig, of geweldadig. Vóór Adams zonde was de grond (net als Adam) geschikt om te dienen als woning voor de Geest van God en de hemel zelf. Maar toen de grond eenmaal vervloekt was, nam het een geweldadige natuur aan. De grond zou nu het bloed van dieren en martelaren drinken. Het zou nu zielen consumeren, van hen die geweldadig gedood worden.

Het hemelse tegengif

Het tegengif hiervan is het drinken van het bloed van Jezus en het eten van Zijn vlees. Joh 6:53 zegt,

Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.

Dezelfde wet die een vloek plaatst op hen die het bloed (de ziel) van mensen en dieren drinken, is de wet die ons beveelt het bloed van Jezus te drinken, om de vloek ongedaan te maken.

(*)De ziel van Christus is van een andere natuur dan de ziel van natuurlijke dingen (mensen en dieren). De natuurlijke ziel is afkomstig van de aarde die niet onderworpen is aan de hemelse heerschappij, zoals de natuurlijke ziel van de mens niet onderworpen is aan de menselijke geest. Het wordt vlees genoemd en voert oorlog tegen de hemelse heerschappij. Daarom wordt gezegd dat het vlees vijandschap tegen God is.

(*)De geweldadige natuur van het vlees, heeft een geweldadige dood ondergaan, toen de Zoon des Mensen (als vertegenwoordiger van alle menselijke zielen, de Oude Mens) aan het kruis stierf. Maar de ziel van Christus bleek van een andere, een goddelijke natuur te zijn en heeft de dood overwonnen. De ziel van Christus heeft de natuur van een onvernietigbaar leven. Het is de natuur van een overwinnaar.

We zijn wat we eten (en drinken). Geweldadige mensen, die vanuit hun vleselijke natuur bloeddorstig zijn naar het bloed van hen die getuigen zijn van de waarheid, worden vervloekt door deze wet. Het overwinnende overblijfsel daarentegen zijn zij die Christus’ vlees hebben gegeten en Zijn bloed hebben gedronken (*) en daarmee deel krijgen aan de goddelijke natuur van een onvernietigbaar leven. Het eten en drinken van Jezus’ vlees en bloed is een proces, waarin de heerschappij van de aarde in ons (het vlees) sterft en het leven van de Geest, vanuit onze geest, de ziel transformeert tot de ziel van Christus.

Het Hebreeuwse woord voor ‘bloed’ is dam, wat afkomstig is van het woord damah.Het woord damah wordt gebruikt in Gen 1:26, waar God zegt, “Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis [damah]”. Eén van bloed zijn met Christus betekent gelijk zijn aan Zijn beeld. Wij komen in Zijn gelijkenis/beeld door het drinken van Zijn bloed – i.e. door te geloven dat Zijn woorden waarheid zijn, wordt onze ziel getransformeerd door het leven (de ziel) van Christus.

Zij die dit doen zijn het overwinnende overblijfsel en zullen in staat zijn om de grote draak te overwinnen door getuigenis te geven aan het bloed van het Lam. Laat ons daarom Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken, opdat we Zijn ziel consumeren en daardoor volledig aan Hem gelijk worden.

(*)Alleen dan, wanneer we Zijn woord en Zijn Geest door geloof laten heersen in onze aardse lichamen, zal het Leven van Christus’ ziel de dood in de onze overwinnen. Dan, op de bestemde tijd, wanneer we onze aardse lichamen zullen inruilen voor hemelse, zal Zijn heerlijkheid ons volledig kunnen vullen. En alleen dan kan, door dit ‘hemelse lichaam’ van gelovigen, i.e. het lichaam van Christus op aarde, hemelse heerschappij teruggebracht worden zoals Adam dat had ontvangen vóór de zondeval, en zal vervuld worden wat de Heer gesproken heeft in Habbakuk 2:14,

Want de aarde zal vol worden van de kennis van des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.

(*) – toevoeging van Bijbelinfo op het oorspronkelijke artikel van dr. Stephen Jones.